Toetsdoelen Groepsdynamica uitgewerkt :
Hoofdonderwerpen (nummers) deelonderwerpen (letters)
1. Groepsdynamica algemeen (7 pag.)
a. Ontwikkeling groepsdynamica
b. Modellen/ fasen en communicatieniveau ’s (Tuckman Remmerswaal, Lewin, Schutz)
2. Communicatie (5 pag.)
a. Communicatie axioma’s (Watzlawick, Schulz von Thun, Bion).
b. Afweermechanismen (de groep als container – Bion)
c. Interactieproces analyse, communicatie in groepen (Bales, Goldstein, Festinger)
3. Conflicten (5 pag.)
a. Wat is een conflict
b. Johari venster
c. Feedback
4. Leiderschap (10 pag.)
a. Systeemtheorie
b. Roos van Leary
c. Leiderschapsstijlen
5. Teams en teamrollen (5 pag.)
a. Team en groepsrollen (Benne en Sheats, Belbin)
b. Thema gecentreerde interactie TGI (R.Cohn)
c. Fluïde teams
6. Integrale procesbegeleiding (2 pag.)
a. Afsluitingstaken
b. Onderlinge samenhang van fasen en niveaus
,1 : Groepsdynamica algemeen
A : ontwikkeling groepsdynamica
1a1 :De student kan de verschillende hoofdstromingen binnen de groepsdynamica opnoemen en
onderscheiden : (hoofdstromingen groepsdynamica : veldtheorie, psychoanalytische benadering,
sociometrische benadering, interactie theorie, algemene psychologie).
Veldtheorie(Lewin):
- Gaat ervan uit dat er krachtenveld is die invloed heeft op het gedrag van een groep (+ leden)
- Lewin noemt de structuur van het veld ook wel dynamisch spanningsveld (krachten die spelen
binnen een groep en elkaar ook in evenwicht houden).
- In groepen zijn er veranderings bevorderende/remmende krachten. Lewin verklaart
veranderingen en stabiliteit in groepen met 2 begrippen. Dynamische interdepenentie : als de
situatie voor een groepslid verandert, verandert situatie ook voor andere groepsleden (groep als
dynamisch geheel). Quasi stationair evenwicht : een soort evenwicht dat zich aanpast aan kleine
schommelingen maar zich verzet tegen grote schommelingen. Als er geen evenwicht in de groep
is, zal er spanning ervaren worden. De groep wil terug naar het oude/ een nieuwe evenwicht.
- De veldtheorie heeft veel overeenkomsten met de gestaltetheorie (is veel ouder) De
gestaltpsychologie legt de nadruk op de relaties tussen delen en het geheel. Lewin studeerde
tijdens zijn psychologieopleiding in Duitsland bij de grondleggers van de gestaltpsychologie.
Psychoanalytische benadering (Bion, Thelen)
- Houdt zich vooral bezig met motivatieprocessen en de afweermechanismen van een individu.
- Freud een belangrijke grondlegger van deze theorie.
- Er wordt een onderscheid gemaakt tussen manifeste niveau(direct waarneembaar gedrag) en
latente niveau (onbewuste deel, in de tent). Ook in groepen zijn er onbewuste belevingen,
verlangens, angsten enzovoort. Bion heeft de basisassumpties in groepen ontwikkeld.
Sociometrische benadering (Moreno) (1930)
- Kijkt vooral naar de sociale en emotionele kanten van persoonlijke relaties tussen groepsleden.
- Er wordt gebruik gemaakt van een sociogram (vragenlijst hoe je andere groepsleden ziet). Zie je
bijv. een groepslid als vriend of collega.
Interactie theorie (Bales, Homans)
- Zij zien de groep als een systeem waar interactie plaatsvindt tussen de individuen in de groep.
- Bales is vooral bekend geworden door zijn interactieanalyse aan de hand van een
observatieschema waarin hij sociaal-, emotioneel- en taak gebied scheid (BOB model)
- Bales heeft veel onderzoek gedaan naar communicatie binnen groepen, leidergevingstijlen,
statusverschillen en invloed van de grootte van een groep.
- Homans maakte onderscheid tussen interne (relatie) en externe (taak) systemen/groepen. hij
stelde verschillende hypothese, belangrijkste is de sociaal contacthypothese/interactiehypothese
(hoe meer interacties tussen groepsleden, hoe meer onderlinge genegenheid). Deze
genegenheid zorgt ook ervoor dat het aantal interacties nog meer toeneemt.
,Algemene psychologie:
- Voorbeelden van theorieën uit de psychologie zijn leertheorieën en waarnemingstheorieën.
- De cognitieve theorie : het is belangrijk om te begrijpen hoe mensen informatie over hun sociale
omgeving ontvangen/verwerken en welke invloed dit op hun gedrag heeft.
- De cognitieve dissonantietheorie (Festinger): dat mensen hun omgeving waarnemen en proberen
te interpreteren of dit met elkaar overeenkomt (dit wordt consistent genoemd). Bij
tegenstrijdigheden tussen kennis en interpretatie wordt dit cognitieve dissonantie genoemd.
- (Sociale) vergelijkingstheorie (Festinger): mensen zoeken bevestiging of bepaalde meningen of
opvattingen kloppen. Bijv. bij geen objectieve informatie, kijken of een mening klopt door
mensen te vragen. Een gezamenlijke mening overtuigd mensen sneller dat het klopt. Mensen die
binnen groep een afwijkende mening hebben (devianten), worden onder druk gezet. Sociale
werkelijkheid : als een groep een opmerking of mening vormt. Mensen worden vaak lid van een
groep die passen bij zijn/haar opvattingen.
- Mensen die ook belangrijk zijn geweest in de cognitieve theorie zijn Asch: onderzocht hoe
indrukken van anderen tot stand komen en hoe mensen omgaan met situaties. Thibaut en Asch
hebben de kosten en batentheorie opgericht.
1a2. Herkennen en onderscheiden hoe groepen ontstaan en wat de verschillen tussen groepen zijn
(Cooley, Satre)
Ontstaan van groepen :
- Ligt vaak buiten een groep zelf.
- Heeft vaak een militante kern: een groep ontstaat om juist iets bevorderen of te bestrijden.
- Nieuwe groepen kunnen spontaan ontstaan of door onvrede over de bestaande situaties.
- Mensen kunnen vrijwillig of onvrijwillig lid zijn van een groep.
- 2 redenen waarom mensen lid worden van groep: taakgerichte redenen (groepsdoelen,
activiteiten of privé doelen) of sociaal emotionele redenen: (gemeenschappelijk
waarden/normen of vriendschap opbouwen). Samen is dit de aantrekkingsgroep op een groep.
Mensen worden vaak lid van een groep om de belangen en behoeften te bevredigen.
Cooley en Sartre hebben o.a. geschreven over het ontstaan/ verschillen van groepen :
Filosoof Sartre
- Ziet groepen als een collectiviteit die ook weer kunnen verdwijnen.
- Groepen ontstaan als individuen zich bewust worden van gemeenschappelijke belangen en op
elkaar aangewezen zijn. (de bus komt niet, met vreemden overleg)
- Het is het mooist als een groep ontstaat via een revolutionaire opstand.
- Om een groep te blijven is het belangrijk dat een groep zich verder ontwikkeld en organiseert.
- Je kan een groep herkennen aan rechtstreekse communicatie, besef van het gemeenschappelijk
belang en gezamenlijk organiseren. Als dit verdwijnt, verdwijnt de groep.
Socioloog Cooley
- sprak over primaire groepen(persoonlijke/intieme relaties met direct contact) en secundaire
groepen (koele, onpersoonlijke, rationele en formele relaties).
, B : Modellen/ fasen en communicatieniveau ’s (Tuckman, Remmerswaal, Lewin, Schutz
1b1. Kennis van de verschillende fasen en niveaus in groepen en kan deze benoemen, onderscheiden
van elkaar en toepassen (Remmerswaal, Homans)
Zesfasen model Remmerswaal :
- Voorfase : de groep wordt ontworpen. De sociale omgeving van de aanstaande groep staat
centraal (context niveau). Hieruit wordt bepaald of en hoe de groep door zal gaan, ontstaan de
eerste contouren van delen. (bijv. waarom max 13 leerlingen per klas en niet 15) Korte fase, er is
even over nagedacht maar niet heel lang.
- Oriëntatiefase: er is onzekerheid over de taak, werkwijze en anderen in de groep. Er zijn
gevoelens van onveiligheid, afhankelijkheid en hulpeloosheid. Een basisthema is inclusie. Je
ontmoet elkaar voor de eerste keer en na kennismaking leer je elkaar steeds beter kennen. Wat
doe ik in deze groep, waar kom je vandaan. Deze fase is niet heel lang.
- Invloedsfase/machtsfase : er ontstaat aandacht voor het functioneren van de groep (bijv. wat vind
ik van mijn groepsleden, wie heeft het voor het zeggen, wie is de leider, wie is er veel aan het
woord en hoe ga je met spanningen om). Onderliggende betrekkingen op betrekkingsniveau
(binnenkant communicatie, mimiek etc.) centraal. Er is sprake van competitie onder elkaar,
waarbij groepsleden proberen elkaar te overtuigen. De groep maakt zelf afspraken over
procedures. Belangrijk woorden: invloed, macht, gezag, dominantie, verantwoordelijkheid.
Basisthema is controle.
- Affectiefase : verhoudingen tussen groepsleden komen nog centraler te staan. Groepsleden
reageren persoonlijker op elkaar en er is meer ruimte voor cohesie en intimiteit. Bij deze fase
horen vragen hoe persoonlijk zullen we met elkaar omgaan, afstand/ nabijheid, dieper niveau van
vertrouwen bereiken. Er komt meer ruimte voor bestaansniveau, eigen binnenwereld en
persoonlijke zingeving. Je kan vaker jezelf zijn in de groep.
- Autonome fase : de groep is tot volle rijping gekomen. Door de vorige fase is er meer
vertrouwdheid met elkaar waardoor er ruimte is er nu ruimte voor persoonlijke ervaringen en het
nemen van initiatieven waardoor leden zich kwetsbaarder opstellen. De meeste aandacht gaat
naar individuele groepsleden. Het bestaansniveau staat centraal. Basisthema is commitment.
- Afsluitingsfase : de groep houd op met bestaan. Er wordt aandacht besteed aan evaluatie van de
taak, resultaat van de doelen en beëindigen van relaties. bijv. laatste bijeenkomst/ afgeronde
taak.
Homans :
Externe systeem : Interne systeem
Alles in de groep (o.a. activiteiten, interactie en Alle activiteiten, interacties en gevoelens vloeien
gevoelens) om de groep te laten voortbestaan voort uit het interne groep functioneren (heet intern,
(vervullen van taak / bereiken groepsdoel. omdat het niet wordt bepaalt door de buitenwereld).
Hierdoor ontstaat een formele groepsstructuur Groepsgedrag bestaat uit de uiting van wederzijdse
met een werkverdeling en leiderschap hiërarchie. gevoelens tussen leden van de groep.
Formele leider staat centraal, bewaakt resultaten informele leider/groepsstructuur
Taak oriëntatie/ activiteit Sociaal-emotionele aspecten
Wat word er gedaan Hoe gaan leden met elkaar om
Hoofdonderwerpen (nummers) deelonderwerpen (letters)
1. Groepsdynamica algemeen (7 pag.)
a. Ontwikkeling groepsdynamica
b. Modellen/ fasen en communicatieniveau ’s (Tuckman Remmerswaal, Lewin, Schutz)
2. Communicatie (5 pag.)
a. Communicatie axioma’s (Watzlawick, Schulz von Thun, Bion).
b. Afweermechanismen (de groep als container – Bion)
c. Interactieproces analyse, communicatie in groepen (Bales, Goldstein, Festinger)
3. Conflicten (5 pag.)
a. Wat is een conflict
b. Johari venster
c. Feedback
4. Leiderschap (10 pag.)
a. Systeemtheorie
b. Roos van Leary
c. Leiderschapsstijlen
5. Teams en teamrollen (5 pag.)
a. Team en groepsrollen (Benne en Sheats, Belbin)
b. Thema gecentreerde interactie TGI (R.Cohn)
c. Fluïde teams
6. Integrale procesbegeleiding (2 pag.)
a. Afsluitingstaken
b. Onderlinge samenhang van fasen en niveaus
,1 : Groepsdynamica algemeen
A : ontwikkeling groepsdynamica
1a1 :De student kan de verschillende hoofdstromingen binnen de groepsdynamica opnoemen en
onderscheiden : (hoofdstromingen groepsdynamica : veldtheorie, psychoanalytische benadering,
sociometrische benadering, interactie theorie, algemene psychologie).
Veldtheorie(Lewin):
- Gaat ervan uit dat er krachtenveld is die invloed heeft op het gedrag van een groep (+ leden)
- Lewin noemt de structuur van het veld ook wel dynamisch spanningsveld (krachten die spelen
binnen een groep en elkaar ook in evenwicht houden).
- In groepen zijn er veranderings bevorderende/remmende krachten. Lewin verklaart
veranderingen en stabiliteit in groepen met 2 begrippen. Dynamische interdepenentie : als de
situatie voor een groepslid verandert, verandert situatie ook voor andere groepsleden (groep als
dynamisch geheel). Quasi stationair evenwicht : een soort evenwicht dat zich aanpast aan kleine
schommelingen maar zich verzet tegen grote schommelingen. Als er geen evenwicht in de groep
is, zal er spanning ervaren worden. De groep wil terug naar het oude/ een nieuwe evenwicht.
- De veldtheorie heeft veel overeenkomsten met de gestaltetheorie (is veel ouder) De
gestaltpsychologie legt de nadruk op de relaties tussen delen en het geheel. Lewin studeerde
tijdens zijn psychologieopleiding in Duitsland bij de grondleggers van de gestaltpsychologie.
Psychoanalytische benadering (Bion, Thelen)
- Houdt zich vooral bezig met motivatieprocessen en de afweermechanismen van een individu.
- Freud een belangrijke grondlegger van deze theorie.
- Er wordt een onderscheid gemaakt tussen manifeste niveau(direct waarneembaar gedrag) en
latente niveau (onbewuste deel, in de tent). Ook in groepen zijn er onbewuste belevingen,
verlangens, angsten enzovoort. Bion heeft de basisassumpties in groepen ontwikkeld.
Sociometrische benadering (Moreno) (1930)
- Kijkt vooral naar de sociale en emotionele kanten van persoonlijke relaties tussen groepsleden.
- Er wordt gebruik gemaakt van een sociogram (vragenlijst hoe je andere groepsleden ziet). Zie je
bijv. een groepslid als vriend of collega.
Interactie theorie (Bales, Homans)
- Zij zien de groep als een systeem waar interactie plaatsvindt tussen de individuen in de groep.
- Bales is vooral bekend geworden door zijn interactieanalyse aan de hand van een
observatieschema waarin hij sociaal-, emotioneel- en taak gebied scheid (BOB model)
- Bales heeft veel onderzoek gedaan naar communicatie binnen groepen, leidergevingstijlen,
statusverschillen en invloed van de grootte van een groep.
- Homans maakte onderscheid tussen interne (relatie) en externe (taak) systemen/groepen. hij
stelde verschillende hypothese, belangrijkste is de sociaal contacthypothese/interactiehypothese
(hoe meer interacties tussen groepsleden, hoe meer onderlinge genegenheid). Deze
genegenheid zorgt ook ervoor dat het aantal interacties nog meer toeneemt.
,Algemene psychologie:
- Voorbeelden van theorieën uit de psychologie zijn leertheorieën en waarnemingstheorieën.
- De cognitieve theorie : het is belangrijk om te begrijpen hoe mensen informatie over hun sociale
omgeving ontvangen/verwerken en welke invloed dit op hun gedrag heeft.
- De cognitieve dissonantietheorie (Festinger): dat mensen hun omgeving waarnemen en proberen
te interpreteren of dit met elkaar overeenkomt (dit wordt consistent genoemd). Bij
tegenstrijdigheden tussen kennis en interpretatie wordt dit cognitieve dissonantie genoemd.
- (Sociale) vergelijkingstheorie (Festinger): mensen zoeken bevestiging of bepaalde meningen of
opvattingen kloppen. Bijv. bij geen objectieve informatie, kijken of een mening klopt door
mensen te vragen. Een gezamenlijke mening overtuigd mensen sneller dat het klopt. Mensen die
binnen groep een afwijkende mening hebben (devianten), worden onder druk gezet. Sociale
werkelijkheid : als een groep een opmerking of mening vormt. Mensen worden vaak lid van een
groep die passen bij zijn/haar opvattingen.
- Mensen die ook belangrijk zijn geweest in de cognitieve theorie zijn Asch: onderzocht hoe
indrukken van anderen tot stand komen en hoe mensen omgaan met situaties. Thibaut en Asch
hebben de kosten en batentheorie opgericht.
1a2. Herkennen en onderscheiden hoe groepen ontstaan en wat de verschillen tussen groepen zijn
(Cooley, Satre)
Ontstaan van groepen :
- Ligt vaak buiten een groep zelf.
- Heeft vaak een militante kern: een groep ontstaat om juist iets bevorderen of te bestrijden.
- Nieuwe groepen kunnen spontaan ontstaan of door onvrede over de bestaande situaties.
- Mensen kunnen vrijwillig of onvrijwillig lid zijn van een groep.
- 2 redenen waarom mensen lid worden van groep: taakgerichte redenen (groepsdoelen,
activiteiten of privé doelen) of sociaal emotionele redenen: (gemeenschappelijk
waarden/normen of vriendschap opbouwen). Samen is dit de aantrekkingsgroep op een groep.
Mensen worden vaak lid van een groep om de belangen en behoeften te bevredigen.
Cooley en Sartre hebben o.a. geschreven over het ontstaan/ verschillen van groepen :
Filosoof Sartre
- Ziet groepen als een collectiviteit die ook weer kunnen verdwijnen.
- Groepen ontstaan als individuen zich bewust worden van gemeenschappelijke belangen en op
elkaar aangewezen zijn. (de bus komt niet, met vreemden overleg)
- Het is het mooist als een groep ontstaat via een revolutionaire opstand.
- Om een groep te blijven is het belangrijk dat een groep zich verder ontwikkeld en organiseert.
- Je kan een groep herkennen aan rechtstreekse communicatie, besef van het gemeenschappelijk
belang en gezamenlijk organiseren. Als dit verdwijnt, verdwijnt de groep.
Socioloog Cooley
- sprak over primaire groepen(persoonlijke/intieme relaties met direct contact) en secundaire
groepen (koele, onpersoonlijke, rationele en formele relaties).
, B : Modellen/ fasen en communicatieniveau ’s (Tuckman, Remmerswaal, Lewin, Schutz
1b1. Kennis van de verschillende fasen en niveaus in groepen en kan deze benoemen, onderscheiden
van elkaar en toepassen (Remmerswaal, Homans)
Zesfasen model Remmerswaal :
- Voorfase : de groep wordt ontworpen. De sociale omgeving van de aanstaande groep staat
centraal (context niveau). Hieruit wordt bepaald of en hoe de groep door zal gaan, ontstaan de
eerste contouren van delen. (bijv. waarom max 13 leerlingen per klas en niet 15) Korte fase, er is
even over nagedacht maar niet heel lang.
- Oriëntatiefase: er is onzekerheid over de taak, werkwijze en anderen in de groep. Er zijn
gevoelens van onveiligheid, afhankelijkheid en hulpeloosheid. Een basisthema is inclusie. Je
ontmoet elkaar voor de eerste keer en na kennismaking leer je elkaar steeds beter kennen. Wat
doe ik in deze groep, waar kom je vandaan. Deze fase is niet heel lang.
- Invloedsfase/machtsfase : er ontstaat aandacht voor het functioneren van de groep (bijv. wat vind
ik van mijn groepsleden, wie heeft het voor het zeggen, wie is de leider, wie is er veel aan het
woord en hoe ga je met spanningen om). Onderliggende betrekkingen op betrekkingsniveau
(binnenkant communicatie, mimiek etc.) centraal. Er is sprake van competitie onder elkaar,
waarbij groepsleden proberen elkaar te overtuigen. De groep maakt zelf afspraken over
procedures. Belangrijk woorden: invloed, macht, gezag, dominantie, verantwoordelijkheid.
Basisthema is controle.
- Affectiefase : verhoudingen tussen groepsleden komen nog centraler te staan. Groepsleden
reageren persoonlijker op elkaar en er is meer ruimte voor cohesie en intimiteit. Bij deze fase
horen vragen hoe persoonlijk zullen we met elkaar omgaan, afstand/ nabijheid, dieper niveau van
vertrouwen bereiken. Er komt meer ruimte voor bestaansniveau, eigen binnenwereld en
persoonlijke zingeving. Je kan vaker jezelf zijn in de groep.
- Autonome fase : de groep is tot volle rijping gekomen. Door de vorige fase is er meer
vertrouwdheid met elkaar waardoor er ruimte is er nu ruimte voor persoonlijke ervaringen en het
nemen van initiatieven waardoor leden zich kwetsbaarder opstellen. De meeste aandacht gaat
naar individuele groepsleden. Het bestaansniveau staat centraal. Basisthema is commitment.
- Afsluitingsfase : de groep houd op met bestaan. Er wordt aandacht besteed aan evaluatie van de
taak, resultaat van de doelen en beëindigen van relaties. bijv. laatste bijeenkomst/ afgeronde
taak.
Homans :
Externe systeem : Interne systeem
Alles in de groep (o.a. activiteiten, interactie en Alle activiteiten, interacties en gevoelens vloeien
gevoelens) om de groep te laten voortbestaan voort uit het interne groep functioneren (heet intern,
(vervullen van taak / bereiken groepsdoel. omdat het niet wordt bepaalt door de buitenwereld).
Hierdoor ontstaat een formele groepsstructuur Groepsgedrag bestaat uit de uiting van wederzijdse
met een werkverdeling en leiderschap hiërarchie. gevoelens tussen leden van de groep.
Formele leider staat centraal, bewaakt resultaten informele leider/groepsstructuur
Taak oriëntatie/ activiteit Sociaal-emotionele aspecten
Wat word er gedaan Hoe gaan leden met elkaar om