Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Uitgebreide en volledige samenvatting Biologische grondslagen: evolutionaire psychologie (incl. argumentatiemap bijzondere verplichting)

Beoordeling
5,0
(3)
Verkocht
61
Pagina's
145
Geüpload op
17-03-2025
Geschreven in
2024/2025

Uitgebreide en volledige samenvatting van het vak Biologische grondslagen: evolutionaire psychologie. Inclusief artikelen, studietaken /opdrachten Brightspace en argumentatiemap voor de bijzondere verplichting. Tentamen gemaakt op 6 maart 2025 en gehaald met een 8,6.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Biologische grondslagen: evolutionaire psychologie



Inhoud
➢ Boek Evolutionary psychology – An introduction (4e editie) Lance Workman & Will Reader (H1 t/m 9,
H11 t/m 14)
➢ Artikelen Brightspace (in het tentamen dat ik heb gemaakt slechts één vraag over artikel Mealey)
➢ Thema’s + opdrachten Brightspace
➢ Bijzondere verplichting: argumentatiemap

Opmerkingen
• Groen gemarkeerd: antwoorden op oefententamens
• De samenvatting is op de volgorde gemaakt zoals deze in Brightspace staat. Niet alle hoofdstukken
volgen elkaar chronologisch op.
• Vragen uit Brightspace die over een eigen standpunt gaan of duidelijk geen leerstof bevatten zijn niet
meegenomen in deze samenvatting. Niet alle antwoorden zijn samengevat omdat het soms goed is de
context van de kern erbij te lezen.



Studietaak 1.1 Perspectief

Tinbergen
Tinbergen stelde dat als wij een bepaald diergedrag volledig willen begrijpen, wij vier vragen moeten
beantwoorden:

1. Mechanisme (causatie): wat zijn de onmiddellijke oorzaken van het gedrag? De vraag naar het
mechanisme is een vraag naar de werking van het proces in het hier-en-nu. Hoe zit het mechanisme in
elkaar en uit welke onderdelen bestaat het?
2. Ontwikkeling (ontogenese): hoe ontwikkelt het gedrag zich? Vb. Kinderen verschillen in hun
attachementstyle. Vb. het idee dat gebeurtenissen in kindertijd leiden tot de ontwikkeling van
psychopathologie.
3. Functie (adaptatie): wat is het nut of het adaptieve voordeel van het gedrag? Deze vragen gaan over
de evolutionaire functie van het gedrag. Zo'n functionele vraag is dus een vraag naar het adaptieve nut.
Betreft het eindresultaat van natuurlijke selectie. Vb. De emotie walging blijkt betrokken te zijn bij het in
aanraking komen met ziekteverwekkers.
4. Evolutie (fylogenese): hoe is het gedrag ontstaan en hoe heeft het zich in de loop van de evolutie
ontwikkeld? Deze vraag gaat dus niet over de adaptieve functie, maar over de evolutionaire
ontstaansgeschiedenis van het gedrag.

,1.1 Historie
➢ Na Darwin interesse voor evolutie snel uitgedoofd
➢ Nadruk op andere verklaringsmodellen zoals behaviorisme
➢ In biologie echter steeds meer nadruk op evolutionaire grondslagen van gedrag
➢ Begin jaren 90 van twintigste eeuw herontdekking van evolutietheorie
➢ Voor het eerst term evolutionaire psychologie gebruikt

(Boek) Hoofdstuk 1 – Inleiding in de evolutionaire psychologie

De oorsprong van de evolutionaire psychologie

Ultieme vragen > waarom bestaat bepaald gedrag? Wat is de evolutionaire invloed? Hoe heeft deze eigenschap
bijgedragen aan de overleving van het organisme?

Proximate vragen > hoe ontwikkelt zich bepaald gedrag?

Een geschiedenis van evolutionair denken

Evolutie voor Darwin
• Idee dat natuur in één keer werd geschapen (lang als waarheid gezien)
• Oud-Griekse filosoof Thales (alles komt voort uit het element water)
• Oud-Griekse filosoof Empedocles (verschillende organen kwamen samen door liefde en sommige
resultaten hiervan gingen kopieën maken van zichzelf) > overeenkomst met natuurlijke selectie
• Aristoteles (The Great Chain of Being / Scala naturae) Elk soort neemt plaats in een hiërarchische
structuur – werd overgenomen door de kerk en was ‘zoals de wereld zou moeten zijn’. Einde van debat
over evolutionaire verandering.
• Erasmus Darwin (één levend filament – gemeenschappelijke voorouder)
• Jean Baptiste Lamarck
o Eerste wet: veranderingen in omgeving kunnen leiden tot verandering in gedrag van dier wat
kan leiden tot meer of minder gebruik van een orgaan
o Tweede wet: dergelijke veranderingen zijn erfelijk = overerving van verworven kenmerken
Verondersteld wordt dat dit niet juist is. Uitzondering: epigenetica

Darwin en natuurlijke selectie (1858)
Twee componenten
• Erfelijke variatie: individuen binnen een populatie hebben de neiging van elkaar te verschillen op
manieren die worden doorgegeven aan hun nakomelingen
• Differentieel reproductief proces: als gevolg van deze verschillen laten sommige individuen meer
overlevende nakomelingen achter dan anderen
• Verschil tussen eencellige en seksuele voorplanting: eencellige maken kopie van zichzelf. Seksuele
voortplanting zorgt voor nakomelingen welke verschillen van hun ouders.

Mendel en de geboorte van genetica (1858 – 1875)
• Verdelingsexperimenten met hybride erwtenplanten (altijd wit of rood tot uiting, nooit roze)
• Deeltjesvormig karakter
• Zijn gedachtegoed werd pas in twintigste eeuw echt bekend > ‘de moderne synthese’

Van evolutie naar evolutionaire psychologie
Materialisme: De benadering van de moderne cognitieve psychologie die de geest beschouwt als
uiteindelijk herleidbaar tot de activiteit van de hersenen.

Geest is activiteit van de hersenen > dus product van evolutie door natuurlijke selectie (Darwin’s opvatting)

Vroege pogingen tot een evolutionaire psychologie

Francis Galton (1822-1911)
• Werd sterk beïnvloed door theorie van natuurlijke selectie

, • Hij stelde dat karakter en intelligentie erfelijke eigenschappen waren en ontwikkelde enkele van de
eerste intelligentietests om deze kwesties te onderzoeken. (Voorloper van psychometrie)
• Bekende argument in moderne evolutionaire psychologie: eigenschappen die belangrijk waren in jager-
verzamelaarstijdperk zijn in hedendaagse samenleving niet optimaal
• Selectief fokken om de samenleving te helpen (controversieel > eugenetica)
• Begin twintigste eeuw onvrijwillige sterilisaties. (Daarnaast ook Nazi-Duitsland)

Sigmund Freud (1914)
• Cultureel relativisme (nadruk op rol ouders en het gezin bij vorming van de persoonlijkheid en individu)
• Geïnteresseerd in ‘ultieme’ vragen. Waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen?
• Aangeboren verlangens, seksueel imperatief, heeft parallellen met evolutietheorie
• Bewuste zelf niet bewust van ‘echte’ motieven komt overeen met theorie van zelfbedrog van Robert
Trivers

William James (1842-1910) en het concept van instinct
• Onderscheid tussen korte- en langetermijngeheugen
• Bestudeerde aandacht en perceptie
• Geïnspireerd door Darwin
• Instincten zoals angst, liefde en nieuwsgierigheid als drijvende krachten achter menselijk gedrag
• Instincten vielen uit de gratie en cultuur werd als belangrijkste factor voor menselijk gedrag gezien
• Menselijk gedrag wordt gedreven door meer instincten dan het gedrag van andere dieren.

Box 1.1 Eugenetica

Eugenetica
➢ Eugenes = goed geboren

Idee dat overheid de voortplanting zou moeten reguleren met als doel een betere samenleving (Plato)

Positieve eugenetica: aanmoedigen van mensen met een goede conditie om met elkaar nakomelingen te
produceren
Negatieve eugenetica: voorplanting van ‘ongeschikten’ te beperken/verbieden

Galton richtte de Eugenics Edication Society op (1907) (in eerste instantie positieve eugenetica)
Leonard Darwin nam dit over en zette gang van positieve eugenetica om naar negatieve
➢ Begin twintigste eeuw werden wereldwijd honderdduizenden mensen gesteriliseerd vanwege
psychologische ongeschiktheid.
➢ Nazi-Duitsland grootste voorbeeld van negatieve eugenetica
➢ Moderne technieken zorgen voor controverse: gentherapie en genetische manipulatie (screening op
afwijkingen)

De opkomst van cultuur als causale kracht in menselijk gedrag

John Tooby en Leda Cosmides
• Standard Social Sciences Model (SSSM) = cultuurrelativisme (bepaalde kijk op mens vanuit sociale
wetenschappen)
➢ Mensen worden geboren met schone lei
➢ Menselijk gedrag is oneindig kneedbaar
➢ Cultuur is autonoom en bestaat onafhankelijk van mensen
➢ Menselijk gedrag wordt bepaald door een proces van leren, socialisatie of indoctrinatie
➢ Leerprocessen zijn algemeen en kunnen worden toegepast op meerdere verschijnselen
• Ideeën hiervan terug te vinden bij Margaret Mead, Emile Durkheim en Albert Bandura
• Cultureel relativisme kan gedeeltelijk worden gezien als reactie op enkele beweringen van biologische
deterministen (zie box 1.1)
• Santa-Barbara school

,Misvatting over Darwins ideeën: Sommige organismen zouden meer ontwikkeld zijn dan anderen en in zekere
zin belangrijker (terug te herleiden naar Great Chain of being) Darwinistische
denken ontkent een dergelijk idee!

Cultureel Relativisme (grondlegger antropoloog Franz Boas)
• Verschillen tussen mensen zijn te wijten aan cultuur
• Als je mensen wilt begrijpen, moet je hun cultuur begrijpen
• Biofobie: angst voor biologische verklaringen van menselijk gedrag
➢ Moeilijk om na wetenschappelijke vestiging cultureel relativisme nog alternatieve
verklaringen te overwegen
➢ Na gruweldaden tweede wereldoorlog moeilijk om menselijke natuur te onderzoeken
zonder gezien te worden als voorstander van genetisch determinisme en eugenetica

Box 1.2 Vijf disciplines toepassing evolutionair denken

Ethologie
• Afgeleid van Ethos = karakter/gewoonte.
• Observatie van gedrag in hun natuurlijke omgeving waarin het is geëvolueerd
• Ethologen proberen evolutionaire/functionele verklaringen te combineren met causale verklaringen
• Vroege ethologen > instinct (beïnvloed door Darwin)
• Latere ethologen > interactie tussen genen en omgeving

Gedragsecologie (Behavioural Ecology)
• Voortgekomen uit klassieke ethologie
• Verschilt van ethologie doordat het gebruik maakt van economische kosten-batenmodellen om te
voorspellen hoe dieren zich zouden moeten gedragen in een bepaalde omgeving.
• Maken gebruik van flexibiliteit die genen bieden
• Combineert principes uit ecologie met ethologische benadering van gedrag
• Inclusieve fitness

Sociobiologie
• E.O. Wilson definieerde sociobiologie als > systematische studie van de biologische basis van al het
sociale gedrag
• Veel overlap met gedragsecologie
• Behandelt evolutie van sociaal gedrag en gebruikt functionele verklaringen voor pro- en antisociaal
gedrag (nut van huidige gedragsreactie voor voorouders)
• Beschouwt de menselijke sociale organisatie, ontwikkeld door natuurlijke selectie
• Geïnteresseerd in niet-menselijke soorten maar het willen verklaren van menselijk gedrag leidde tot
discussies laatste jaren twintigste eeuw

Evolutionaire psychologie
• Gebaseerd op ethologie en gedragsecologie
• Verschilt in focus op mentale toestanden in plaats van op gedrag als zodanig
• Benadrukt discrepantie tussen omgeving waarin soort is geëvolueerd en huidige
• Onderzoek naar menselijk gedrag
• Experimentele studies of naturalistische gegevens om voorspellingen te testen
• Focus van verklaring richt zich op psychologische mechanisme

Gen-cultuur Co-evolutie / Duale overervingstheorie (Dual-inheritance theory)
• Poging om relatie tussen culturele praktijken en genetische veranderingen te onderzoeken
• Voegen kennis van culturele antropologen toe aan Darwins theorie om relatie evolutie en gedrag te
verklaren
• Maken gebruik van wiskundige modellen ontwikkeld door populatiegenetici
• Omvat culturele voedingspraktijken, taal, persoonlijkheid en coöperatief gedrag interculturele
voedingspraktijken
• Omdat zowel biologische als culturele factoren in de evolutie worden meegenomen > duale
overervingstheorie

,Leertheorie en haar tekortkomingen

Ondanks bekendheid darwinistische denken buiten psychologie nog steeds cultureel relativisme het uitgangspunt
binnen de psychologie.

Pavlov, Watson en Skinner > klassieke en operante conditionering
• Instinctieve drift bleef maar terugkomen, werd afgedaan als verstoring
• Belangrijkste reden geen succes evolutietheorie: meeste psychologen begrijpen evolutietheorie niet

Box 1.3 Sociobiologie, evolutionaire psychologie en politieke correctheid

Sociobiologie en evolutiepschologie kregen veel weerstand van buiten de wetenschap
➢ Ondersteunen van racistische en seksistische ideeën
➢ Eugenetica

Seville Statement on Violence (Adams et al., 1986) – Sevilla verklaring
➢ Probeert verband te weerleggen dat wordt gelegd tussen biologie en gewelddadig gedrag door
sociobiologen en evolutiepsychologen:
• Wetenschappelijk onjuist dat we neiging tot oorlog voeren hebben geërfd van onze dierlijke
voorouders
• Wetenschappelijk onjuist om te zeggen dat oorlog of gewelddadig gedrag genetisch in onze natuur
zit
• Wetenschappelijk onjuist om te zeggen dat er meer selectie is geweest voor agressief gedrag dan
andere soorten gedrag
• Wetenschappelijk onjuist om te zeggen dat mensen een gewelddadig brein hebben
• Wetenschappelijk onjuist om te zeggen dan oorlog voortkomt uit instinct of door een enkele
motivatie
• Kritiek erop: wekt indruk dat het iets heeft weerlegt wat niet is bewezen.

Van sociobiologie tot evolutionaire psychologie

E.O. Wilson en sociobiologie
• Eerste serieuze poging evolutionair denken (1975 Sociobiologie: the new synthesis)
• Als gedrag het voorplantingssucces op een voorspelbare wijze beïnvloed (en dat doet het) en als
bepaald gedrag door genen wordt beïnvloed, natuurlijke selectie tot op zekere hoogte het menselijk
gedrag zou hebben gevormd.

De ‘Santa-Barbara’ school
• Grondleggers: Leda Cosmides en John Tooby
• The adapted mind (1992)
• Gebruiken cognitief verklaringsniveau voor evolutionaire psychologie i.t.t. sociobiologie
• Proberen gedrag te verklaren in termen van de onderliggende berekeningen die in de geest
plaatsvinden.
• Sociobiologie stond aan de periferie, evolutionaire psychologie middelpunt van de psychologie

5 principes die evolutionaire psychologie definiëren (Cosmides en Tooby)
1. Hersenen zijn een fysiek systeem. Functioneert als computer (standaard aanname van cognitieve
psychologie – zie hoofdstuk 9)
2. Neurale circuit zijn ontworpen door natuurlijke selectie om de problemen om te lossen waarmee onze
voorouders te maken kregen (EEA)
3. Bewustzijn is slechts het topje van de ijsberg. Het meeste is voor ons verborgen. (Standaard aanname
meeste psychologische theorieën)
4. Verschillende neurale circuits zijn gespecialiseerd in het oplossen van verschillende adaptieve
problemen (domeinspecificiteits- of modulariteits argument – zie hoofdstuk 5)
5. Onze moderne schedels huisvesten een geest uit het stenen tijdperk (EEA)

,EEA = Environment of Evolutionairy Adaptedness
• Specifieke omgeving waaraan een organisme is aangepast
• Culturele evolutie gaat sneller dan biologische
• Veelal wordt enkel principe 2 onderschreven
• Term EEA werd bedacht door John Bowlby (gehechtheid)

Methoden voor het evalueren van evolutietheorieën

Gedragsgenetica
• Proberen de effecten van genen en de omgeving van elkaar te scheiden door het uitvoeren van
tweeling- en adoptiestudies
• Aanname: verschillen tussen tweelingen moeten te wijten zijn aan omgeving omdat ze genetisch
identiek zijn
• Eigenschap kan genetisch worden beïnvloed; verteld echter niet of de eigenschap een aanpassing is

Een vergelijkende methode
• Zoeken naar analogen bij primaten en andere soorten
• Eigenschappen waarnemen en testen of deze er gemiddeld genomen toe leiden dat het individu meer
overlevende nakomelingen voortbrengt

Cross-cultureel onderzoek
• Veel onderzoek gebaseerd op westerse mensen
• Onderzoek naar jager- en verzamelaar samenlevingen

Computationele modellering
• Onderzoekers creëren abstracte wereld waarin computergebaseerde ‘agents’ met bepaalde
‘eigenschappen’ met elkaar strijden om dominantie
o Haviken > vechtstrategie
o Duiven > deelstrategie
o Afhankelijk van hoeveelheid haviken/duiven. Duiven succesvoller bij veel haviken. Haviken
succesvoller bij veel duiven
• Eindstand is gemengde bevolking: verhouding hangt af van kosten en baten van vechten en winnen
(Evolutionarily Stable Strategy – John Maynard Smith)

Paleontologisch bewijs
• Antieke voorwerpen, schedels, grotschilderingen
• Voorkeuren voor landschappen (water, vegetatie en dieren om op te jagen) - Dutton

Overeenstemming en onenigheid in de evolutionaire psychologie

Alles is een aanpassing
• Aanpassing is een proces waarbij een eigenschap verandert door het proces van natuurlijke selectie,
zodat deze effectiever functioneert in de huidige omgeving
• Zorgt het ervoor dat het organisme meer kopieën van zijn genen achterlaat
• Weerlegging: evolutionaire psychologen denk niet dat álles een aanpassing is. Vaak geen consensus
daarover

Evolutionaire psychologie bevordert genetisch determinisme
• Kritiek op evolutionaire psychologie: genetisch determinisme > alles zou gespecificeerd worden in onze
genen
• Evolutionaire psychologen benadrukken juist belang van omgeving en cultuur
• Denken in termen van predisposities i.p.v. oorzaken

Evolutionaire psychologie negeert de omgeving en de cultuur
• Niet waar
• Co-evolutie en gencultuur > mensen geven culturele informatie over

, • Theorie van dubbele overerving (dual-inheritance) > er werd gekozen voor het vermogen om cultuur te
verwerven omdat men beter in staat was zich aan te passen aan de omgeving

De evolutionaire psychologie is reductionistisch
• Reductionisme > verklaring van een bepaalde eigenschap of gedrag in termen van eenvoudigere
fundamentelere mechanismen en de toepassing ervan heeft mensen ertoe gebracht te ontdekken dat
materie uit atomen bestaat of dat complex leven door natuurlijke selectie werd voortgebracht.
• Goed (hiërarchisch) reductionisme zoekt naar verklaringen op lagere niveaus maar negeert bijdrage
hogere niveaus niet (Deze utopische visie wordt ‘Consilience’ genoemd door E.O. Wilson)
• ‘Hebzuchtig’ reductionisme mijdt hogere niveaus en probeert alles op laagste niveau uit te leggen

Evolutionaire psychologie is politiek incorrect
• Meeste kritiek richt zich op partnerkeuze literatuur
• Naturalistische misvatting > het geloof dat wat in de natuur gevonden wordt goed is
• Moralistische misvatting > het geloof dat het goede in de natuur gevonden moet worden

Evolutionaire psychologie: de nieuwe wetenschap van de geest
• Auteurs geloven dat evolutionaire psychologie de overhand zal krijgen

BRIGHTSPACE

Opdracht 1.2.1 - Evolutieleer in vogelvlucht

Vraag 1.2.1.1. Samenvatting evolutietheorie Charles Darwin
De evolutietheorie van Charles Darwin legt mechanismen uit die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van
soorten. De kern van zijn theorie is het principe van natuurlijke selectie waarmee hij verklaarde hoe alle
levensvormen, door selectiedruk uit de natuur, voortdurend veranderen.
➢ Variatie: binnen een populatie van organismen bestaat natuurlijke variatie. Individuen verschillen in
kenmerken.
➢ Overproductie: organismen hebben de neiging om meer nakomelingen voort te brengen dan nodig is om
de populatie op peil te houden. Er is een hoge mate van reproductie, waardoor er competitie ontstaat om
middelen zoals voedsel, water en ruimte.
➢ Strijd om het bestaan: vanwege de beperkte middelen en de overproductie ontstaat er een strijd om te
overleven. Niet alle individuen kunnen overleven en voortplanten.
➢ Selectie: Individuen met bepaalde kenmerken hebben een grotere kans om te overleven en zich voort te
planten dan anderen (natuurlijke selectie). Gunstige eigenschappen geven een individu een voordeel in
zijn omgeving, waardoor het meer nakomelingen achterlaat.
➢ Overerving: organismen geven hun erfelijke eigenschappen (deels) door aan hun nakomelingen. De
erfelijke eigenschappen die hebben bijgedragen aan dit reproductieve succes kunnen zo dus ook de
fitness verhogen van de volgende generatie (en verspreiden zich zo in de populatie).

Door middel van deze selectieve processen over meerdere generaties heen, zullen de gunstige eigenschappen
zich ophopen in de populatie. Dit leidt tot veranderingen in de populatie in de loop van de tijd, resulterend in
evolutie.

Vraag 1.2.1.2. – Mendel en Wilson
Mendel onderzocht overerving van eigenschappen middels erwten (genetica – inzicht in biologisch mechanisme).
Darwin veronderstelde dit mechanisme maar had geen weet van precieze werking. Samenvoeging van beide
theorieën: de moderne synthese.

Wilson legt link tussen evolutietheorie en sociaal gedrag (controversiële sociobiologie). Al ons gedrag is gevolg
van activiteit in ons geëvolueerde brein. Brug tussen evolutiebiologie en sociale wetenschap: de nieuwe
synthese.

Vraag 1.2.1.3 – Galton, James en Freud (waarom evolutionair?)
Galton
➢ Karakter en intelligentie zijn aangeboren kenmerken welke voordelig waren voor onze voorouders
➢ Stond aan basis van eugenetica: mens kon verbeterd worden door selectieve voortplanting

,James
➢ Instinctentheorie gebouwd op Darwins uitgangspunten
➢ Instincten zoals angst, liefde en nieuwsgierigheid drijvende kracht achter menselijk gedrag

Freud
➢ Minder eenduidig evolutionair, maar toch geïnspireerd
➢ Geïnteresseerd in ultieme vragen
➢ Mens wordt primair gedreven door aangeboren onderbuik verlangens van het ID. (kracht van seksuele
drift)

Vraag 1.2.1.4 – Redenen verdwijning evolutionair denken
Sinds het begin van de twintigste eeuw is het evolutionair denken grotendeels uit de psychologie verdwenen.
Maatschappelijke reden: weerstand tegen eugenetica (met name Tweede wereldoorlog)
Wetenschappelijke reden: nadruk op leerprocessen en cultuur als oorzakelijke kracht. Aandacht voor biologie
verdween, dus ook voor evolutieleer als grondslag voor psychologie.

Tooby en Cosmides
De uitbanning van de evolutionaire psychologie werd in de jaren '80 van de vorige eeuw voor een belangrijk deel
doorbroken met de opkomst van een specifieke stroming binnen de evolutionaire psychologie: de Santa Barbara
School van Tooby en Cosmides (zie ook Workman & Reader, 2021 pp. 17-18). Zij karakteriseerden de
psychologie als een wetenschap die zich liet leiden door wat zij aanduiden als het Standard Social Science Model
(SSSM) en zetten daartegenover een nieuw onderzoeksprogramma op dat de nadruk legde op evolutionaire
factoren.

Vraag 1.2.1.5 – Uitleg SSSM
➢ SSSM (Standard Social Science Model) is model wat ten grondslag ligt aan sociale wetenschappen.
➢ Mens is als onbeschreven blad geboren.
➢ Blad wordt ingevuld door cultuur in omgeving mens
➢ O.b.v. leerprocessen zoals conditionering, socialisering, indoctrinatie.
➢ Veronderstelling dat brein van de mens een generale leermachine is dia alles even gemakkelijk kan
aanleren.

Vraag 1.2.1.6 – Modulaire brein
Tooby en Cosmides stellen dat het idee van een generale leermachine niet houdbaar is, wanneer we ervan
uitgaan dat het menselijk brein een product is van de evolutie. De evolutie produceert geen algemene
mechanismen, maar juist specifieke oplossingen voor specifieke problemen. Daarom is het volgens hen
aannemelijker om het brein te beschouwen als een grote verzameling modulen.

Elk van die modulen is geëvolueerd om een specifiek probleem op te lossen. Daarom spreken zij over het
modulaire brein. Dat modulaire brein is dus ook niet zomaar in staat om alles te leren. Informatie waarvoor zulke
modulen gevoelig zijn, wordt snel opgepikt, maar met abstracte logica, die in onze voorouderlijke omgeving nooit
relevant is geweest, hebben we veel meer moeite.

Vraag 1.2.1.7 – Tinbergen in relatie tot Tooby en Cosmides (kritiekpunten)
Tooby en Cosmides hechten duidelijk veel waarde aan ultimate verklaringen (functie en fylogenese). Het gaat
hen om de adaptieve waarde van cognitieve functies en de fylogenetische context waarin deze cognitieve
functies zijn ontstaan.

Het SSSM daarentegen focust vooral op proximate verklaringen (mechanisme en ontwikkeling). Betreft het
nature//nurture debat.

Kritiekpunt: eenzijdige belichting van ultieme factoren.
Verschillende auteurs verweten Tooby en Cosmides dat zij een phylogenetic fallacy pleegden: verdediging van
scherpe dichotomie tussen nature en nurture en evolutionaire factoren zouden fundamenteler en belangrijker zijn
dan proximate factoren als verklaringen voor gedrag. Het belang van proximate factoren als verklaring voor
gedrag werd zodoende tenietgedaan.

,Opdracht 1.2.2 - Eugenetica

Vraag 1.2.2.1 - Eugenetica
Met ‘eugenetica’ wordt bedoeld de opvatting dat bij mensen, net als bij gedomesticeerde dieren,
eigenschappen verbeterd zouden moeten worden met behulp van selectieve voortplanting. Er zijn twee
varianten van dit idee.

Positieve eugenetica; waarin mensen met positief geachte eigenschappen gestimuleerd worden om zich zo
veel mogelijk voort te planten. Hierbij kun je denken aan extra kinderbijslag voor partners die beide
bovenmatig intelligent zijn, om hen zodoende te stimuleren zo veel mogeli jk nageslacht te creëren.

Negatieve eugenetica; waarbij mensen met negatief geachte eigenschappen worden ontmoedigd of zelfs
verhindert zich voort te planten. Hierbij kun je denken aan verplichte sterilisatie van mensen die veel
agressief gedrag vertonen.

Vraag 1.2.2.3 - NTR Wetenschap over preïmplantatie genetische diagnostiek
Het onderwerp waar het in deze uitzending om draait is embryoselectie. Bij deze methode worden ongeboren
embryo’s gescreend op erfelijke aandoeningen, zodat vroegtijdig besloten kan worden tot beëindiging van het
leven wanneer deze aandoeningen geconstateerd worden. In essentie is dit eugenetica. Om precies te zijn
negatieve eugenetica waarbij overerving van negatieve kenmerken wordt tegengegaan. Dat gebeurt in dit
geval natuurlijk wel vrijwillig en in goed overleg tussen arts, patiënt en overheid.

Opdracht 1.2.3 - Kritiek en repliek

Adaptionisme: Stroming in evolutiebiologie die een (overdreven) nadruk legt op aanpassingen onder
invloed van natuurlijke selectie, als het overheersende principe voor evolutionaire
verandering.

Evolutionair-psychologische theorieën gaan in de basis ervan uit dat specifieke kenmerken van een
organisme, fysiek of gedragsmatig, adaptaties ofwel aanpassingen zijn aan de omgeving van diens
voorouders. Betekent dit dat al onze gedragingen evolutionaire adaptaties zijn? Volgens de biologen Stephen
Jay Gould en Richard C. Lewontin is dit zeker niet het geval.

Vraag 1.2.3.1 – Video Spandrals van San Marco van Gould en Lewontin
Zij leveren hierin kritiek op de theorieën van evolutionair psychologen door zulke theorieën ‘just -so stories’ te
noemen.

Gould en Lewontin zijn van mening dat evolutionaire psychologen te veel geneigd zijn om elke menselijke
gedraging kritiekloos te verklaren als een evolutionaire adaptatie. Voor veel van die verklaringen is te weinig
bewijs, met name omdat uit de voorouderlijke periode waarin deze adaptaties zijn ontstaan nauwelijks
fossiele resten bewaard zijn gebleven, laat staan restanten die meer inzicht kunnen geven in het gedrag van
onze voorouders. Door dit gebrek aan hard bewijs worden al die speculaties over de adaptieve achtergrond
van ons gedrag niets anders dan ‘just-so-stories’: leuke, maar onbewijsbare verhalen.

Vraag 1.2.3.2 – Spandrels (betrof tentamenvraag)
Gould en Lewontin betogen dat veel biologen (en evolutionair psychologen) de neiging hebben om alles aan
het organisme te zien als een adaptatie geproduceerd door natuurlijke selectie. Dit wordt het adaptionisme
genoemd. Volgens dit paradigma is elk aspect van een organisme precies zoals het is omdat het een
specifiek adaptief voordeel biedt. Welke alternatieve visie bieden Gould en Lewontin en geef hierbij aan
welke rol de de zogeheten 'spandrals' hierin spelen?

Spandrels: De term spandrel komt oorspronkelijk uit de architectuur, waar het verwijst naar de driehoekige
ruimte tussen twee bogen en de bovenliggende kroonlijst. In de architectuur worden spandrels niet expliciet
ontworpen, maar zijn ze eerder een bijproduct van de vorm van de boog. Dit concept werd overgenomen door
Gould en Lewontin om hun punt in de evolutiebiologie te illustreren.

In de context van hun artikel verwijst een spandrel naar een eigenschap die is geëvolueerd als een bijproduct
van de evolutie van andere kenmerken, in plaats van als een direct product van adaptieve natuurlijke selectie.

, Sommige eigenschappen kunnen bestaan omdat ze verbonden zijn met andere eigenschappen die worden
geselecteerd. Vb. mannelijke tepels bij zoogdieren. Die ontwikkelen zich in het embryonale stadium voordat
het geslacht is bepaald.

Vraag 1.2.3.3 – Artikel Schmitt en Pilcher
Volgens Schmitt en Pilcher is het wel degelijk mogelijk om een goede evidentie te vinden voor geëvolueerde
adaptaties. Om aan te tonen dat een eigenschap een adaptatie is, moeten we duidelijk maken dat die eigenschap
een natuurlijk geselecteerd, functioneel ontwerp heeft. Daarvoor moeten we twee dingen aantonen.
➢ Om natuurlijk geselecteerd te zijn, moet de eigenschap ‘fitness’-verhogend zijn. Dat willen zeggen: hij
moet ons helpen te overleven en ons voort te planten.
➢ Om over een functioneel ontwerp te spreken, moet de eigenschap een efficiënt en complex ontwerp
kennen en gespecialiseerd zijn om een specifiek doel te bereiken. Bovendien moet de eigenschap dan
universeel voorkomen. Alleen onder die condities kunnen we spreken van een adaptatie.

Vraag 1.2.3.4 – 8 categorieën van Schmitt en Pilcher voor relevante onderzoeksgegevens adaptatie


Theoretische Vanuit evolutionaire theorieën wordt beredeneerd of een eigenschap van de
evidentie mens een adaptatie zou kunnen zijn. Met name wanneer daarbij vanuit
verschillende theorieën dezelfde conclusie kan worden getrokken (theoretische
convergentie) is dat een sterk bewijs.

Psychologische Hieruit kan met name blijken of een eigenschap inderdaad op efficiënte wijze
evidentie een specifiek doel dient.

Fysiologische Ook hieruit kan blijken of de veronderstelde adaptatie een efficiënt en specifiek
evidentie 'ontwerp' kent. Daarbij wordt dan met name gezocht naar een lichamelijk
mechanisme dat ten grondslag ligt aan de psychologische evidentie.

Medische evidentie Hieruit kan met name blijken of de veronderstelde eigenschap, onder gezonde
omstandigheden, fitness verhogend is, dat wil zeggen: een duidelijke functie
heeft bij het overleven en voortplanten.

Genetische Hiermee kunnen we aantonen dat de eigenschap inderdaad genetisch bepaald
evidentie is, en hoe groot die invloed van onze genen is.

Fylogenetische Dit kan aantonen dat onze voorouders de eigenschap ook bezaten
evidentie (bijvoorbeeld door onderzoek naar fossiele resten) en dat deze hun een
evolutionair voordeel opleverde (bijvoorbeeld door te laten zien dat dit ook
geldt voor onze naaste verwanten in het dierenrijk).

Jagers- Dit biedt ons de mogelijkheid om de mens in zijn natuurlijke staat te
verzamelaars onderzoeken. Wanneer daarin blijkt dat een eigenschap een duidelijk fitness
evidentie verhogend effect heeft, dan is dat sterke evidentie.

Crossculturele Dit laat ons zien of een eigenschap inderdaad universeel voorkomt in diverse
evidentie culturen.

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
17 maart 2025
Aantal pagina's
145
Geschreven in
2024/2025
Type
SAMENVATTING
€10,46
Krijg toegang tot het volledige document:
Gekocht door 61 studenten

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle 3 reviews worden weergegeven
3 maanden geleden

1 jaar geleden

1 jaar geleden

5,0

3 beoordelingen

5
3
4
0
3
0
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
yvonneMrtns Open Universiteit
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
312
Lid sinds
6 jaar
Aantal volgers
201
Documenten
3
Laatst verkocht
1 week geleden

4,3

15 beoordelingen

5
9
4
3
3
2
2
0
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen