Periode 1 & 2
Periode 1
Week 7
Anatomie van de mens:
Hoofdstuk 2 Cellen (blz. 31 t/m 47)
H 2.1 Metabolisme
H 2.2 Bouw van de cel
H 2.3 Levenscyclus van de cel
Hoofdstuk 15 Voortplantingsstelsel
H 15.4.1 Meiose
Hoofdstuk 16 Voor de geboorte
H 16.1 Overerving van eigenschappen
Klinische Pathologie:
Hoofdstuk 3 Ziekteoorzaken
Week 9
Anatomie en fysiologie
Hoofdstuk 15 Voortplantingsstelsel
H15.5 Hormonale beïnvloeding
Hoofdstuk 16 Voor de geboorte
H. 16.2 Embryonale ontwikkeling
H. 16.3 Foetale ontwikkeling
H. 16.4 Aanleg, groei en ontwikkeling van orgaanstelsels
Hoofdstuk 17 Zwangerschap, bevalling, geboorte
H. 17.1 zwangerschap
H. 17.2 Aanpassingen in het orgaanstelsel
Klinische pathologie
Hoofdstuk 17 Genitaliën/voortplanting
17.3 zwangerschap en bevalling (samenvatting week 10)
17.4 zwangerschap hypertensie, pre-eclampsie en HELPP
Week 10
Hoofdstuk 16 Voor de geboorte
16.4 Aanleg, groei en ontwikkeling van orgaanstelsels.
Hoofdstuk 17
17.3 Bevalling
17.4 Geboorte
Klinische pathologie
17.3 Zwangerschap en bevalling
17.5 Fluxus post partum
Week 12
Anatomie en fysiologie
Hoofdstuk 10 De huid
,Klinische pathologie
Hoofdstuk 12 Huid, thermobalans, wonden
Periode 2
Week 17
Anatomie van de mens
Hoofdstuk 18 Na de geboorte
- H. 18.4 Sterven en dood
Klinische pathologie:
Hoofdstuk 15 Motoriek/beweging
- H. 15.3 Osteoporose
- H. 15.4 Reuma
Week 19
Anatomie en fysiologie
Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel
H 6.6.2 Hemopoëse
H 6.6.3 Hemostase
Klinische pathologie
Hoofdstuk 9 Bloed
H 9.3 Anemie/bloedarmoede
H 9.5 Diepe veneuze trombose
H 9.6 Verhoogde bloedingsneiging
Farmacologie
Hoofdstuk 4 Het cardiovasculaire systeem (1)
H 4.3.3 Anticoagulantia
H 4.3.4 Geneesmiddelen die worden gebruikt om stolling te voorkomen
Week 20
Anatomie en fysiologie
Hoofdstuk 12 Zenuwstelsel
H 12.5.3 Functies
Klinische pathologie
Hoofdstuk 10 Zenuwstelsel/neurologie
H. 10.8 Dementie
Hoofdstuk 11 Enkele psychiatrische aandoeningen
H. 11.1 Delier
Farmacologie
Hoofdstuk 11
H. 11.3.1 , 11.3.2, 11.3.3, 11.3.4, 11.4.3.
Week 21
Anatomie en fysiologie
H.6.1 Het hart
H.6.2 hartfunctie
H.6.5 Bloeddruk in het lichaam
,Klinische pathologie
H.8.1.1 Bloedsomloop/circulatie: klein en groot
H. 8.2 Circulatoire shock
H. 8.6 Hartfalen
H. 4.3 SIRS, Sepsis, Septische shock
Farmacologie
Hoofdstuk 4 Het cardiovasculaire systeem
H. 4.3.1 Geneesmiddelen voor de behandeling van angina pectoris
H. 4.3.2 Lipideverlagende middelen
H. 5.3 Antihypertensiva
Week 22
Klinische pathologie
Hoofdstuk 13 Spijsvertering/digestivus
H13.1 – H 13.5 Buikaandoeningen
Farmacologie
Hoofdstuk 7 Het spijsverteringsstelsel
H7.3 Middelen voor de behandeling van stoornissen van het spijsverteringsstelsel
Week 24
Voeding bij kanker
Week 25
Voedselovergevoeligheid
, MK Samenvatting week 7
Leerstof:
Anatomie van de mens:
Hoofdstuk 2 Cellen (blz. 31 t/m 47)
H 2.1 Metabolisme
H 2.2 Bouw van de cel
H 2.3 Levenscyclus van de cel
Hoofdstuk 15 Voortplantingsstelsel
H 15.4.1 Meiose
Hoofdstuk 16 Voor de geboorte
H 16.1 Overerving van eigenschappen
Klinische Pathologie:
Hoofdstuk 3 Ziekteoorzaken
Anatomie van de mens
2.1 Metabolisme
Metabolisme = stofwisseling
Hiermee worden alle biochemische reacties bedoeld die in de cellen kunnen plaatsvinden.
2 typen biochemische reacties:
Anabole reacties: kleine moleculen worden samengevoegd tot grotere. Deze reacties kosten energie.
(ook wel opbouw stofwisseling, assimilatie)
Katabole reacties: omzettingen waarbij grote moleculen worden afgebroken tot kleinere. Bij deze
reacties komt energie vrij. Deze energie kan gebruikt worden voor opbouwstofwisseling of energie
vragende processen. (afbraakstofwisseling, dissimilatie).
Verbranding veel voorkomende afbraakreactie.
- Een energierijke stof reageert met zuurstof. (ALTIJD ZUURSTOF VOOR NODIG).
- Omdat er altijd zuurstof bij nodig is aerobe dissimilatie.
- Verbranding wordt ook wel celademhaling genoemd.
- Doel van verbranding: vrijmaken van energie, daardoor kan cel activiteiten uitvoeren.
- Brandstof voor verbranding: glucose. Afvalstoffen na verbranding: koolstofdioxide (afvalgas,
uitademen) en water (hergebruikt in cellen).
Verbranding van glucose in formule:
Glucose + zuurstof energie + water + koolstofdioxide
Geen glucose beschikbaar? cellen gaan vetten verbranden. Deze verbranding is minder ‘schoon’.
Er ontstaan meer afvalstoffen.
Verbranding van vetten in formule:
Vetten + zuurstof energie + water + koolstofdioxide + afvalstoffen.
Anaerobe dissimilatie
- Als er geen zuurstof voorhanden is in de cel, maar er wel behoefte is aan energie. Cel gaat
energierijke stoffen afbreken zonder zuurstof
- Voordeel: cel kan energie vrijmaken. Nadeel: Energie opbrengst is veel lager en er zijn meer
afvalstoffen zoals melkzuur.