Week 8 - recht en rechtsstaat - Grondslag van recht
vrijheid als basisbeginsel van ons recht Art. 1 UVRM,
John Locke natuurtoestand: mensen zijn van nature gelijk aan elkaar, perfecte vrijheid en
gelijkheid
- natuurwet: niemand mag een ander schade toebrengen in eigendom, lichaam etc.
omdat iedereen gelijk is aan elkaar
“Waar geen wet is, is geen vrijheid”
- een overheid bestaat om de vrijheid van burgers te waarborgen en moet neutraal zijn
Negatieve belemmeringen: omstandigheden waarbij men belemmerd wordt door een gebrek
aan iets.
Positieve belemmeringen: omstandigheden waarin de aanwezigheid van obstakels iemand
belemmert.
- bijvoorbeeld handelen van de overheid
Negatieve vrijheid: je bent vrij van positieve belemmeringen, de verwijzing naar de
afwezigheid van externe beperking. Het gaat erom wat je niet wordt verboden. weinig vraag
naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Je bent vrij om te doen wat je wilt, zolang niemand (zoals de overheid) je
verbiedt om bepaalde dingen te doen, zoals het kiezen van je beroep, je mening
uiten, of reizen waar je maar wilt.
- klassieke grondrechten: Geldt voor iedereen, bv art 6 Gw vrijheid van godsdienst
- politieke grondrechten: grondrechten die je de mogelijkheid geven om in te mengen
in het opstellen van de wetgeving en dus ook helpen met het bepalen welke positieve
belemmeringen je hebt. bv Art 4 Gw, kiesrecht
- sociale grondrechten: De overheid treft maatregelen om basisbehoefte van de burger
te garanderen, waarborgen de positieve vrijheid. bv art 19 Gw, werkgelegenheid.
Ezelsbruggetje: klassieke grondrechten worden geformuleerd voor een ieder en sociale
grondrechten voor de overheid om maatregelen te treffen.
Positieve vrijheid: je bent vrij van negatieve belemmeringen. Het gaat over de mogelijkheid
om je eigen leven te bepalen. Het benadrukt wat je kunt doen om autonomie te realiseren.
vraag naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Vrijheid betekent niet alleen dat je iets mag doen, maar ook dat je de
middelen, mogelijkheden of vaardigheden hebt om dat te doen.
- bv, het recht om te stemmen is een negatieve vrijheid, maar positieve vrijheid
impliceert ook dat je toegang hebt tot onderwijs art 23 Gw en informatie om die stem
goed gebruiken
geven van onderwijs is een negatieve vrijheid, het krijgen van onderwijs is een positieve
vrijheid
Formele gelijkheid: gelijkheid op papier
vrijheid als basisbeginsel van ons recht Art. 1 UVRM,
John Locke natuurtoestand: mensen zijn van nature gelijk aan elkaar, perfecte vrijheid en
gelijkheid
- natuurwet: niemand mag een ander schade toebrengen in eigendom, lichaam etc.
omdat iedereen gelijk is aan elkaar
“Waar geen wet is, is geen vrijheid”
- een overheid bestaat om de vrijheid van burgers te waarborgen en moet neutraal zijn
Negatieve belemmeringen: omstandigheden waarbij men belemmerd wordt door een gebrek
aan iets.
Positieve belemmeringen: omstandigheden waarin de aanwezigheid van obstakels iemand
belemmert.
- bijvoorbeeld handelen van de overheid
Negatieve vrijheid: je bent vrij van positieve belemmeringen, de verwijzing naar de
afwezigheid van externe beperking. Het gaat erom wat je niet wordt verboden. weinig vraag
naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Je bent vrij om te doen wat je wilt, zolang niemand (zoals de overheid) je
verbiedt om bepaalde dingen te doen, zoals het kiezen van je beroep, je mening
uiten, of reizen waar je maar wilt.
- klassieke grondrechten: Geldt voor iedereen, bv art 6 Gw vrijheid van godsdienst
- politieke grondrechten: grondrechten die je de mogelijkheid geven om in te mengen
in het opstellen van de wetgeving en dus ook helpen met het bepalen welke positieve
belemmeringen je hebt. bv Art 4 Gw, kiesrecht
- sociale grondrechten: De overheid treft maatregelen om basisbehoefte van de burger
te garanderen, waarborgen de positieve vrijheid. bv art 19 Gw, werkgelegenheid.
Ezelsbruggetje: klassieke grondrechten worden geformuleerd voor een ieder en sociale
grondrechten voor de overheid om maatregelen te treffen.
Positieve vrijheid: je bent vrij van negatieve belemmeringen. Het gaat over de mogelijkheid
om je eigen leven te bepalen. Het benadrukt wat je kunt doen om autonomie te realiseren.
vraag naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Vrijheid betekent niet alleen dat je iets mag doen, maar ook dat je de
middelen, mogelijkheden of vaardigheden hebt om dat te doen.
- bv, het recht om te stemmen is een negatieve vrijheid, maar positieve vrijheid
impliceert ook dat je toegang hebt tot onderwijs art 23 Gw en informatie om die stem
goed gebruiken
geven van onderwijs is een negatieve vrijheid, het krijgen van onderwijs is een positieve
vrijheid
Formele gelijkheid: gelijkheid op papier