Week 1: P&F, echtscheiding en alimentatie
HvJ EG 16 juli 2009, zaak C-168/08, NIPR 2009, 173 (Hadadi) (C 7)
- Art. 3 sub b: gemeenschappelijke nationaliteit
HvJ EU 1 augustus 2022, zaak C-501/20, NJ 2023/61, m.nt. F. Ibili
(MPA) (zie Canvas)
- Brussel II-ter + Alimentatieverordening
- Vrouw heeft Spaanse nationaliteit, man heeft Portugese nationaliteit. 2 kinderen zijn geboren
in Spanje. Het gezin is in 2015 naar Togo verhuisd en in 2018 gescheiden van tafel en bed
o Op 6 maart 2019 heeft de moeder bij de Spaanse rechter een echtscheidingsverzoek
ingediend, waarin zij tevens verzocht om vaststelling van de regeling en wijze van
uitoefening van de zorg en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige
kinderen van het koppel, toekenning van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen
en het genot van de gezinswoning in Togo.
- Bij beschikking van 9 september 2019 heeft deze rechter vastgesteld dat hij niet
internationaal bevoegd was omdat partijen zijns inziens hun gewone verblijfplaats niet in
Spanje hadden.
- De moeder heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
o Diplomatieke status dus immuniteit volgens art. 31 Verdrag van Wenen + gewone
verblijfsplaats uit Brussel II-ter en Alimentatieverordening is niet de plaats waar ze is
tewerkgesteld (Togo), maar haar verblijfsplaats daarvoor (Spanje) + forum
necessitatis uit Alimentatieverordening: gebrek aan passende opleiding en
bijscholing rechters en bezorgdheid over onafhankelijkheid rechterlijke macht en
toegang tot de rechter volgens verslagen VN
- Antwoord op vraag 1:
o Art. 3 lid 1 sub a Brussel II-ter verleent, zonder een hiërarchie tussen de
aanknopingspunten aan te brengen, de bevoegdheid om uitspraak te doen over
kwesties betreffende de ontbinding van de huwelijksband aan de gerechten van de
lidstaat op het grondgebied waarvan zich, naargelang van het geval, de huidige of de
vroegere verblijfplaats van de echtgenoten of van een van hen bevindt (42)
o „gewone verblijfplaats” wordt in beginsel gekenmerkt door twee aspecten, te weten,
ten eerste, de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn belangen op
een bepaalde plaats te vestigen en, ten tweede, de omstandigheid dat de
betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het
grondgebied van de betrokken lidstaat (44)
o Ook bij Alimentatieverordening kan een verzoek inzake onderhoudsplicht o.g.v.
meerdere beveogdheidsgronden worden ingediend, o.a. bij het gerecht van de plaats
waar de verweerder zijn gewone verblijfsplaats heeft (46)
Zoals met name volgt uit overweging 8 van het Alimentatieverordening en
zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, houdt deze verordening nauw verband
met het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op
onderhoudsverplichtingen. Volgens artikel 3 van dit Haagse protocol
beheerst het recht van de gewone verblijfplaats van de
onderhoudsgerechtigde in beginsel de onderhoudsverplichtingen, waarbij
deze verblijfplaats een voldoende mate van bestendigheid moet vertonen,
zodat een tijdelijke of incidentele aanwezigheid is uitgesloten (49)
, Het recht dient een voldoende nauwe band met de betrokken gezinssituatie
te vertonen, met dien verstande dat het recht van de staat van de gewone
verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde in beginsel de meest nauwe
band lijkt te hebben met diens situatie en derhalve het meest geschikt lijkt
om de concrete problemen van deze onderhoudsgerechtigde te regelen (50)
HvJ EU 15 november 2022, zaak C-646/20, ECLI:EU:C:2022:879
(Senatsverwaltung) (zie Canvas)
HR 13 juli 2001, NIPR 2001, 242 (Erkenning Marokkaanse khoel)
(alleen 3.1-3.4.2) (C 4)
- Art. 2 en 3 WCE: voorwaarden erkenning huwelijksontbinding (i.c. verstoting)
- Art. 2 WCE ziet niet op alle buiten het koninkrijk tot stand gekomen huwelijksontbinding
heeft slechts betrekking op de erkenning van buiten het koninkrijk verkregen
huwelijksontbindingen die zijn tot stand gekomen, na rechtspleging in enige vorm, “door de
beslissing van een rechter of andere autoriteit”.
o Huwelijksontbinding die (hoezeer ook gegrond op verstoting) niettemin tot stand is
gekomen na een procedure waarin de vrouw als “wederpartij” de gelegenheid heeft
gehad om gehoord te worden, door een tot beëindiging van het huwelijk strekkende
beslissing door de rechter of andere autoriteit.
o Huwelijksontbinding naar Marokkaans recht o.g.v. verstoting, waaronder ook de
khoel valt, voldoet niet aan deze vereisten taak van adouls is beperkt tot het
registreren van de verstoting en hebben geen beslissingsbevoegdheid + vrouw is niet
gehoord.
- Verstoting: belangrijk dat duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de
ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd
- Art. 3 WCE: huwelijksontbinding door verstoting (waarvan in deze procedure als vaststaand
moet worden aangenomen dat de vrouw ermee heeft ingestemd en dat zij in Marokko
rechtsgevolg heeft) voor erkenning in aanmerking komen indien “de ontbinding van het
huwelijk in deze vorm overeenstemt met de personele wet van de man”.
Alimentatie
HvJ EU 7 juni 2018, zaak C-83/17, NIPR 2018, 230 (KP/LO) (G 3)
HvJ EU 20 september 2018, zaak C-214/17, NIPR 2018, 367
(Mölk/Mölk) (G 4)
HvJ EU 1 augustus 2022, zaak C-501/20, NJ 2023/61, m.nt. F. Ibili
(MPA) (zie Canvas)
, Week 2: P&F, afstamming, ouderlijke
verantwoordelijkheid en huwelijksvermogensrecht
Afstamming
HR 19 mei 2017, NIPR 2017, 258 (Afstamming en bigamie) (D 4)
Ouderlijke verantwoordelijkheid
HvJ EU 22 december 2010, zaak C 497/10 PPU, NIPR 2011, 5
(Mercredi) (F 4)
HvJ 14 juli 2022, C-572/21, NJ 2022/358, m.nt. F. Ibili (Perpetuatio
fori) (zie Canvas) 12 blz.
- Overbrenging, in de loop van het geding, van de gewone verblijfplaats van een kind vanuit
een lidstaat van de EU naar een derde staat die partij is bij het HKBV 1996
- Art. 5 jo. 52HKBV 1996 vs. art. 8 jo. 60 jo. 61 Brussel II-ter
- Feiten:
o Zoon in Zweden geboren en woonde daar 8 jaar met moeder die eenhoofdig gezag
heeft. Zoon gaat naar internaat op grondgebied Russische Federatie
o Vader heeft bij rechter in Zweden verzoek tot eenhoofdig gezag ingediend +
vaststelling gewone verblijfplaats zoon in Zweden
Verweer moeder: Zweedse rechter niet bevoegd, want gewone verblijfplaats
in Rusland
Rechter: zoon had tijdens indienen verzoek nog niet gewone verblijfplaats in
Rusland dus wel bevoegd
o Moeder had ondertussen ook een vordering mbt gezag ingesteld bij Russische
rechter die zich bevoegd had verklaard voor alle kwesties omtrent ouderlijke
verantwoordelijkheid
o Zweedse rechter, 2 vragen:
Is het perpetuatio-foribeginsel (art. 8 Brussel II-ter) van toepassing ingeval de
gewone verblijfplaats van het kind wordt overgebracht naar een derde staat
die partij is bij het HKBV 1996?
Gewone verblijfplaats van een kind: plaats waar zich in feite het
centrum van zijn leven bevindt bepaald obv een omvattende
analyse van de feitelijke omstandigheden van elke zaak
Perpetuatio-foribeginsel: een gerecht verliest zijn bevoegdheid niet,
ook al wijzigt de gewone verblijfplaats van het betrokken kind in de
loop van het geding
Welk tijdstip (gelet op de in art. 61 onder a Brussel II-ter neergelegde
voorrangsregel) dient in aanmerking te worden genomen om te boordelen
waar zich de gewone verblijfsplaats van het kind bevindt en ziet dat artikel
enkel op de betrekkingen tussen de lidstaten of heeft het een ruimere
werkingssfeer?