Taalbeschouwing 3a: Woord tot zin samenvatting
1) Het heeft een klankvorm. Het bevat op z’n minst een klinker.
Maar: sst, psst?
2)
2) Het is het kleinste taalelement dat zelfstandig kan voorkomen in
een zin.
3) Maar: clitica? Die ‘leunen’ op een ander woord. Ze worden wel
beschouwd als woorden, maar zijn minder zelfstandig dan gewone
woorden.
NLs vb: Hij zei dat ie nog zou komen. Kan niet zonder ww of
voegwoord ervoor.
enclisis: ie gaat op in het woord ervoor.
NLs vb: Kheb gister nog even gezwommen. (proclises: ik gaat op in
het woord erna)
Frans vb: Je l’a donné. (proclises: le gaat op in het woord erna
Relatie tussen woordvorm en betekenis
De vorm van een woord is doorgaans arbitrair en conventioneel.
Uitzonderingen
De woordvorm is wel conventioneel, maar niet volledig willekeurig in het
geval van:
- Onomatopeeën (klanknabootsende woorden)
miauwen, tsjilpen, koekoek, kukeluku
Inhoudswoorden: specifieke, zelfstandige betekenis, open klasse
ontleenbaar aan andere talen
niet weglaatbaar in telegramstijl
(znw, ww, bn, bw, tw)
Functiewoorden: grammaticale functie / abstracte betekenis /
betekenisverfijning
gesloten klasse
Lastig te ontlenen
weglaatbaar in telegramstijl
(lw, vz, vnw, vw, hulpww, koppelww)
, Ik heb zonnepanelen op mijn dak.
Ik heb zonnepanelen aangeschaft.
• Woordenschat (lexicon)
o Van een taal -> verzameling van alle woorden van een taal
o Van een spreker : je mentale lexicon
Definitie van het mentale lexicon in de Generatieve Taalkunde = woorden
met hun betekenis, uitspraak, en de lexicale categorie waartoe ze behoren
en uitzonderingen op de regels (bijv. verleden tijd van sterke
werkwoorden; dat het mv van ‘ei’ eieren is; idiomatische uitdrukkingen).
Daarnaast is er de syntaxis = abstracte grammaticale regels
Het mentale lexicon bevat volgens deze theorie het lemma ‘werken’ +
betekenis,
maar niet de vormen ‘werkt’ en ‘werkte’. Die vormen kun je namelijk
genereren o.b.v.
algemene regels.
Lemma = ‘woordenboekingang’
heb, heeft, had, gehad zijn lexemen die allemaal onder het lemma
‘hebben’ vallen
boek, boeken, boekje, boekjes zijn lexemen die allemaal onder het lemma
‘boek’
vallen
Polysemie = Eén woord heeft meerdere, verwante betekenissen. Die zijn
opgesomd onder één lemma (bijvoorbeeld milieu)
Homonymie = Twee woorden die toevallig hetzelfde geschreven worden en
die niet-verwante betekenissen hebben. Die hebben in het woordenboek
aparte lemma’s (bijvoorbeeld haas)
1) Het heeft een klankvorm. Het bevat op z’n minst een klinker.
Maar: sst, psst?
2)
2) Het is het kleinste taalelement dat zelfstandig kan voorkomen in
een zin.
3) Maar: clitica? Die ‘leunen’ op een ander woord. Ze worden wel
beschouwd als woorden, maar zijn minder zelfstandig dan gewone
woorden.
NLs vb: Hij zei dat ie nog zou komen. Kan niet zonder ww of
voegwoord ervoor.
enclisis: ie gaat op in het woord ervoor.
NLs vb: Kheb gister nog even gezwommen. (proclises: ik gaat op in
het woord erna)
Frans vb: Je l’a donné. (proclises: le gaat op in het woord erna
Relatie tussen woordvorm en betekenis
De vorm van een woord is doorgaans arbitrair en conventioneel.
Uitzonderingen
De woordvorm is wel conventioneel, maar niet volledig willekeurig in het
geval van:
- Onomatopeeën (klanknabootsende woorden)
miauwen, tsjilpen, koekoek, kukeluku
Inhoudswoorden: specifieke, zelfstandige betekenis, open klasse
ontleenbaar aan andere talen
niet weglaatbaar in telegramstijl
(znw, ww, bn, bw, tw)
Functiewoorden: grammaticale functie / abstracte betekenis /
betekenisverfijning
gesloten klasse
Lastig te ontlenen
weglaatbaar in telegramstijl
(lw, vz, vnw, vw, hulpww, koppelww)
, Ik heb zonnepanelen op mijn dak.
Ik heb zonnepanelen aangeschaft.
• Woordenschat (lexicon)
o Van een taal -> verzameling van alle woorden van een taal
o Van een spreker : je mentale lexicon
Definitie van het mentale lexicon in de Generatieve Taalkunde = woorden
met hun betekenis, uitspraak, en de lexicale categorie waartoe ze behoren
en uitzonderingen op de regels (bijv. verleden tijd van sterke
werkwoorden; dat het mv van ‘ei’ eieren is; idiomatische uitdrukkingen).
Daarnaast is er de syntaxis = abstracte grammaticale regels
Het mentale lexicon bevat volgens deze theorie het lemma ‘werken’ +
betekenis,
maar niet de vormen ‘werkt’ en ‘werkte’. Die vormen kun je namelijk
genereren o.b.v.
algemene regels.
Lemma = ‘woordenboekingang’
heb, heeft, had, gehad zijn lexemen die allemaal onder het lemma
‘hebben’ vallen
boek, boeken, boekje, boekjes zijn lexemen die allemaal onder het lemma
‘boek’
vallen
Polysemie = Eén woord heeft meerdere, verwante betekenissen. Die zijn
opgesomd onder één lemma (bijvoorbeeld milieu)
Homonymie = Twee woorden die toevallig hetzelfde geschreven worden en
die niet-verwante betekenissen hebben. Die hebben in het woordenboek
aparte lemma’s (bijvoorbeeld haas)