Kennisclip burgerlijk recht
Week 1 – HR Depex/Curatoren van Bergel
Art. 3:4 BW
De eigenaar van de zaak is ook eigenaar van de bestanddelen. Als er sprake is van één
zaak dan ben je ook eigenaar van de bestanddelen. Je kan niet alleen eigenaar zijn van de
bestanddelen.
HR Depex/Curatoren van Bergel
In dit arrest gaat het om de vraag of meerdere objecten samen een zaak vormen. Namelijk of
de apparatuur in de fabriek samen een zaak vormen. Het is de vraag of de apparatuur
bestanddeel van het fabrieksgebouw is. Voor het antwoord op deze vraag moet worden
gekeken naar art. 3:4 BW. Dit artikel bevat twee vereisten, namelijk:
1. Als het volgens de verkeersopvattingen onderdeel uitmaakt van een zaak, dan is het
een bestanddeel van de zaak (lid 1);
Hierbij moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval.
2. Een zaak is een bestanddeel als het zodanig met de hoofdzaak is verbonden,
waardoor zij niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis
wordt toegebracht.
In dit arrest ging het om de maatstaf van lid 1. Het was de vraag of de apparatuur en het
gebouw samen moesten worden gezien als één zaak. Hiervoor heeft de Hoge Raad twee
aanwijzingen gegeven, namelijk:
1. Er is sprake van een zaak als het gebouw en de apparatuur in constructief opzicht
specifiek op elkaar zijn afgestemd;
2. Er is sprake van een bestanddeel wanneer het gebouw als fabrieksgebouw
onvoltooid is zonder de apparatuur.
Hierbij moet niet worden gekeken naar de functie van de apparatuur in het
productieproces.
In dit arrest ging het om apparatuur die geschikt was voor farmaceutische middelen. Echter,
er moet niet worden gekeken naar het productieproces. Hierdoor was het fabrieksgebouw
niet onvoltooid zonder de apparatuur.
,Kennisclip burgerlijk recht
Week 1 – Blaauboer / Berlips
Twee soorten rechten
Absolute rechten zijn rechten die je kunt handhaven tegen een ieder. Het zijn ook rechten op
goederen. Daarom worden zij ook wel goederenrechtelijke rechten genoemd. Deze rechten
kunnen altijd worden ingeroepen. De absolute rechten zijn het eigendomsrecht en de
beperkte rechten. Een absoluut recht bestaat alleen als is voldaan aan de voorwaarden uit
de wet is gedaan. Dit wordt het gesloten stelsel van absolute rechten genoemd.
Relatieve rechten kunnen alleen worden ingeroepen tegen een wederpartij op grond van een
contract of een onrechtmatige daad.
HR Blaauboer/Berlips
In dit arrest hadden de gebroeders Berlips een deel van hun grond overgedragen aan
Blaauboer. In de overeenkomst spraken de partijen af dat de broers Berlips op hun stuk
grond een weg aan zouden leggen. Echter, de broers hebben dit nooit gedaan. Jaren later
sprak Blaauboer de broers hierop aan. De broers stelden zich op het standpunt dat hun
afspraak met blauwboer over het weggetje een absoluut recht. Dit recht kon Blaauboer
inroepen tegen een ieder die eigenaar was van het stuk grond. Tijdens de zaak was dit
mevrouw Maks. Het was dus de vraag of Blaauboer een absoluut of een relatief recht had.
De Hoge Raad oordeelde dat een absoluut recht alleen kan ontstaan als de wet hiervoor een
grondslag geeft. Als de partijen niet voldoen aan de vereisten voor het ontstaan van een
absoluut recht, dan ontstaat een relatief recht. Een relatief recht kan alleen worden
ingeroepen jegens de wederpartij.
,Kennisclip burgerlijk recht
Week 1 – goederenrecht, verbintenissenrecht
Verschil tussen goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten
Goederenrechtelijke rechten werken absoluut en verbintenisrechtelijke rechten werken
relatief. Een absoluut recht werkt jegens iedereen. Een relatief recht werkt jegens bepaalde
personen. Relatieve rechten werken alleen tussen partijen. Verbintenissen werken allen
tussen partijen en goederenrechtelijke rechten werken tegen iedereen. Alleen
goederenrechtelijke rechten uit de wet kunnen worden overeengekomen. Dit wordt de
numerus clausus genoemd.
Tussen vormen
Er zijn twee vormen tussen de goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten,
namelijk een kwalitatief recht en een kwalitatieve verplichting. In art. 6:251 lid 1 BW is een
kwalitatief recht beschreven. Hiermee geeft de wet een zekere derdenwerking aan sommige
op zichzelf verbintenisrechtelijke rechten, zolang aan de voorwaarden van het artikel is
voldaan. Dit wordt kwalitatief genoemd, omdat het recht is verbonden aan een hoedanigheid
van het zijn van rechthebbende van een bepaald goed. Als aan de vereisten van art. 6:251
BW gaat het recht van rechtswege over op de verkrijgen van het goed, tenzij aan de
vereisten uit art. 6:251 lid 3 en 4 BW is voldaan.
De kwalitatieve verplichting is in art. 6:252 BW geregeld. Dit is het omgekeerde van het
kwalitatieve recht. In dit geval werkt de verplichting kwalitatief. Er wordt derdenwerking
gegeven aan een verplichting. Het gaat om een verplichting die is verbonden aan het zijn
van rechthebbende van een goed. De verplichting gaat over op de nieuwe rechthebbende
van he goed. Een kwalitatieve verplichting ontstaat niet van rechtswege. De partijen moeten
de overeenkomst neerleggen in een notariële akte en die akte inschrijven in de openbare
registers. Ook moet het gaat om een verplichting ten aanzien van een registergoed waarvan
men de verplichting overeenkomst. Verder kan de verplichting alleen bestaan uit een
verplichting om iets te dulden of niet te doen.
Recht van erfdienstbaarheid
Het recht van erfdienstbaarheid is aan twee kanten verbonden aan een goed.
, Hoorcollege burgerlijk recht
Week 1
Goederenrecht
Goederenrechten zijn absolute rechten.
HR Blauwboer/Berlips zie ook kennisclip
In dit arrest is het verschil tussen goederenrecht en verbintenissenrecht bepaald. Dit arrest
ging om een stuk grond die van de broers Berlips was. De broers hebben een gedeelte van
het stuk grond verkocht aan Blauwboer. In de overeenkomst spraken partijen af dat Berlips
de grond die hij in zijn bezit zou houden, zou ophogen en bestraten. Hierdoor zou er een
afscheiding ontstaan en dan is de toegankelijkheid van het perceel van blauwboer vergroot.
Echter, Berlips verkocht zijn grond aan Maks. Blauwboer sprak Berlips aan wegens
wanprestatie vanwege bovenstaande verplicht. Berlips stelde dat hij niet meer de
schuldenaar is, maar dat Maks dit is. De Hoge Raad stelt dat dit niet klopt, omdat de
verbintenis die op Berlips rust goederenrechtelijke werking heeft. De verplichting van Berlips
zou dan overgaan op Maxs en de verplichting zou dan kwalitatief rechtelijk zijn. Dit is in strijd
met het strikte onderscheid tussen verbintenissenrecht en goederenrecht.
Goederen
Goederen zijn zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW). Voorbeelden van een
vermogensrecht zijn:
Vorderingsrecht;
Eigendomsrecht;
Vruchtgebruik;
Hypotheekrecht;
Opstal;
Pandrecht;
Auteursrecht;
Merkrecht.
Je bent alleen eigenaar van zaken (art. 5:1 BW). Je bent geen eigenaar van een
vermogensrecht. Eigendom en zaken worden vaak door elkaar gehaald. Je draagt het
eigendom met betrekking tot de zaak over en niet de zaak. Hierdoor stellen sommige auteurs
dat eigendom valt onder de zaak genoemd in art. 3:1 BW, maar er zijn ook auteurs die
stellen dat eigendom een vermogensrecht is.
Zaken
Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 BW). Een mens is
geen zaak, omdat het geen object is maar een zaak. Echter, als je je haar afknipt dan is het
wel een zaak. Het is dan namelijk wel voor menselijke beheersing vatbaar.
Digitale objecten
Digitale objecten kunnen vermogenswaarde hebben en hierdoor kunnen zij een
vermogensrecht zijn. Zo is de URL van een website een vermogensrecht.
Onroerende en roerende zaken
Onroerende zaken zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplantingen en gebouwen en werken die duurzaam zijn verenigd met de grond,
hetzij rechtstreeks of door vereniging met andere gebouwen of werken (art. 3:3 lid 1 BW).
Roerende zaken zijn alle zaken die niet onroerend zijn (art. 3:3 lid 2 BW).
Dit artikel hangt nauw samen met art. 5:20 BW. Op art. 5:20 lid 1 sub e en f BW kun je
portacabin ook toepassen. Echter, uit de aanhef van art. 5:20 lid 1 BW blijkt dat hierop ook
uitzonderingen zijn.
Art. 5:20 lid 1 BW bevat de verticale natrekkingsregeling. Dit artikel gaat over de vraag wie
de eigenaar is en art. 3:3 BW gaat over roerende of onroerende zaken. De horizontale
Week 1 – HR Depex/Curatoren van Bergel
Art. 3:4 BW
De eigenaar van de zaak is ook eigenaar van de bestanddelen. Als er sprake is van één
zaak dan ben je ook eigenaar van de bestanddelen. Je kan niet alleen eigenaar zijn van de
bestanddelen.
HR Depex/Curatoren van Bergel
In dit arrest gaat het om de vraag of meerdere objecten samen een zaak vormen. Namelijk of
de apparatuur in de fabriek samen een zaak vormen. Het is de vraag of de apparatuur
bestanddeel van het fabrieksgebouw is. Voor het antwoord op deze vraag moet worden
gekeken naar art. 3:4 BW. Dit artikel bevat twee vereisten, namelijk:
1. Als het volgens de verkeersopvattingen onderdeel uitmaakt van een zaak, dan is het
een bestanddeel van de zaak (lid 1);
Hierbij moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval.
2. Een zaak is een bestanddeel als het zodanig met de hoofdzaak is verbonden,
waardoor zij niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis
wordt toegebracht.
In dit arrest ging het om de maatstaf van lid 1. Het was de vraag of de apparatuur en het
gebouw samen moesten worden gezien als één zaak. Hiervoor heeft de Hoge Raad twee
aanwijzingen gegeven, namelijk:
1. Er is sprake van een zaak als het gebouw en de apparatuur in constructief opzicht
specifiek op elkaar zijn afgestemd;
2. Er is sprake van een bestanddeel wanneer het gebouw als fabrieksgebouw
onvoltooid is zonder de apparatuur.
Hierbij moet niet worden gekeken naar de functie van de apparatuur in het
productieproces.
In dit arrest ging het om apparatuur die geschikt was voor farmaceutische middelen. Echter,
er moet niet worden gekeken naar het productieproces. Hierdoor was het fabrieksgebouw
niet onvoltooid zonder de apparatuur.
,Kennisclip burgerlijk recht
Week 1 – Blaauboer / Berlips
Twee soorten rechten
Absolute rechten zijn rechten die je kunt handhaven tegen een ieder. Het zijn ook rechten op
goederen. Daarom worden zij ook wel goederenrechtelijke rechten genoemd. Deze rechten
kunnen altijd worden ingeroepen. De absolute rechten zijn het eigendomsrecht en de
beperkte rechten. Een absoluut recht bestaat alleen als is voldaan aan de voorwaarden uit
de wet is gedaan. Dit wordt het gesloten stelsel van absolute rechten genoemd.
Relatieve rechten kunnen alleen worden ingeroepen tegen een wederpartij op grond van een
contract of een onrechtmatige daad.
HR Blaauboer/Berlips
In dit arrest hadden de gebroeders Berlips een deel van hun grond overgedragen aan
Blaauboer. In de overeenkomst spraken de partijen af dat de broers Berlips op hun stuk
grond een weg aan zouden leggen. Echter, de broers hebben dit nooit gedaan. Jaren later
sprak Blaauboer de broers hierop aan. De broers stelden zich op het standpunt dat hun
afspraak met blauwboer over het weggetje een absoluut recht. Dit recht kon Blaauboer
inroepen tegen een ieder die eigenaar was van het stuk grond. Tijdens de zaak was dit
mevrouw Maks. Het was dus de vraag of Blaauboer een absoluut of een relatief recht had.
De Hoge Raad oordeelde dat een absoluut recht alleen kan ontstaan als de wet hiervoor een
grondslag geeft. Als de partijen niet voldoen aan de vereisten voor het ontstaan van een
absoluut recht, dan ontstaat een relatief recht. Een relatief recht kan alleen worden
ingeroepen jegens de wederpartij.
,Kennisclip burgerlijk recht
Week 1 – goederenrecht, verbintenissenrecht
Verschil tussen goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten
Goederenrechtelijke rechten werken absoluut en verbintenisrechtelijke rechten werken
relatief. Een absoluut recht werkt jegens iedereen. Een relatief recht werkt jegens bepaalde
personen. Relatieve rechten werken alleen tussen partijen. Verbintenissen werken allen
tussen partijen en goederenrechtelijke rechten werken tegen iedereen. Alleen
goederenrechtelijke rechten uit de wet kunnen worden overeengekomen. Dit wordt de
numerus clausus genoemd.
Tussen vormen
Er zijn twee vormen tussen de goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten,
namelijk een kwalitatief recht en een kwalitatieve verplichting. In art. 6:251 lid 1 BW is een
kwalitatief recht beschreven. Hiermee geeft de wet een zekere derdenwerking aan sommige
op zichzelf verbintenisrechtelijke rechten, zolang aan de voorwaarden van het artikel is
voldaan. Dit wordt kwalitatief genoemd, omdat het recht is verbonden aan een hoedanigheid
van het zijn van rechthebbende van een bepaald goed. Als aan de vereisten van art. 6:251
BW gaat het recht van rechtswege over op de verkrijgen van het goed, tenzij aan de
vereisten uit art. 6:251 lid 3 en 4 BW is voldaan.
De kwalitatieve verplichting is in art. 6:252 BW geregeld. Dit is het omgekeerde van het
kwalitatieve recht. In dit geval werkt de verplichting kwalitatief. Er wordt derdenwerking
gegeven aan een verplichting. Het gaat om een verplichting die is verbonden aan het zijn
van rechthebbende van een goed. De verplichting gaat over op de nieuwe rechthebbende
van he goed. Een kwalitatieve verplichting ontstaat niet van rechtswege. De partijen moeten
de overeenkomst neerleggen in een notariële akte en die akte inschrijven in de openbare
registers. Ook moet het gaat om een verplichting ten aanzien van een registergoed waarvan
men de verplichting overeenkomst. Verder kan de verplichting alleen bestaan uit een
verplichting om iets te dulden of niet te doen.
Recht van erfdienstbaarheid
Het recht van erfdienstbaarheid is aan twee kanten verbonden aan een goed.
, Hoorcollege burgerlijk recht
Week 1
Goederenrecht
Goederenrechten zijn absolute rechten.
HR Blauwboer/Berlips zie ook kennisclip
In dit arrest is het verschil tussen goederenrecht en verbintenissenrecht bepaald. Dit arrest
ging om een stuk grond die van de broers Berlips was. De broers hebben een gedeelte van
het stuk grond verkocht aan Blauwboer. In de overeenkomst spraken partijen af dat Berlips
de grond die hij in zijn bezit zou houden, zou ophogen en bestraten. Hierdoor zou er een
afscheiding ontstaan en dan is de toegankelijkheid van het perceel van blauwboer vergroot.
Echter, Berlips verkocht zijn grond aan Maks. Blauwboer sprak Berlips aan wegens
wanprestatie vanwege bovenstaande verplicht. Berlips stelde dat hij niet meer de
schuldenaar is, maar dat Maks dit is. De Hoge Raad stelt dat dit niet klopt, omdat de
verbintenis die op Berlips rust goederenrechtelijke werking heeft. De verplichting van Berlips
zou dan overgaan op Maxs en de verplichting zou dan kwalitatief rechtelijk zijn. Dit is in strijd
met het strikte onderscheid tussen verbintenissenrecht en goederenrecht.
Goederen
Goederen zijn zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW). Voorbeelden van een
vermogensrecht zijn:
Vorderingsrecht;
Eigendomsrecht;
Vruchtgebruik;
Hypotheekrecht;
Opstal;
Pandrecht;
Auteursrecht;
Merkrecht.
Je bent alleen eigenaar van zaken (art. 5:1 BW). Je bent geen eigenaar van een
vermogensrecht. Eigendom en zaken worden vaak door elkaar gehaald. Je draagt het
eigendom met betrekking tot de zaak over en niet de zaak. Hierdoor stellen sommige auteurs
dat eigendom valt onder de zaak genoemd in art. 3:1 BW, maar er zijn ook auteurs die
stellen dat eigendom een vermogensrecht is.
Zaken
Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 BW). Een mens is
geen zaak, omdat het geen object is maar een zaak. Echter, als je je haar afknipt dan is het
wel een zaak. Het is dan namelijk wel voor menselijke beheersing vatbaar.
Digitale objecten
Digitale objecten kunnen vermogenswaarde hebben en hierdoor kunnen zij een
vermogensrecht zijn. Zo is de URL van een website een vermogensrecht.
Onroerende en roerende zaken
Onroerende zaken zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplantingen en gebouwen en werken die duurzaam zijn verenigd met de grond,
hetzij rechtstreeks of door vereniging met andere gebouwen of werken (art. 3:3 lid 1 BW).
Roerende zaken zijn alle zaken die niet onroerend zijn (art. 3:3 lid 2 BW).
Dit artikel hangt nauw samen met art. 5:20 BW. Op art. 5:20 lid 1 sub e en f BW kun je
portacabin ook toepassen. Echter, uit de aanhef van art. 5:20 lid 1 BW blijkt dat hierop ook
uitzonderingen zijn.
Art. 5:20 lid 1 BW bevat de verticale natrekkingsregeling. Dit artikel gaat over de vraag wie
de eigenaar is en art. 3:3 BW gaat over roerende of onroerende zaken. De horizontale