Vraag 1
De Staatscommissie Grondwet stelde in 2010 voor om in de Grondwet de
volgende bepaling op te nemen:
Artikel X
1. Beperkingen van grondrechten gaan niet verder dan het doel van de beperking
vereist.
2. De kern van grondrechten wordt niet aangetast.
Geef twee argumenten tegen het opnemen van het tweede lid van de
voorgestelde bepaling in de Grondwet.
Antwoordmodel:
Definitie: het tweede lid bevat een kernrechtbenadering (hoorcollege week 1). De
kernrechtbenadering houdt in dat de kern of essentie van een grondrecht niet
mag worden beperkt in tegenstelling tot de perifere delen van het grondrecht
(1).
Twee argumenten (er zijn meerdere dan hieronder aangegeven mogelijk, maar
het hangt van de kwaliteit van het argument af of en hoeveel er punten zijn
toegekend):
Het is heel lastig te bepalen wat de kern van een grondrecht omvat. De
grondwetgever en de rechter zullen dit niet duidelijk in abstracto kunnen
afbakenen. (2 punten)
De bepaling is overbodig omdat de proportionaliteitstoets van het eerste
lid naar verwachting zo goed als steeds tot dezelfde uitkomst zal leiden als
de kernrechtbepaling. Ook de proportionaliteitstoets zal immers verlangen
dat tegenover een inbreuk die de essentie van een grondrecht aanast een
buitengewoon overtuigend verhaal staat over waarom die inbreuk
noodzakelijk is. Via de kernrechtbenadering en via de
proportionaliteitstoets zal een rechter in dat soort gevallen waarschijnlijk
concluderen dat sprake is van een schending. (2 punten)
NB 1. Veel studenten vergeten de kernrechtbenadering toe te lichten en
gaan direct over naar de argumenten.
NB 2. De tentamenvraag is zo geformuleerd dat het studenten moet
aanzetten tot nadenken over het betreffende lid 2 van art. X, en niet
, over de vraag waarom het in zijn algemeenheid het geen goed idee zou
zijn om een kernrechtbenadering in de Grondwet vast te leggen. Dit
betekent dat studenten in elk geval óók aan de hand van de tekst van art.
X, dus zowel lid 1 en lid 2, moeten beredeneren waarom het geen goed
idee is en niet slechts kunnen volstaan met algemene noties over de
kernrechtbenadering.
NB 3. Indien je 4 punten hebt toegekend gekregen, dan is het vaak zo dat
je wel twee argumenten hebt genoemd die ieder 2 punten waard zijn,
maar onvoldoende duidelijk hebt gemaakt wat de definitie van de
kernrechtbenadering is (dat 1 punt waard is).
NB 4. Ten onrechte menen sommige studenten dat het opnemen van een
kernrechtbepaling de grondrechten absoluut maken en beperkingen in het
geheel niet meer mogelijk zijn. Dat is enkel het geval voor het kerngedeelte. Voor
het perifere deel blijven beperkingen mogelijk. Om die reden kunnen
argumenten hierop gebaseerd geen punten krijgen, maar dat hangt ook af van
de kwaliteit van de formulering.
Vraag 2
Bassie Adriaansen is redacteur bij een uitgever van science fiction-boeken. Zijn
werk bestaat hoofdzakelijk uit het proeflezen en waar nodig corrigeren van
manuscripten. Recent is hij bekeerd tot het Rastafarisme, ter belijdenis waarvan
hij dagelijks in de koffiepauze een joint met hasjiesj oprookt. Zijn werkgever
betwist niet dat het roken van een dergelijke joint behoort tot een van de
sacramenten van deze godsdienst. Hij meent echter dat Bassie sinds zijn
bekering wel erg slordig is geworden en er vele taalfouten aan zijn aandacht
ontsnappen. Het gebruik van bedwelmende middelen onder werktijd is zijns
inziens geen teken van goed werknemerschap. Na vele berispingen krijgt Bassie
ontslag, waarop hij een rechtszaak aanspant: zijn baas zou zijn godsdienstvrijheid
inperken. De civiele rechter is dit op zich met hem eens, maar komt tot de
volgende slotsom:
‘Het recht op vrijheid van godsdienst als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Grondwet
kan echter worden beperkt door de wetgever in formele zin, gelet op de clausule
“behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Daarin is met
betrekking tot arbeidsrelaties voorzien, onder meer in artikel 7:611 van het
Burgerlijk Wetboek (“De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een
goed werkgever en een goed werknemer te gedragen”). De beperking is derhalve
rechtmatig.’
Leg uit welk grondrechtelijk leerstuk de rechter hier toepast. Wees zo specifiek
mogelijk.
De Staatscommissie Grondwet stelde in 2010 voor om in de Grondwet de
volgende bepaling op te nemen:
Artikel X
1. Beperkingen van grondrechten gaan niet verder dan het doel van de beperking
vereist.
2. De kern van grondrechten wordt niet aangetast.
Geef twee argumenten tegen het opnemen van het tweede lid van de
voorgestelde bepaling in de Grondwet.
Antwoordmodel:
Definitie: het tweede lid bevat een kernrechtbenadering (hoorcollege week 1). De
kernrechtbenadering houdt in dat de kern of essentie van een grondrecht niet
mag worden beperkt in tegenstelling tot de perifere delen van het grondrecht
(1).
Twee argumenten (er zijn meerdere dan hieronder aangegeven mogelijk, maar
het hangt van de kwaliteit van het argument af of en hoeveel er punten zijn
toegekend):
Het is heel lastig te bepalen wat de kern van een grondrecht omvat. De
grondwetgever en de rechter zullen dit niet duidelijk in abstracto kunnen
afbakenen. (2 punten)
De bepaling is overbodig omdat de proportionaliteitstoets van het eerste
lid naar verwachting zo goed als steeds tot dezelfde uitkomst zal leiden als
de kernrechtbepaling. Ook de proportionaliteitstoets zal immers verlangen
dat tegenover een inbreuk die de essentie van een grondrecht aanast een
buitengewoon overtuigend verhaal staat over waarom die inbreuk
noodzakelijk is. Via de kernrechtbenadering en via de
proportionaliteitstoets zal een rechter in dat soort gevallen waarschijnlijk
concluderen dat sprake is van een schending. (2 punten)
NB 1. Veel studenten vergeten de kernrechtbenadering toe te lichten en
gaan direct over naar de argumenten.
NB 2. De tentamenvraag is zo geformuleerd dat het studenten moet
aanzetten tot nadenken over het betreffende lid 2 van art. X, en niet
, over de vraag waarom het in zijn algemeenheid het geen goed idee zou
zijn om een kernrechtbenadering in de Grondwet vast te leggen. Dit
betekent dat studenten in elk geval óók aan de hand van de tekst van art.
X, dus zowel lid 1 en lid 2, moeten beredeneren waarom het geen goed
idee is en niet slechts kunnen volstaan met algemene noties over de
kernrechtbenadering.
NB 3. Indien je 4 punten hebt toegekend gekregen, dan is het vaak zo dat
je wel twee argumenten hebt genoemd die ieder 2 punten waard zijn,
maar onvoldoende duidelijk hebt gemaakt wat de definitie van de
kernrechtbenadering is (dat 1 punt waard is).
NB 4. Ten onrechte menen sommige studenten dat het opnemen van een
kernrechtbepaling de grondrechten absoluut maken en beperkingen in het
geheel niet meer mogelijk zijn. Dat is enkel het geval voor het kerngedeelte. Voor
het perifere deel blijven beperkingen mogelijk. Om die reden kunnen
argumenten hierop gebaseerd geen punten krijgen, maar dat hangt ook af van
de kwaliteit van de formulering.
Vraag 2
Bassie Adriaansen is redacteur bij een uitgever van science fiction-boeken. Zijn
werk bestaat hoofdzakelijk uit het proeflezen en waar nodig corrigeren van
manuscripten. Recent is hij bekeerd tot het Rastafarisme, ter belijdenis waarvan
hij dagelijks in de koffiepauze een joint met hasjiesj oprookt. Zijn werkgever
betwist niet dat het roken van een dergelijke joint behoort tot een van de
sacramenten van deze godsdienst. Hij meent echter dat Bassie sinds zijn
bekering wel erg slordig is geworden en er vele taalfouten aan zijn aandacht
ontsnappen. Het gebruik van bedwelmende middelen onder werktijd is zijns
inziens geen teken van goed werknemerschap. Na vele berispingen krijgt Bassie
ontslag, waarop hij een rechtszaak aanspant: zijn baas zou zijn godsdienstvrijheid
inperken. De civiele rechter is dit op zich met hem eens, maar komt tot de
volgende slotsom:
‘Het recht op vrijheid van godsdienst als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Grondwet
kan echter worden beperkt door de wetgever in formele zin, gelet op de clausule
“behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Daarin is met
betrekking tot arbeidsrelaties voorzien, onder meer in artikel 7:611 van het
Burgerlijk Wetboek (“De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een
goed werkgever en een goed werknemer te gedragen”). De beperking is derhalve
rechtmatig.’
Leg uit welk grondrechtelijk leerstuk de rechter hier toepast. Wees zo specifiek
mogelijk.