Terminologie
Het spierstelsel
abductor : spier die zorgt voor beweging van de romp af
achillespees : pees aan de hiel
adductor : spier die zorgt voor een beweging naar de romp toe
antagonist : spier met een tegengesteld effect
atrofie : afname van de spieromvang
diafragma : middenrif
diafragma pelvis : bekkenbodem
hamstrings : spieren aan de achterzijde van het bovenbeen
hypertrofie : toename van de spieromvang
hypotrofie : afname van de spieromvang
mimische spieren : spieren van het gelaat
musculus : spier
refractaire periode : periode na een spiercontractie,als een spier zich herstelt en nog niet te prikkelen is
synergist : spier die een andere spier ondersteunt
tendo : pees
tonus : spierspanning
Het geraamte
anteflexie : buigen naar voren
atlas : drager; eerste halswervel
axis : draaier; tweede halswervel
bursa synovialis : slijmbeurs
cervix : hals
clavicula : sleutelbeen
costa : rib
cranium : schedel
dens : tand; onderdeel van de draaier
digiti : vingers
discus intervertebrale : tussenwervelschijf
extensie : strekken
femur : dijbeen
fibula : kuitbeen
flexie : buigen
fontanel : opening tussen de schedelbotten
foramen magnum : achterhoofdsgat
kyfose : kromming van de wervelkolom naar voren
mandibula : onderkaak
maxilla : bovenkaak
meniscus : gewrichtsschijf van kraakbeen in de knie
os nasale : neusbeen
os pubis : schaambeen
os temporale : slaapbeen
patella : knieschijf
pelvis : bekken
pronatie : beweging waarbij de handpalm naar beneden draait
radius : spaakbeen
retroflexie : naar achteren buigen; strekken
scapula : schouderblad
scoliose : zijdelingse verkromming van de wervelkolom
sternum : borstbeen
supinatie : beweging waarbij de handpalm naar boven draait
synovia : gewrichtsvloeistof
thorax : borstkas
tibia : scheenbeen
ulna : ellepijp
vertebra : wervel
Het hormoonstelsel
Het spierstelsel
abductor : spier die zorgt voor beweging van de romp af
achillespees : pees aan de hiel
adductor : spier die zorgt voor een beweging naar de romp toe
antagonist : spier met een tegengesteld effect
atrofie : afname van de spieromvang
diafragma : middenrif
diafragma pelvis : bekkenbodem
hamstrings : spieren aan de achterzijde van het bovenbeen
hypertrofie : toename van de spieromvang
hypotrofie : afname van de spieromvang
mimische spieren : spieren van het gelaat
musculus : spier
refractaire periode : periode na een spiercontractie,als een spier zich herstelt en nog niet te prikkelen is
synergist : spier die een andere spier ondersteunt
tendo : pees
tonus : spierspanning
Het geraamte
anteflexie : buigen naar voren
atlas : drager; eerste halswervel
axis : draaier; tweede halswervel
bursa synovialis : slijmbeurs
cervix : hals
clavicula : sleutelbeen
costa : rib
cranium : schedel
dens : tand; onderdeel van de draaier
digiti : vingers
discus intervertebrale : tussenwervelschijf
extensie : strekken
femur : dijbeen
fibula : kuitbeen
flexie : buigen
fontanel : opening tussen de schedelbotten
foramen magnum : achterhoofdsgat
kyfose : kromming van de wervelkolom naar voren
mandibula : onderkaak
maxilla : bovenkaak
meniscus : gewrichtsschijf van kraakbeen in de knie
os nasale : neusbeen
os pubis : schaambeen
os temporale : slaapbeen
patella : knieschijf
pelvis : bekken
pronatie : beweging waarbij de handpalm naar beneden draait
radius : spaakbeen
retroflexie : naar achteren buigen; strekken
scapula : schouderblad
scoliose : zijdelingse verkromming van de wervelkolom
sternum : borstbeen
supinatie : beweging waarbij de handpalm naar boven draait
synovia : gewrichtsvloeistof
thorax : borstkas
tibia : scheenbeen
ulna : ellepijp
vertebra : wervel
Het hormoonstelsel