Hoofdstuk 1 Rechtsfilosofie en mensenrechten
Rechtsfilosofie maakt deel uit van twee disciplines; de filosofie en de rechtsgeleerdheid. Er worden
filosofische visies op het recht besproken zoals het natuurrecht en het rechtspositivisme.
Filosofie
Filosofie betekend oorspronkelijk wetenschap. Nu betekend filosofie enerzijds een theoretische
aangelegenheid die zich bezighoudt met vraagstukken zoals die naar de mogelijkheid van kennis van
kennis en wetenschap. En aan de andere kant is filosofie een praktische aangelegenheid die zich
bezighoudt met de mogelijkheid van het goede voor de mens en voor de samenleving.
In de loop van de geschiedenis, maar vooral tijdens de wetenschappelijke revolutie tijdens de 16e en
17e eeuw is de filosofie in zekere zin kleiner geworden, omdat de onderwerpen van de wetenschap
zich geleidelijk verzelfstandigd hebben. Nu spreken we van enerzijds theoretische filosofie
(mogelijkheid van kennis en wetenschap) en anderzijds van praktische filosofie. (mogelijkheid van het
goede voor de mens en samenleving).
Je kunt enkel een goed mens zijn als je deel uitmaakt van een goede samenleving. Plato versterkt dit:
je kunt enkel weten wat een goed mens is door naar een goede samenleving te kijken. Het is een feit
dat een goed en geslaagd leven leiden in belangrijke mate bepaald wordt door het sociale milieu en
de politieke samenleving waarbinnen hij geboren wordt
Praktische filosofie drukt goed uit waar het om gaat: filosofie over de praktijken waarin mensen
verwikkeld zijn; filosofie over het handelen van mensen in de brede zin van het woord. Praktische
filosofie wordt ook wel ethiek genoemd, wat gewoonte betekend.
Als onderdeel van de praktische filosofie of de ethiek spitst de rechtsfilosofie zich toe op vragen met
juridische betrekking. Burger en mens kunnen dan ook niet van elkaar gescheiden worden
bijvoorbeeld bij het notariaat; wie notaris wil worden moet aan een aantal eisen voldoen, hij moet
dienstbaar zijn aan de samenleving als geheel.
De rechtsfilosofie vraagt naar een moreel goede juridische inrichting van de samenleving, daarmee
staat zij dicht bij de politiek en de politieke filosofie. Beide houden zich namelijk ook bezig met de
vraag wanneer een politieke orde rechtvaardig is.
Praktische filosofie is van alle tijden en is overal. De rechtsfilosofie volstaat niet met het bepalen van
wat het recht op een bepaald moment is, maar kijkt ook naar dat recht vanuit het perspectief van
goed en kwaad.
Recht
Recht is waar veel conflicterende aanspraken worden opgelost. Ook gaat het in het recht niet alleen
om conflicterende aanspraken, maar ook om conflicterende waarden. Daarnaast gaat het om
conflicten tussen wat het recht van mij als burger verlangt en datgene wat ik van mijzelf als persoon
eis. Dit is een conflict tussen heteronomie en autonomie, waaraan ontleent het recht zijn bindende
kracht op grond waarvan zijn aanspraak op gehoorzaamheid prioriteit zou hebben boven
persoonlijke overwegingen van degenen die aan het recht zijn onderworpen. Het positieve recht is
het gestelde recht.
Positieve recht: het geheel van gestelde, regelende en afdwingbare regels dat binnen een bepaald
territorium geldt’. (‘ponere’ stellen) (positieve recht = gestelde recht). Het positieve recht heeft drie
problematische componenten:
,1. Bevoegdheid; Het stellen van het recht is geen willekeurige handeling maar een handeling die
iemand doet die daar bevoegd voor is.
2. Recht bestaat uit regels; In de moderne samenleving bestaat er een taakverdeling. De wetgever
stelt de regels vast en delegeert bevoegdheid om die regels toe te passen aan een rechterlijke macht.
Twee rechtsfilosofische stromingen
3. Onderscheid tussen regende en afdwingbare regels; Sommige regels zijn vrijwillig en de ander niet.
Het recht kan niet tot dwang worden herleid.
Het recht is een hiërarchisch geordend geheel van regels waarbij de geldigheid van de lagere regel
afgeleid kan worde van de hogere, om hiertoe te leiden naar de ultieme rechtsregel. Deze gelden
binnen een bepaald territorium, een soevereine staat. Maar er zijn ook exotische rechtsregels zoals
de EU wetgeving.
Is het de wet willekeurig gesteld of is het aan een hogere norm gebonden?
Er zijn 2 rechtsfilosofische stromingen;
- Het positivisme; het recht denkt in termen van het gestelde recht en de politieke macht
waaraan het zijn autoriteit ontleent.
- Het natuurrecht; het gezag van het gestelde recht is ook een morele zaak.
Er hoeft niet te worden gekozen tussen deze 2 rechten. Door de tijd heen kunnen zich achter het
rechtspositivisme en het natuurrecht verschillende waarden hechten, bijv. Weimarrepubliek
Duitsland (1919) hier stond het postivisme gelijk aan de loyaliteit aan de republikeinse rechtsorde,
terwijl juist vanaf het natuurrecht de positieve wet werd ondermijnd met een beroep op het recht.
Na de WOII veranderde dit, het christelijk nattuurecht nam weer een belangrijke positie in en dat
leidde tot een centrale plaats voor de menselijke waardigheid binnen de Duitse grondwet.
Er bestaat een relatie tussen de morele opvattingen binnen de maatschappij en het recht, maar je
moet voorzichtig hiermee zijn bijvoorbeeld toen Neurenberger in 1945 het Joodse gedeelte van de
Duitse bevolking tot tweederangsburgers maakt, dit was in feite ook een gevolg van morele
opvattingen.
Recht moet onafhankelijk van de ethiek worden bepaald als het geheel van regels zoals dat door
bevoegde instanties en personen is ingesteld. De geldigdheid van het recht staat dus los van de eisen
van de ethiek of de normen van het fatsoen. Volgens het postivisme moet een scherp onderscheid
worden gemaakt tussen het recht zoals het nu is en zoals dat volgens de morele opvatting had
moeten zijn.
John Austin vertelde dat recht het geheel van bevel is zoals dat door een soeverein is gesteld en dat
gewoonlijk wordt gehoorzaamd. Het recht heeft volgens hem 3 componenten;
- Gesteld door een instantie die daartoe staat,
- Deze instantie is zelf niet aan normen onderworpen maar kan deze wel afdwingen,
- Dat gestelde heeft het karakter van een bevel dat men gehoorzaamt, het is ligt dus niet
alleen aan aansporing.
Dit element noemen we het sociale effectiviteit.
Volgens elke recht positivistische benaderingen kunnen we stellen dat recht macht is, er moet dus
effectiviteit zijn en het moet in rechtsnomen zijn vastgelegd.
In het natuurrecht wordt de noodzakelijke band van het positieve recht met de ethiek en de
rechtvaardigdheid benadrukt.
,Positivisme is recht, zijn normen, bevelen of regels.
Open structuur is elk geheel van normen. – hierdoor bestaat speelruimte voor de rechter.
Lex iniusta non est lex is betekent dat een onrechtvaardigde wet geen wet is.
Lon Fuller zei dat er aan minimale eisen moest worden voldaan om recht te kunnen zijn.
De mensenrechten als vorm van rechtvaardigheid.
Rechtvaardigheid is met universaliteit verbonden met dat gene wat voor iedereen relevant en van
belang is. Bijv. belangrijke zaken of goederen die universeel deelbaar zijn.
Het mensenrecht gaat om een moreel belang. Iedereen maakt er aanspraak op. Een mensenrecht
hoeft dus ook niet gesteld te worden omdat het door een ieder herkent en erkend moet worden.
Mensenrechten zijn geografisch en qua tijd onbegrensd en zijn daarnaast ook deelbaar in twee
opzichten;
- Het moet gaan om goederen die breed worden waardeert door mensen uit verschillende
culturen.
- Het moet gaan om goederen waarvan het genot door de een het genot van de ander niet
uitsluit.
De deelbaarheid van het recht mag niet worden aangetast.
Er zijn 2 visies op de mens binnen het UVRM;
1. Als individu
- Eigen belang,
- Autonomie,
- Individuele rechten en vrijheid,
- Ontrekken aan gezelschap van andere, non-conformisctisch.
2. Als lid van de gemeenschap;
- Gemeenschapswezen,
- Belangen van de gemeenschap,
- Plichten tegenover de gemeenschap.
, Hoofdstuk 2 De politieke en juridische context van de Universele verklaring
Het handvest van de Verenigde Naties
In de belangrijke preambule van de Universele verklaring stelt men dat de terzijdestelling van en
minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen die het geweten
van de mensheid geweld hebben aangedaan. – hiermee worden de misdaden van de WOII bedoeld.
Op 26 juni 1945 werd in San Francisco die internationale orde opgericht, 44 staten stemden toen in
met de Organisatie en het Handvest van de VN – belangrijkste internationale spelregels. Binnen het
Handvest van de VN staan NIET de mensenrechten centraal, maar het respect van de staten voor
elkaars politieke soevereiniteit en territoriale integriteit. Verder stelde men een orgaan aan dat
dwingend op internationale vrede en veiligheid kan toezien, Veiligheidsraad. In art. 1 van het
Handvest is wel een algemene verwijzing naar de mensenrechten opgenomen, daarmee maakt het
Handvest de mensenrechten tot een zaak van internationale bekommernis
Volgens de twee eerste vrijheden van Roosevelt kan een mens alleen maar vrij zijn in het uiten van
zijn mening en het belijden van zijn godsdienst als hij niet door anderen wordt belemmerd. De twee
laatste vrijheden betekenen vooral een actieve vrijwaring. Dat vereist dus niet alleen een nalaten en
een afwezigheid van belemmering, maar een actief handelen om ervoor te zorgen dat mensen zich
daadwerkelijk veilig kunnen voelen en geen gebrek hebben. Niet alleen burgerlijke en politieke
rechten (afweerrechten), maar ook sociale en economische rechten.
Discussiepunt bij het formuleren van de mensenrechten: zijn deze afdwingbaar? En als dat het geval
is, wie moet dan op de naleving toezien? In die tijd bleek die afdwingbaarheid niet haalbaar, omdat
dit een te grote inbreuk zou zijn op de soevereiniteit van staten.
Een eerst blik op de Universele Verklaring
Preambules zeggen iets over de identiteit van de politieke eenheid waarvoor de constitutie geldt.
Preambule UVRM:
Menselijke waardigheid: gelijke en onvervreemdbare rechten van de mensengemeenschap,
gelijke rechten bereiken door een toestand van vrede.
Suprematie van het recht: iedereen is gelijk voor de wet en wordt beschermd door de wet.
(In Nederland staat dit gelijk aan de rechtsstaat, rule of law )
Niemand staat boven de wet: de wet staat onafhankelijk van rangen en standen en van
rassen en godsdienstige overtuigingen.
Juridische meningsverschillen worden beslist door een rechterlijk college.
Artikelen UVRM, reactie op naziregime:
Art. 1 en 2: men wijst de ideologie van racisme af.
Art. 3: recht op leven
Recht om vrij te zijn van marteling
Vrijheid van meningsuiting en vergadering
Art. 26 opvoeden is een kwestie van de ouders en niet van de staat
Moeder en kind verdienen bescherming – bijv. recht op bijstand (interessant, want geen
afweerrecht)
Art. 29 en 30: iedereen hee3 plichten t.o.v. de gemeenschap waar hij deel van uitmaakt.
Belangrijk detail aan UVRM: het UVRM kent rechten toe, maar legt ook plichten op aan
mensen. Plichten worden vaak negatief benaderd, waar een plicht is, is het handelen niet
meer vrij. Dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Burgers hebben de plicht de rechtsorde
(UVRM) te gehoorzamen en te ondersteunen. Wellicht is het zo dat de drager van een recht
tegelijk ook de drager van een daaraan verbonden plicht is
Art. 28: internationale organisaties moeten voorkomen dat barbaarse handelingen onder de
dekmantel van nationale soevereiniteit voorkomen.