Hoofdstuk 1 de cel vragen
1. Noem 2 soorten cellen
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
2. Uit welke 3 delen is de cel opgebouwd?
-
-
-
3. Uit hoeveel % water bestaat het cytoplasma?
a. 70%
b. 75%
c. 60%
4. Wat is een ander woord voor kernplasma?
a. Nucleoplasma
b. Cytoplasma
c. DNA
5. Wat maken de vegetatieve levensverrichtingen mogelijk?
A. Groei
B. Stofwisseling
C. Voortplanting
D. Beweging
E. Prikkelbaarheid
6. Waar komt mitose voor?
a. Spieren, huidcellen en bloedcellen
b. Spieren, weefsels en huidcellen
c. Huidcellen, weefsels en bloedcellen
7. Waar vindt de bevruchting van de vrouw plaats?
a. In de baarmoeder
b. In de eileiders
c. In de blaas
8. Uit welke weefsels is het lichaam opgebouwd?
A. Epitheelweefsel
B. Zenuwweefsel
C. Spierweefsel
D. Celweefsel
E. Steunweefsel
1. Noem 2 soorten cellen
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
2. Uit welke 3 delen is de cel opgebouwd?
-
-
-
3. Uit hoeveel % water bestaat het cytoplasma?
a. 70%
b. 75%
c. 60%
4. Wat is een ander woord voor kernplasma?
a. Nucleoplasma
b. Cytoplasma
c. DNA
5. Wat maken de vegetatieve levensverrichtingen mogelijk?
A. Groei
B. Stofwisseling
C. Voortplanting
D. Beweging
E. Prikkelbaarheid
6. Waar komt mitose voor?
a. Spieren, huidcellen en bloedcellen
b. Spieren, weefsels en huidcellen
c. Huidcellen, weefsels en bloedcellen
7. Waar vindt de bevruchting van de vrouw plaats?
a. In de baarmoeder
b. In de eileiders
c. In de blaas
8. Uit welke weefsels is het lichaam opgebouwd?
A. Epitheelweefsel
B. Zenuwweefsel
C. Spierweefsel
D. Celweefsel
E. Steunweefsel