OUDHEID
EEN KENNISMAKING MET DE OUDE WERELD – L. DE BLOIS
,INHOUDSOPGAVE
KENMERKENDE ASPECTEN ................................................................................................................... 3
HOOFDSTUK ACHT: DE VROEGE IJZERTIJD – DE ‘’DONKERE EEUWEN’’ CA. 1200 – 750 V.CHR.... 4
HOOFDSTUK NEGEN: DE ARCHAÏSCHE PERIODE CA. 750 – 500 V.CHR. ......................................... 5
§9.2 – VERANDERINGEN OP DEMOGRAFISCH EN ECONOMISCH TERREIN ................................ 5
§9.3 – VERANDERINGEN OP SOCIAAL TERREIN ........................................................................... 7
§9.4 – VERANDERINGEN OP MILITAIR TERREIN .......................................................................... 7
§9.5 – VERANDERINGEN OP CULTUREEL TERREIN ...................................................................... 8
§9.6 – VERANDERINGEN OP POLITIEK TERREIN ......................................................................... 10
HOOFDSTUK TIEN: DE KLASSIEKE PERIODE ................................................................................... 12
§10.1 – DE PERIZICHE OORLOGEN ................................................................................................ 12
§10.2 – SPARTA EN ATHENE NA 479 V.CHR .................................................................................. 13
§10.3 – DE PELOPONNESISCHE OORLOG ..................................................................................... 15
§10.4 – DE PERIODE 404 – 336 V.CHR. .......................................................................................... 16
§10.5 – DE ATHEENSE BEVOLKING IN DE VIJFDE EN VIERDE EEUW V.CHR. ............................... 18
§10.6 – VERDERE ONTWIKKELING VAN DE ATHEENSE DEMOCRATIE........................................ 19
§10.7 – ATHENE ALS CENTRUM VAN DE GRIEKSE CULTUUR IN DE KLASSIEKE TIJD ................ 22
HOOFDSTUK ELF: DE HELLENISTISCHE TIJD .................................................................................. 24
§11.2 – ALEXANDER DE GROTE ..................................................................................................... 24
§11.3 – VAN ALEXANDER DE GROTE TOT DE ROMEINSE BEZETTING .........................................25
HOOFDSTUK TWAALF: DE VROEGE ROMEINSE GESCHIEDENIS ....................................................27
§12.1 – DE GEBIEDEN RONDOM HET WESTELIJKE BEKKEN VAN DE MIDDELLANDSE ZEE .......27
§12.2 – HET ONTSTAAN VAN ROME ............................................................................................. 28
§12.3 – STAAT EN MAATSCHAPPIJ IN HET VROEGE ROME ......................................................... 28
§12.4 – DE VROEGE REPUBLIEK.................................................................................................... 29
§12.5 – DE ROMEINSE EXPANSIE IN ITALIË ................................................................................. 30
§12.6 – DE STANDENSTRIJD ..........................................................................................................32
§12.7 – NA DE STANDENTRIJD: STAATSINSTELLINGEN EN SOCIALE STRUCTUREN ................. 33
§12.8 – DE SOCIALE OPBOUW VAN DE ROMEINSE BEVOLKING ................................................ 35
HOOFDSTUK DERTIEN: VERDERE EXPANSIE EN NIEUWE SOCIALE SPANNIGEN ........................ 38
§13.1 – DE PUNISCHE OORLOGEN ................................................................................................ 38
§13.2 – TWEE VORMEN VAN ROMEINSE MACHTSUITBREIDING................................................ 39
§13.3 – NIEUWE SOCIALE SPANNINGEN ...................................................................................... 40
§13.4 – DE SLAVERNIJ IN ITALIË EN SICILIË .................................................................................. 41
1
, §13.5 – ROME GROEIT .................................................................................................................... 41
§13.6 – MENTALITEITSVERANDERING ......................................................................................... 42
HOOFDSTUK VEERTIEN: DE EEUW VAN DE ROMEINSE BURGEROORLOGEN ............................. 43
§14.1 – DRINGENDE PROBLEMEN EN ONTEVREDEN GROEPEN................................................. 43
§14.2 – DE GRACCHEN................................................................................................................... 44
§14.3 – DE LEGERHERVORMING VAN MARIUS ........................................................................... 45
§14.4 – DE BONDGENOTENOORLOG EN DE EERSTE BURGEROORLOG .................................... 46
§14.5 – DE JAREN 79 – 49 V.CHR. ................................................................................................. 48
§14.6 – DE TWEEDE BURGEROORLOG EN DE NASLEEP ............................................................. 50
HOOFDSTUK VIJFTIEN: DE VROEGE KEIZERTIJD............................................................................. 51
§15.1 – AUGUSTUS.......................................................................................................................... 51
§15.2 – DE VROEGE KEIZERTIJD NA AUGUSTUS ......................................................................... 54
§15.3 – HET ROMEINSE RECHT ..................................................................................................... 56
§15.5 – LANDBOUW, HANDEL EN AMBACHT ...............................................................................57
§15.6 – DE GODSDIENST ............................................................................................................... 58
HOOFDSTUK ZESTIEN: DE CRISIS VAN DE DERDE EEUW N.CHR. EN DE LATE OUDHEID ............ 59
§16.1 – VERHOOGDE DRUK OP DE NOORDELIJKE EN OOSTELIJKE GRENZEN ......................... 59
§16.2 – INTERNE PROBLEMEN IN HET ROMEINSE RIJK ............................................................. 60
§16.3 – DE SEVERI........................................................................................................................... 61
§16.4 – DE PERIODE VAN DE SOLDATENKEIZERS ....................................................................... 62
§16.5 – DIOCLETIANUS ................................................................................................................. 62
§16.6 – CONSTANTIJN DE GROTE ................................................................................................ 63
§16.7 – HET ROMEINSE RIJK NA CONSTANTIJN DE GROTE ....................................................... 64
§16.8 – HET EINDE VAN HET WEST-ROMEINSE RIJK .................................................................. 64
2
,KENMERKENDE ASPECTEN
Tijdvak 2: Grieken en Romeinen – Oudheid van 3000 v.Chr. tot 500 n.Chr.
Kenmerkende aspecten:
3. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek
in de Griekse stadstaat.
4. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
5. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa
verspreidde.
6. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van
Noordwest-Europa.
7. De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische
godsdiensten.
3
,EEN KENNISMKAING MET DE OUDE WERELD
Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in deze tijd?
HOOFDSTUK ACHT: DE VROEGE IJZERTIJD – DE ‘’DONKERE EEUWEN’’ CA. 1200 – 750
V.CHR
ONTWRICHTING EN HERSTEL
De vroege ijzertijd in Griekenland, beter bekend als de donkere eeuwen, Donkere eeuwen
was een periode van grote veranderingen en onzekerheid. Deze tijd
begon na de ondergang van de Myceense beschaving rond 1200 v.Chr.
en duurde tot ongeveer 750 v.Chr. In deze periode vond er een sterke
bevolkingsafname plaats, werden paleizen en steden verlaten en
verdween een groot deel van de schriftelijke traditie die de Myceners
hadden ontwikkeld. Toch was deze periode niet alleen een tijd van
verval, maar ook van transformatie, waarin de fundamenten werden
gelegd voor de klassieke Griekse cultuur.
De Myceense cultuur, die haar hoogtepunt bereikte rond 1400-1200 Myceense cultuur
v.Chr., was een machtige beschaving met een uitgebreid
handelsnetwerk, grote paleizen en een geavanceerde samenleving. De
ondergang van deze beschaving wordt vaak toegeschreven aan een
combinatie van natuurrampen, interne onrust en invasies door
zogenaamde Zeevolken. Met de ineenstorting van de Myceense
koninkrijken verdween ook het lineair B-schrift, waardoor veel Lineair B-schrift
historische kennis uit die tijd verloren ging. Dit markeerde het begin van
de donkere eeuwen, waarin geschreven bronnen schaars waren en de
samenleving grotendeels terugviel op een agrarische en kleinschalige
organisatie.
Ondanks de crisis ontstonden er in deze periode nieuwe vormen van
politieke organisatie. De eerste stadsstaten (poleis) begonnen zich te Stadstaten
vormen, waarin een nieuw bestuurssysteem ontstond. De samenleving Nieuwe
werd gekenmerkt door een hiërarchische opbouw, met aan de top de bestuurssystemen
koning en zijn familie, gevolgd door priesters, ambachtslieden, boeren
en onderaan de slaven en krijgsgevangenen. Hoewel de koning aan de
macht stond, werd zijn positie vaak omschreven als primus inter pares, Primus inter pares
oftewel ‘de eerste onder zijns gelijken’, wat betekende dat hij geen
absolute macht had, maar eerder een leidende rol onder gelijkwaardige
edelen.
Een belangrijk keerpunt in de overgang van de donkere eeuwen naar de
Archaïsche periode was de opkomst van Homerus, de dichter aan wie de Homerus
beroemde werken de Ilias en de Odyssee worden toegeschreven. Deze Ilias & Odyssee
verhalen, die waarschijnlijk rond de 8e eeuw v.Chr. werden opgetekend,
boden inzicht in de waarden en idealen van de Griekse samenleving en
hielpen de culturele identiteit van het oude Griekenland te vormen.
4
,Daarnaast werden in deze tijd ook de eerste Olympische Spelen Olympische spelen
georganiseerd, die dienden als religieuze en sportieve evenementen ter
ere van de goden, met name Zeus.
EEN KENNISMKAING MET DE OUDE WERELD
Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in deze tijd?
HOOFDSTUK NEGEN: DE ARCHAÏSCHE PERIODE CA. 750 – 500 V.CHR.
In de geschiedenis van het oude Griekenland vonden ingrijpende demografische, economische,
sociale, militaire, culturele en politieke veranderingen plaats. Dit verslag beschrijft deze
ontwikkelingen in detail, met bijzondere aandacht voor de staatsvormen die in de verschillende
stadstaten ontstonden. Het oude Griekenland was geen eenheid, maar een verzameling poleis
(stadstaten), die ieder een eigen bestuursvorm kenden. Dit verslag behandelt hoe deze
staatsvormen zich ontwikkelden en welke factoren hieraan bijdroegen.
§9.2 – VERANDERINGEN OP DEMOGRAFISCH EN ECONOMISCH TERREIN
In deze periode beleefde Hellas (Griekenland) een nieuwe bloei. Een Hellas
belangrijke ontwikkeling was de opkomst van wetenschappelijk
denken en nieuwe ideeën over burgerschap en politiek binnen de
Griekse stadstaten. De Myceense cultuur, een oude Griekse Myceense cultuur
beschaving bekend van onder andere de oorlog tegen Troje, verdween
steeds meer. Hierdoor kreeg Griekenland opnieuw een eigen karakter,
met verschillende bestuursvormen als gevolg. Dit leidde uiteindelijk
tot de opkomst van de polis, de Griekse stadstaat. Polis
DE POLIS
Door deze veranderingen ontstonden op verschillende plekken poleis Poleis
(meervoud van polis), zelfstandige gemeenschappen van burgers.
Binnen de polis was er een centrale marktplaats, de agora, waar Polis
economische, politieke en sociale activiteiten plaatsvonden. Dit was Agora
de plek waar het volk en het bestuur bijeenkwamen om besluiten te
nemen. Vaak was er sprake van aristocratie, waarbij de adel een Aristocratie
belangrijke invloed had op het bestuur. Polites waren burgers met Polites
politieke rechten, zoals stemrecht en deelname aan
volksvergaderingen.
Niet in heel Griekenland domineerde de polis als bestuursvorm. In de
minder ontwikkelde gebieden bestonden samenwerkingsverbanden
die bekendstonden als een ethnos (letterlijk 'volk'). Dit waren losse Ethnos
verbanden van kleinere gemeenschappen in landelijke gebieden. Deze
gebieden konden zich later ontwikkelen tot een polis, maar waren in
de vroege fase nog niet zo georganiseerd als de stadstaten. Hoewel
Griekenland politiek verdeeld was, voelden de Grieken zich toch
verbonden door hun gemeenschappelijke taal, religie en cultuur. Dit
werd versterkt door gezamenlijke religieuze festivals, zoals de
Olympische Spelen, en een gedeeld pantheon van goden.
5
,In het oude Griekenland bestonden verschillende staatsvormen, die
per stadstaat verschilden. Hieronder volgt een overzicht van de
belangrijkste bestuursvormen:
• Monarchie: Een regeringsvorm waarbij een koning, meestal Monarchie
erfelijk, regeerde en zijn bewind als wettig werd beschouwd.
Dit was de oorspronkelijke regeringsvorm in veel stadstaten.
• Tyrannis: Een staatsvorm waarbij een individu de macht naar Tyrannis
zich toetrok, vaak met geweld of via onvrede binnen de
bevolking. Tyrannen kwamen soms voort uit de aristocratie,
maar hun heerschappij werd niet per definitie als legitiem
beschouwd.
• Aristocratie: Letterlijk 'regering door de besten'. De macht lag Aristocratie
bij de adel, waarbij afkomst een bepalende factor was.
• Oligarchie: Een bestuursvorm waarin een kleine groep Oligarchie
machthebbers de macht bezat. Dit waren niet altijd edelen;
vaak waren het rijke burgers of grootgrondbezitters.
• Timocratie: Een regeringsvorm waarbij deelname aan het Timocratie
bestuur afhankelijk was van vermogenscriteria. Alleen burgers
met voldoende bezit konden politieke functies bekleden.
• Democratie: Een regeringsvorm waarbij de dèmos (het volk) Democratie
de macht had, vaak via volksvergaderingen waarin burgers
(mannelijke burgers met burgerrechten) direct stemrecht
hadden. Dit was vooral kenmerkend voor Athene.
Elke polis had zijn eigen variatie op deze staatsvormen, en sommige
stadstaten wisselden in de loop van de tijd van regeringsvorm.
KOLONISTATIE
Tussen de achtste en zesde eeuw v.Chr. vond de tweede Griekse Tweede Griekse
migratie plaats. Tijdens deze periode vestigden de Grieken migratie
nederzettingen langs de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee.
Dit proces staat bekend als kolonisatie en had verschillende oorzaken: Kolonisatie
• Gebrek aan landbouwgrond: Door bevolkingsgroei werd de Gebrek aan
beschikbare landbouwgrond in veel poleis schaars. Dit leidde landbouwgrond
ertoe dat groepen burgers op zoek gingen naar vruchtbare
gebieden buiten Griekenland.
• Handelsmotieven: De kolonisatie bood kansen voor Handelsmotieven
handelaren om nieuwe markten te bereiken. Griekse kolonies
functioneerden als tussenstations voor handel in grondstoffen
zoals graan, hout en metalen.
• Sociale en politieke spanningen: Interne conflicten binnen de Sociale en politiek
elite, vooral in stadstaten met een aristocratisch bestuur, spanningen
zorgden ervoor dat bepaalde groepen burgers een nieuw
bestaan zochten buiten hun oorspronkelijke stadstaat.
De Grieken stichtten apoikiai, kolonies die onafhankelijk waren van Apoikiai
hun moederstad, maar vaak nog sterke culturele en religieuze banden
6
,onderhielden. Belangrijke Griekse kolonies waren onder andere
Massalia (het huidige Marseille) en Byzantion (het latere Massalia & Byzantion
Constantinopel, nu Istanboel). Kolonisatie droeg bij aan de
verspreiding van de Griekse cultuur, taal en handelsnetwerken over
een groot gebied. Dit zorgde ervoor dat de Griekse invloed zich
uitbreidde tot ver buiten de oorspronkelijke grenzen van Hellas.
§9.3 – VERANDERINGEN OP SOCIAAL TERREIN
De groei van handel en economie had een grote invloed op de sociale Sociale structuur
structuur van de Griekse wereld. De oude aristocratie, die traditioneel
de macht bezat, kreeg te maken met concurrentie van een nieuwe
groep rijken:
• Nouveaux riches: Deze nieuwe rijke klasse bestond uit Nouveaux Riches
handelaren en ambachtslieden die door commerciële
activiteiten aanzien en rijkdom verwierven. Hierdoor ontstond
spanning tussen de aristocraten en de nieuwe elite.
• Schuldslavernij: Kleine boeren die hun land niet konden Schuldslavernij
onderhouden, raakten vaak in de schulden en moesten hun
schulden aflossen door zichzelf of hun familieleden als slaaf te
laten werken. Dit leidde tot grote sociale onrust, vooral in
Athene.
• Opkomst van burgerrechten: Door sociale druk begonnen Opkomst van
sommige stadstaten hervormingen door te voeren. In Athene burgerrechten
voerde de wetgever Solon rond 594 v.Chr. ingrijpende Solon
hervormingen door, zoals de afschaffing van schuldslavernij en
de herverdeling van politieke rechten.
Sociale spanningen en hervormingen zorgden ervoor dat de
traditionele aristocratische machtsstructuren in veel poleis
veranderden en nieuwe bestuursvormen ontstonden.
§9.4 – VERANDERINGEN OP MILITAIR TERREIN
In de archaïsche periode onderging het Griekse militaire systeem een Militaire systemen
ingrijpende transformatie. Dit kwam voort uit economische en sociale
veranderingen, waardoor bredere lagen van de bevolking in staat
waren om militaire uitrusting aan te schaffen en deel te nemen aan het
leger.
De opkomst van de hoplieten, zwaarbewapende infanteriesoldaten, Hoplieten
markeerde een keerpunt in de oorlogsvoering. Deze soldaten waren
uitgerust met een bronzen pantser, een hoplon (rond schild), een
lange speer (dory) en een kort zwaard (xiphos). De hoplieten vochten
in de zogenaamde falanxformatie, een dichte en goed georganiseerde Falanxformatie
gevechtslinie waarin soldaten elkaar met hun schilden beschermden
en vijanden met speren bestookten. Door de toenemende welvaart
7
,konden nieuwe rijken en middelgrote boeren zich de benodigde Nieuwe rijken en
uitrusting veroorloven en aansluiten bij de hoplieten. Dit betekende middelgrote boeren
dat niet langer alleen de aristocratie het leger domineerde, maar ook
burgers met een aanzienlijk inkomen. Dit had politieke gevolgen,
omdat deze nieuwe soldaten ook meer zeggenschap eisten in hun
steden (poleis).
De opkomst van de hoplieten verzwakte de aristocratische militaire
macht, aangezien de oorlogsvoering niet langer afhankelijk was van
adellijke ruiters. Dit leidde in veel poleis tot politieke hervormingen
waarin bredere lagen van de bevolking meer inspraak kregen, zoals
later te zien was in Athene en Sparta.
§9.5 – VERANDERINGEN OP CULTUREEL TERREIN
HET ALFABET
Een van de belangrijkste culturele ontwikkelingen was de introductie
van het Griekse alfabet, dat werd afgeleid van het Fenicische schrift. Grieks alfabet
Dit alfabet was eenvoudiger en efficiënter dan eerdere schriftvormen
en maakte brede verspreiding van kennis mogelijk. Het alfabet werd
later overgenomen door de Romeinen, waardoor het een Romeinen
fundamentele rol speelde in de ontwikkeling van de Westerse taal en
literatuur. Dankzij deze schriftelijke traditie konden filosofische
werken, poëzie en historische teksten worden vastgelegd en
doorgegeven aan toekomstige generaties.
DE LITERATUUR
De Griekse literatuur kende een enorme bloei in deze periode. De
belangrijkste literaire werken waren de epische gedichten Ilias en Ilias & Odyssee
Odyssee, geschreven door Homerus. Deze gedichten weerspiegelden Homerus
de aristocratische waarden van de Griekse samenleving en de
voorstelling van de goden als antropomorfe wezens (mensvormige Antropomorfe
goden) die zich bezighielden met het lot van de sterfelijke wereld.
Een andere belangrijke schrijver was Hesiodus, die in zijn werken Hesiodus
Werken en Dagen en Theogonie niet alleen een beeld gaf van het
boerenleven, maar ook de ontstaansgeschiedenis van de goden Ontstaansgeschiedenis
beschreef. Deze teksten vormden een belangrijke bron voor de van de goden
religieuze en mythologische opvattingen van de oude Grieken. Naast
epische poëzie ontstond in deze periode ook de lyriek, een dichterlijke Lyriek
vorm waarin persoonlijke gevoelens en gedachten werden uitgedrukt.
BOUWKUNST
De Griekse bouwkunst kende grote vooruitgang en werd vooral Griekse bouwkunst
gekenmerkt door de bouw van imposante tempels, die dienden als Tempels
woonhuizen voor de goden. Binnen de Griekse architectuur
ontwikkelden zich drie belangrijke bouwstijlen:
8
, • Dorische stijl: eenvoudig en robuust, met een glad kapiteel. Dorische stijl
• Ionische stijl: eleganter en verfijnder, te herkennen aan de Ionische stijl
twee krullen (voluten) op het kapiteel.
• Korinthische stijl: de meest gedetailleerde stijl, met Korintische stijl
rijkversierde kapitelen met acanthusbladeren. Acanthusbladeren
Deze bouwstijlen werden niet alleen in tempels gebruikt, maar ook in
andere openbare gebouwen zoals theaters en stadhuizen. Griekse
architectuur had een grote invloed op latere bouwkunst, met name in
Rome en de Renaissance.
GODSDIENST
De Griekse godsdienst was polytheïstisch, wat betekent dat de Polytheïstisch
Grieken in meerdere goden geloofden. De goden waren antropomorf, Antropomorf
wat betekent dat ze menselijke eigenschappen en emoties bezaten.
Elke stad had haar eigen beschermgodheid, wiens tempel meestal op Beschermgodheid
de Akropolis stond. Religieuze plechtigheden, zoals offers en feesten, Akropolis
vonden plaats in deze tempels. De belangrijkste Griekse goden waren:
• Zeus uit Olympia → Koning van de goden, god van het Zeus
uitspansel en van het onweer.
• Hera uit Samos, Argos → Echtgenote van Zeus, Hera
beschermgodin van het huwelijk. ‘
• Poseidon uit Korinthe, Boeotië, Sounion in Attica → God van Poseidon
de zee, veroorzaakt aardbevingen en pestepidemieën.
• Demeter uit Eleusis bij Athene → Beschermgodin van het Demeter
ontkiemende graan, godin van de vruchtbaarheid en van de
seizoenen.
• Athena uit Athene → Godin van de wijsheid en wetenschap, Athena
maar ook van de oorlog.
• Herakles uit Thebe (= zijn geboorteplaats) Athene, Sparta en Herakles
vele andere plaatsen → Held en halfgod, zoon van Zeus en een
menselijke vrouw, Alcmene. Verrichtte twaalf beroemde
9