Hoofdstuk 4: Werk aan de winkel
§ 4.1 Sta je sterk in je werk?
In dit hoofdstuk leer je over de bescherming van werknemers, de economische
zelfstandigheid van vrouwen, belemmeringen die mensen kunnen ervaren in hun werk,
arbeidsmotieven en het belang van onbetaalde arbeid.
Er bestaat een verschil in machtspositie tussen werkgevers en werknemers. De
werkgever kan personeel aannemen en ontslaan, het loon betalen en bepaalt de functie
van de werknemer. De werknemer kan solliciteren, maar heeft geen zeggenschap over
promoties en is financieel afhankelijk van het loon. De werknemer is daarnaast
verantwoordelijk voor het zo goed mogelijk uitvoeren van de functie.
Werknemers worden beschermd door de overheid op verschillende manieren. Ze hebben
recht op een wettelijk minimumloon, doorbetaling van loon bij ziekte, een uitkering bij
werkloosheid (WW) of arbeidsongeschiktheid (WIA), en bescherming op het gebied van
arbeidsomstandigheden via de Arbowet en de Arbeidstijdenwet. Ook ontslag wordt
beschermd, aangezien een werkgever toestemming van het UWV of de rechter nodig
heeft om een werknemer te ontslaan. Daarnaast bieden vakbonden bescherming door
middel van cao-afspraken over lonen, vakantiedagen, de duur van de werkweek en
scholing.
Economisch zelfstandigheid is het recht om je eigen inkomen te verdienen dat minstens
gelijk is aan het sociaal minimum (70% van het minimumloon). Ongeveer 1 op de 3
vrouwen is niet economisch zelfstandig. Dit komt doordat vrouwen vaker in deeltijdbanen
werken, vaak in minder goed betalende sectoren, minder vaak topfuncties bekleden, en
onbewust achtergesteld kunnen worden.
De Algemene Wet Gelijke Behandeling verbiedt achterstelling op basis van religie,
leeftijd, afkomst, etniciteit, gender en geslacht. Werknemers hebben recht op gelijke
beloning voor gelijk werk en gelijke kansen bij solliciteren.
Werken kan om verschillende redenen: inkomen verdienen, talent ontwikkelen, jezelf
nuttig maken, sociale contacten opdoen en regelmaat in je tijdsindeling. Dit geldt niet
alleen voor betaald werk, maar ook voor onbetaald werk, zoals vrijwilligerswerk,
mantelzorg of werk in het huishouden.
Er zijn drie soorten werk:
Wit werk is betaald werk met een arbeidscontract en inhouding van loonbelasting
en sociale premies, geregistreerd in de formele sector.
Zwart werk is ongeregistreerd werk zonder contract en belastingpremies,
verboden in de informele sector.
Grijs werk betreft onbetaald werk zoals vrijwilligerswerk, mantelzorg en werk in
het huishouden, dat niet geregistreerd is in de informele sector.
§ 4.2 Waar kun je werken?
In deze presentatie leer je over het verschil tussen een vaste en een flexibele baan,
werken als zelfstandige versus in loondienst, en de kenmerken van verschillende
ondernemingsvormen zoals eenmanszaak, vof, bv, nv en stichting.
, Er zijn twee soorten banen:
Vaste banen zijn arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, bieden
ontslagbescherming en zorgen voor meer zekerheid.
Flexibele banen kunnen tijdelijke arbeidsovereenkomsten zijn, werk via een
uitzendbureau of oproepwerk, en bieden minder zekerheid. Zelfstandige
ondernemers (zzp’ers) hebben vaak weinig zekerheid door een gebrek aan
opdrachten of te veel concurrentie.
Een zelfstandig ondernemer heeft de vrijheid om zelf te bepalen wanneer, hoe en hoeveel
hij werkt, maar draagt ook risico’s. Bij te weinig opdrachten kan het inkomen dalen, en bij
te veel concurrentie kunnen de prijzen te laag zijn om winst te maken. Zzp’ers hebben
ook geen bescherming door werknemersverzekeringen (zoals WW en WIA). Soms is er
sprake van schijnzelfstandigheid, waarbij een zelfstandige eigenlijk volledig afhankelijk is
van één opdrachtgever, zoals bij pakketbezorgers of maaltijdbezorgers.
Er zijn verschillende ondernemingsvormen:
Eenmanszaak: Eén eigenaar die ook personeel kan aannemen.
Vennootschap onder firma (vof): Twee of meer eigenaren die samen
investeren en de winst verdelen. Beide moeten inkomstenbelasting betalen en zijn
met privévermogen aansprakelijk voor schulden van de zaak.
Besloten vennootschap (bv): Aandeelhouders lopen alleen risico met hun
aandeel. De bv betaalt vennootschapsbelasting over de winst en aandeelhouders
ontvangen rendement door dividend of stijging van de aandelenkoers.
Naamloze vennootschap (nv): Vergelijkbaar met een bv, maar aandelen
kunnen op de effectenbeurs worden verhandeld.
Stichting: Een organisatie zonder winstoogmerk, opgericht voor een bepaald
doel, zoals dierenwelzijn of ideële reclame. Eventuele winst gaat naar de stichting
zelf en wordt niet verdeeld.
§ 4.3 Kun je aan het werk?
In deze presentatie leer je over de verschillende productiesectoren, vraag en aanbod van
arbeid, hoe de arbeidsmarkt werkt en wie meetelt in de werkloosheidscijfers.
Er zijn vier productiesectoren:
Primaire sector: Landbouw, visserij, mijnbouw. Deze sector levert grondstoffen
uit de natuur.
Secundaire sector: Industrie, bouw, ambachten. Hier worden grondstoffen
verwerkt tot producten.
Tertiaire sector: Commerciële dienstverlening zoals handel, transport, banken,
verzekeraars en schoonmaakdiensten.
Quartaire sector: Niet-commerciële dienstverlening zoals onderwijs,
gezondheidszorg en overheidsdiensten.
Vraag en aanbod zijn de basis van de economie. Consumenten willen producten hebben
(vraag) en producenten willen producten verkopen (aanbod). De prijs wordt bepaald door
de vrager die betaalt en de aanbieder die ontvangt. Hetzelfde geldt voor de
arbeidsmarkt: bedrijven en overheden hebben arbeidskrachten nodig (vraag), terwijl de
beroepsbevolking arbeid aanbiedt. De prijs in dit geval is het loon.
Werkgelegenheid verwijst naar alle banen die er zijn, zowel in voltijd als deeltijd, en kan
worden gemeten in arbeidsjaren, oftewel het aantal gewerkte uren omgerekend naar