Ontwikkelingsleer Begrippenlijst 2024
Inhoudsopgave
Ontwikkelingsleer Begrippenlijst 2024............................................................1
Hoorcollege 1: Inleiding en methoden.............................................................2
Hoorcollege 2: Discussies en theorieën...........................................................4
Hoorcollege 3: Groei en gezondheid................................................................9
Hoorcollege 4: cognitieve ontwikkeling 1.......................................................12
Hoorcollege 5: cognitieve ontwikkeling 2.......................................................14
Hoorcollege 6: taal, educatie en werk............................................................16
Hoorcollege 7: emotionele ontwikkeling........................................................19
Hoorcollege 8: sociale cognitie en morele ontwikkeling..................................20
Hoorcollege 9: sociale ontwikkeling 1............................................................24
Hoorcollege 10: sociale ontwikkeling 2..........................................................27
Hoorcollege 11: ontwikkeling het zelf en persoonlijkheid...............................28
1
,Hoorcollege 1: Inleiding en methoden
Ontwikkelingspsychologie: de verandering binnen personen gedurende de levensloop, en de
verschillen en overeenkomsten tussen personen met betrekking tot de aard van
veranderingen
Gerontologie: het bestuderen van het ouder worden.
Lichamelijke ontwikkeling: de groei van het lichaam en zijn organen, de hersenen
veranderen in de motoriek enz.
Cognitieve ontwikkeling: veranderingen en continuïteit in perceptie, taal, leren, geheugen,
probleemoplossing en andere mentale processen
Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in persoonlijke en interpersoonlijke aspecten van
de ontwikkeling, zoals motieven, emoties, persoonlijkheidskenmerken, interpersoonlijke
vaardigheden en relaties, en rollen in het gezin en in de samenleving.
Intra-persoonlijke veranderingen: veranderingen binnen een persoon
Inter-persoonlijke veranderingen: veranderingen tussen personen
Normatieve overgangen: overgangen die bijna iedereen meemaakt (bijv. overgang naar
middelbare school)
Niet-normatieve overgangen: worden iet door iedereen ervaren en kunnen daarom een
andere impact hebben dan normatieve overgangen (bijv. echtscheiding)
Prenatale periode: van conceptie tot geboorte
Zuigelingenperiode: 0-2 jaar, de babytijd
Preschool periode: 2-5 jaar, peuter- kleutertijd
Middelschool: 6-10 jaar, lagere school leeftijd
Adolescentie: 10-18 jaar, pubertijd
Jongvolwassenheid: 18-25 jaar, overgang adolescentie en volwassenheid
Vroege volwassenheid: 25-40 jaar, volwassen rollen vastgesteld
Middel volwassenheid: 40-65 jaar, middelbare leeftijd
Late volwassenheid: 65 jaar en ouder
instapritueel: een ritueel waarmee iemand toegang krijgt tot de status van een andere
leeftijdsklasse.
Leeftijdsnormen: een manier waarop de samenleving aangeeft hoe iemand zich moet
gedragen
Sociale klok: het gevoel of je voor- of achter loopt, zoals bepaald door leeftijdsnormen. Als
een normale levensgebeurtenis (bijv. kinderen krijgen) op het verkeerde moment gebeurt,
kan dit een negatieve invloed hebben.
Sequentieel: verschillende stadia/niveaus/fases
Unidirectioneel: eerdere veranderingen zijn een voorwaarde voor latere
Multidirectioneel: ontwikkeling kan per persoon verschillende kanten op gaan
Eindstaat: hogere waarde dan de oorspronkelijke staat
Kwalitatief: structurele transformaties
Universeel: hetzelfde voor iedereen
Biologische groei: onafhankelijk van cultuur
Onomkeerbaar in vooruitgang
Variabiliteit: kortdurende verandering die onomkeerbaar is
Verandering: min of meer blijvend
2
, Wetenschappelijke methode: de overtuiging dat onderzoekers moeten werken met
systematische observaties om hun gedachten te ondersteunen. Het toetsen van je theorie
door middel van waarnemingen.
Case study: een diepgaande studie van een individu of een klein aantal mensen. Hierdoor
krijg je veel informatie over de ontwikkeling van een persoon.
Quasi experiment: wanneer willekeurige toewijzing niet nodig is, wordt er vergeleken met
een controlegroep.
Cohorten: groep mensen die op het zelfde moment geboren zijn
Cross-sectioneel onderzoek: verschillende leeftijdsgroepen worden op hetzelfde moment
vergeleken met betrekking tot kenmerken waarin de onderzoeker geïnteresseerd is. Dit laat
zien wat de verschillen zijn tussen cohorten
Cohorteffect: het verschil in voor de ontwikkeling relevante variabelen, die voortkomen uit
(niet-leeftijdsgebonden) factoren waaraan elk geboortecohort is blootgesteld.
Longitudinaal onderzoek: een groep wordt op een bepaalde leeftijd geselecteerd en
gedurende langere tijd gevolgd. Zo kan worden onderzocht of mensen zich hetzelfde
ontwikkelen.
Sequentiële opzet: combineert transversale en longitudinale opzet. Een cohort mensen
wordt bijvoorbeeld elke zeven jaar getest en bij elk meetmoment wordt er een nieuw cohort
bijgevoegd.
Habituatie: respons op herhaald aanbieden van dezelfde stimulus wordt langzamer,
verandert of stopt
Dishabituatie: verhoogde respons op nieuwe stimulus of op een gehabitueerde stimulus na
introductie van een wijziging.
3
Inhoudsopgave
Ontwikkelingsleer Begrippenlijst 2024............................................................1
Hoorcollege 1: Inleiding en methoden.............................................................2
Hoorcollege 2: Discussies en theorieën...........................................................4
Hoorcollege 3: Groei en gezondheid................................................................9
Hoorcollege 4: cognitieve ontwikkeling 1.......................................................12
Hoorcollege 5: cognitieve ontwikkeling 2.......................................................14
Hoorcollege 6: taal, educatie en werk............................................................16
Hoorcollege 7: emotionele ontwikkeling........................................................19
Hoorcollege 8: sociale cognitie en morele ontwikkeling..................................20
Hoorcollege 9: sociale ontwikkeling 1............................................................24
Hoorcollege 10: sociale ontwikkeling 2..........................................................27
Hoorcollege 11: ontwikkeling het zelf en persoonlijkheid...............................28
1
,Hoorcollege 1: Inleiding en methoden
Ontwikkelingspsychologie: de verandering binnen personen gedurende de levensloop, en de
verschillen en overeenkomsten tussen personen met betrekking tot de aard van
veranderingen
Gerontologie: het bestuderen van het ouder worden.
Lichamelijke ontwikkeling: de groei van het lichaam en zijn organen, de hersenen
veranderen in de motoriek enz.
Cognitieve ontwikkeling: veranderingen en continuïteit in perceptie, taal, leren, geheugen,
probleemoplossing en andere mentale processen
Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in persoonlijke en interpersoonlijke aspecten van
de ontwikkeling, zoals motieven, emoties, persoonlijkheidskenmerken, interpersoonlijke
vaardigheden en relaties, en rollen in het gezin en in de samenleving.
Intra-persoonlijke veranderingen: veranderingen binnen een persoon
Inter-persoonlijke veranderingen: veranderingen tussen personen
Normatieve overgangen: overgangen die bijna iedereen meemaakt (bijv. overgang naar
middelbare school)
Niet-normatieve overgangen: worden iet door iedereen ervaren en kunnen daarom een
andere impact hebben dan normatieve overgangen (bijv. echtscheiding)
Prenatale periode: van conceptie tot geboorte
Zuigelingenperiode: 0-2 jaar, de babytijd
Preschool periode: 2-5 jaar, peuter- kleutertijd
Middelschool: 6-10 jaar, lagere school leeftijd
Adolescentie: 10-18 jaar, pubertijd
Jongvolwassenheid: 18-25 jaar, overgang adolescentie en volwassenheid
Vroege volwassenheid: 25-40 jaar, volwassen rollen vastgesteld
Middel volwassenheid: 40-65 jaar, middelbare leeftijd
Late volwassenheid: 65 jaar en ouder
instapritueel: een ritueel waarmee iemand toegang krijgt tot de status van een andere
leeftijdsklasse.
Leeftijdsnormen: een manier waarop de samenleving aangeeft hoe iemand zich moet
gedragen
Sociale klok: het gevoel of je voor- of achter loopt, zoals bepaald door leeftijdsnormen. Als
een normale levensgebeurtenis (bijv. kinderen krijgen) op het verkeerde moment gebeurt,
kan dit een negatieve invloed hebben.
Sequentieel: verschillende stadia/niveaus/fases
Unidirectioneel: eerdere veranderingen zijn een voorwaarde voor latere
Multidirectioneel: ontwikkeling kan per persoon verschillende kanten op gaan
Eindstaat: hogere waarde dan de oorspronkelijke staat
Kwalitatief: structurele transformaties
Universeel: hetzelfde voor iedereen
Biologische groei: onafhankelijk van cultuur
Onomkeerbaar in vooruitgang
Variabiliteit: kortdurende verandering die onomkeerbaar is
Verandering: min of meer blijvend
2
, Wetenschappelijke methode: de overtuiging dat onderzoekers moeten werken met
systematische observaties om hun gedachten te ondersteunen. Het toetsen van je theorie
door middel van waarnemingen.
Case study: een diepgaande studie van een individu of een klein aantal mensen. Hierdoor
krijg je veel informatie over de ontwikkeling van een persoon.
Quasi experiment: wanneer willekeurige toewijzing niet nodig is, wordt er vergeleken met
een controlegroep.
Cohorten: groep mensen die op het zelfde moment geboren zijn
Cross-sectioneel onderzoek: verschillende leeftijdsgroepen worden op hetzelfde moment
vergeleken met betrekking tot kenmerken waarin de onderzoeker geïnteresseerd is. Dit laat
zien wat de verschillen zijn tussen cohorten
Cohorteffect: het verschil in voor de ontwikkeling relevante variabelen, die voortkomen uit
(niet-leeftijdsgebonden) factoren waaraan elk geboortecohort is blootgesteld.
Longitudinaal onderzoek: een groep wordt op een bepaalde leeftijd geselecteerd en
gedurende langere tijd gevolgd. Zo kan worden onderzocht of mensen zich hetzelfde
ontwikkelen.
Sequentiële opzet: combineert transversale en longitudinale opzet. Een cohort mensen
wordt bijvoorbeeld elke zeven jaar getest en bij elk meetmoment wordt er een nieuw cohort
bijgevoegd.
Habituatie: respons op herhaald aanbieden van dezelfde stimulus wordt langzamer,
verandert of stopt
Dishabituatie: verhoogde respons op nieuwe stimulus of op een gehabitueerde stimulus na
introductie van een wijziging.
3