Aan : Mw. A. Koppe
Van :
Betreft : Uitwerking boeteregime bijstandszaken n.a.v. aangescherpte voorwaarden CRvB
Datum : 24 april 2020
Onlangs heeft u mij gevraagd vier uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) te analyseren
over het boeteregime in bijstandszaken en vervolgens een memo te schrijven over de aangescherpte
voorwaarden in deze uitspraken. Tot slot treft u een uitgewerkt stappenplan voor de behandelende collega’s
die belast zijn met de uitvoering van de Participatiewet voor het opleggen van een boete.
ECLI:NL:CRVB:2015:1801
De rechtsvraag in casu is: “Is het Boetebesluit van toepassing op bestuurlijke boetes vanaf 1 januari 2013 in
bijstandszaken nu art. 6b Boetebesluit met ingang van 1 juli 2014 in werking is getreden?”
Het antwoord wordt genoemd in rechtsoverwegingen 5.13.2 t/m 5.13.4 en luidt dat de CRvB heeft
geoordeeld dat onduidelijkheid in de regelgeving daar niet toe moet leiden dat het Boetebesluit buiten
beschouwing moet blijven bij opgelegde boetes na 1 januari 2013 op grond van de WWB. Hier moet worden
getoetst aan het evenredigheidsbeginsel op grond van art. 5:46 lid 2 Awb. Ook dient rekening te worden
gehouden met de individuele situatie van de overtreder.
ECLI:NL:CRVB:2016:12
De rechtsvraag in casu is: “Heeft het college van B&W rekening gehouden met de draagkracht van de
overtreder bij het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van art. 18a WWB jo. art. 5:46 lid 2 Awb?”
Het antwoord wordt genoemd in rechtsoverwegingen 5.3 t/m 5.5 en luidt dat opgelegde boetes op grond
van art. 18a WWB volledig dienen te worden getoetst met inachtneming van art. 5:46 lid 2 Awb. Het college
dient de boete af te stemmen op de ernst van de overtreding, de mate waarin deze kan worden verweten
aan de overtreder en eventueel dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden waaronder de
overtreding is begaan. De CRvB heeft in deze zaak geconcludeerd dat de boete niet evenredig is.
ECLI:NL:CRVB:2016:3024
De rechtsvraag in casu is: “Is het college van B&W bevoegd om een boete op te leggen als zij vermoeden dat
de overtreder op geld waardeerbare arbeid verricht tijdens reguliere arbeidsuren op een niet door hem
doorgegeven werkplek op grond van art. 18a WWB?”
Johanna Westerdijkplein 1, 2524 DA ’s-Gravenhage
T: 070-1234567