Leerdoelen SEP
Hoorcollege 1:
• Afwijkend gedrag kunnen definiëren
Gedrag is afwijkend als het:
- Wel vertoond wordt terwijl het niet zou moeten
- Niet vertoond wordt terwijl het wel zou moeten
Dit is context afhankelijk en verandert continu, het verschilt ook per cultuur en leeftijd.
Het is een stoornis als:
- Langdurig is het niet situatie gebonden
- Het de overgang naar fasen/taken blokkeert, de ontwikkeling blokkeert
- Aanzienlijk lijden oplevert voor jezelf of voor je omgeving
- In bepaalde combinaties van gedragingen/symptomen voorkomt
• Kunnen omschrijven wat het perspectief van ontwikkelingspsychopathologie inhoudt
Het gaat over het verband van ontwikkeling en psychische stoornissen. Het wilt vragen
beantwoorden van:
- Wanneer wordt niet-afwijkend gedrag, wel afwijkend gedrag
- Waar zit het omkeerpunt en hoe verloopt dit?
Dit verschilt allemaal per stoornis en persoonlijkheid.
De stoornis heeft effect op de ontwikkeling en de ontwikkeling heeft invloed op het verloop
van de stoornis.
• Herkennen en definiëren wat prevalentie en incidentie is
Prevalentie: bestaande gevallen met een bepaald ziektebeeld in een bepaalde periode.
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen met een bepaald ziektebeeld in een bepaalde periode.
Incidentie is zeg maar wat erbij komt bij de prevalentie.
Recurrence: mensen die herstellen maar toch weer opnieuw het ziektebeeld ervaren.
Mortality: mensen die blijvend herstellen maar wel de schade blijven ondervinden.
• Verschillende etiologische factoren herkennen en identificeren
Etiologie kijkt naar de factoren die een rol spelen bij het ontstaan of instand houden van
afwijkend gedrag. Dit zijn 4 factoren:
- Predisponerende factoren: factoren die het kind vatbaar maken, het is niet meteen de
aanleiding maar kan het kind kwetsbaarder en gevoeliger maken. Voorbeelden:
genetische kwetsbaarheid, lage eigenwaarde, hechting, lage intelligentie.
- Instandhoudende factoren: als een probleem al bestaat zorgen deze factoren ervoor dat
dat zo blijft. Voorbeelden: biologische processen, problemen in de familie, verslaving
- Uitlokkende factoren: factoren die voorafgaan aan psychologische problemen en dit
kan een trigger vormen voor probleemgedrag. Voorbeelden: scheiding ouders,
verhuizen, pesten, misbruik.
- Beschermende factoren: kunnen de ontwikkeling van psychologische problemen
voorkomen en of het effect van risicofactoren verminderen. Deze factoren
karakteriseren kinderen met veerkracht. Voorbeelden: hoog IQ, positieve
persoonlijkheid en steun van familie.
Deze factoren kunnen contextueel (omgevings) en persoonlijk zijn. Persoonlijk is in twee
vormen te delen: biologisch en psychologisch. Je kan niet praten over causaliteit, factoren
kunnen namelijk een bijdrage leveren maar je kan niet zeggen het is de oorzaak.
• Begrijpen wat classiferen + het doel ervan is
,Binnen classificeren richt je je op symptomen: het kleinst beschrijfbare onderzoekseenheid en
is te beschouwen als ziekteteken -> kleinst waarneembare aspect van gedrag dat afwijkend is.
Te verdelen in 2 vormen:
- Hoofdsymptomen: direct oriënterende functie voor de diagnose. Zonder kan je niet
spreken van een specifiek stoornis.
- Bij-symptoom: deze maken het beeld van de stoornis volledig zonder direct
richtinggevend te zijn.
Doel van classificeren:
- Faciliteert expertise en de ontwikkeling van informatie zorgt voor eenduidigheid bij
onderzoekers.
- Zorgt voor efficiëntie en geeft een samenvatting.
- Het bevordert de communicatie tussen professionals en Evidence-based
behandelingen.
- Het is mogelijk om aansluiting te vinden bij theorieën in de literatuur.
Classificeren is niet diagnostiseren, je kijkt of iemand voldoet aan de vooraf opgestelde
criteria.
3 vormen van classificeren:
- Categoriaal -> DSM
- Dimensionaal
- Systeembenadering
5 assen van DSM-5:
1. Klinische stoornissen: voorbijgaande aard (angst, depressie)
2. Persoonlijkheidsstoornissen en zwakzinnigheid: niet van voorbijgaande aard.
3. Somatische aandoeningen
4. Psychosociale en omgevingsproblemen
5. Algehele beoordeling van het functioneren (GAF score)
• Belang van de context kunnen herkennen en omschrijven
Je kan individuen en gedrag niet los zien van de context waarin zij ontwikkelen
Het geeft een beter beeld van de risicofactoren en de beschermende factoren. Als je
puur op de DSM-classificatie richt, dan kan je belangrijke info missen
Model van Bronfenbrenner
• Kunnen herkennen en omschrijven wanneer stemming afwijkend is
Stemming is afwijkend wanneer:
- Het context-onafhankelijk is
- Het de kwantitatieve of kwalitatieve norm overschrijdt
- Het disproportioneel is
- Het onderscheiden kan worden van een emotie
- Er is sprake van toename van ernst in de loop van de tijd
- Het andere terreinen verstoord of beïnvloedt
- Het niet te beïnvloeden is
o Machteloosheid en hopeloosheid
Stemming valt in de DSM onder 2 verschillende categorieën van stoornissen: depressieve en
bipolaire stoornissen.
, • De prevalentie van stemmingsproblemen kunnen beschrijven
Er is sprake van toename per leeftijd, sociale druk neemt toe en daarom ook negatieve
attributies en objectconstantie.
Meer meiden/vrouwen met stemmingsstoornissen:
- Hormonaal: meer behoefte aan verbondenheid -> kwetsbaarheid
- Fysiek: meer druk op volwassen gedrag dat past bij het uiterlijk
- Rollen binnen het systeem: meer emotionele opvoeding
- Toename met afhankelijk life events en in interpersoonlijke sfeer (hoge emotionaliteit)
• Kenmerken van stemmingsstoornissen kunnen herkennen en omschrijven
Je moet voldoen aan minstens 1 hoofdsymptoom:
- Sombere stemming
- Verlies van interesse of plezier
Je moet voldoen aan minstens 3/4 bij-symptomen
- Significant gewichtsverlies of gewichtstoename of toegenomen/afgenomen eetlust
- Insomnia of hypersomnia bijna elke dag
- Psychomotorische agitatie of vertraging
- Vermoeidheid of verlies van energie, bijna elke dag
- Gevoelens van waardeloosheid, schuldgevoelens, bijna elke dag
- Verminderd vermogen tot nadenken, concentreren, besluiteloosheid.
- Recidiverende gedachten aan de dood, recidiverende gedachte aan suïcide zonder
concreet plan of specifiek plan om suïcide te plegen.
Gedurende dezelfde periode van 2 weken.
Hoorcollege 2:
• Kenmerken en oorzaken van angststoornissen beschrijven, benoemen en uitleggen
Angst is een stoornis wanneer: het niet meer fasespecifiek en adaptief is, het persistent van
aard, er geen geruststelling of oplossing mogelijk is, grote problemen veroorzaakt, geen
sprake van vrijwillige controle en vermijdingsreacties belemmeren verdere ontwikkeling.
2 zaken van angst: vermijden en veiligheidsgedrag
Angststoornissen in kindertijd en adolescentie (beetje op volgorde van jonge naar oudere
kinderen):
Separatieangststoornis: angst om weg te zijn bij de ouder. Niet bij de ontwikkeling passend of
overdreven angst voor scheiding van thuis of hechtingsfiguur, blijkend uit ten minste 3:
o Extreme ontregeling (angst, paniek, boosheid, huilen) bij anticipatie van
scheiding van thuis of hechtingsfiguren
o Bezorgdheid over letsel/kwaad tav. Hechtingsfiguur
o Bezorgdheid over gebeurtenissen die kunnen leiden tot scheiding
o Extreme angst alleen thuis te zijn
o Angst om weg van huis te zijn: school, elders spelen
o Angst om te logeren of alleen te slapen
o Nachtmerries over scheiding
o Lichamelijke klachten bij naderende scheiding
o Separatie angst op 1 jaar op piek.
Tenminste 4 weken bij kinderen (niet weekje na de zomervakantie of verhuizing
moeite), bij adolescenten 6 maanden. Extreme lijdenslast en niet verklaarbaar door
andere aandoening. Separatieangst op 1 jaar op piek, na 8 jaar problematisch.
Hoorcollege 1:
• Afwijkend gedrag kunnen definiëren
Gedrag is afwijkend als het:
- Wel vertoond wordt terwijl het niet zou moeten
- Niet vertoond wordt terwijl het wel zou moeten
Dit is context afhankelijk en verandert continu, het verschilt ook per cultuur en leeftijd.
Het is een stoornis als:
- Langdurig is het niet situatie gebonden
- Het de overgang naar fasen/taken blokkeert, de ontwikkeling blokkeert
- Aanzienlijk lijden oplevert voor jezelf of voor je omgeving
- In bepaalde combinaties van gedragingen/symptomen voorkomt
• Kunnen omschrijven wat het perspectief van ontwikkelingspsychopathologie inhoudt
Het gaat over het verband van ontwikkeling en psychische stoornissen. Het wilt vragen
beantwoorden van:
- Wanneer wordt niet-afwijkend gedrag, wel afwijkend gedrag
- Waar zit het omkeerpunt en hoe verloopt dit?
Dit verschilt allemaal per stoornis en persoonlijkheid.
De stoornis heeft effect op de ontwikkeling en de ontwikkeling heeft invloed op het verloop
van de stoornis.
• Herkennen en definiëren wat prevalentie en incidentie is
Prevalentie: bestaande gevallen met een bepaald ziektebeeld in een bepaalde periode.
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen met een bepaald ziektebeeld in een bepaalde periode.
Incidentie is zeg maar wat erbij komt bij de prevalentie.
Recurrence: mensen die herstellen maar toch weer opnieuw het ziektebeeld ervaren.
Mortality: mensen die blijvend herstellen maar wel de schade blijven ondervinden.
• Verschillende etiologische factoren herkennen en identificeren
Etiologie kijkt naar de factoren die een rol spelen bij het ontstaan of instand houden van
afwijkend gedrag. Dit zijn 4 factoren:
- Predisponerende factoren: factoren die het kind vatbaar maken, het is niet meteen de
aanleiding maar kan het kind kwetsbaarder en gevoeliger maken. Voorbeelden:
genetische kwetsbaarheid, lage eigenwaarde, hechting, lage intelligentie.
- Instandhoudende factoren: als een probleem al bestaat zorgen deze factoren ervoor dat
dat zo blijft. Voorbeelden: biologische processen, problemen in de familie, verslaving
- Uitlokkende factoren: factoren die voorafgaan aan psychologische problemen en dit
kan een trigger vormen voor probleemgedrag. Voorbeelden: scheiding ouders,
verhuizen, pesten, misbruik.
- Beschermende factoren: kunnen de ontwikkeling van psychologische problemen
voorkomen en of het effect van risicofactoren verminderen. Deze factoren
karakteriseren kinderen met veerkracht. Voorbeelden: hoog IQ, positieve
persoonlijkheid en steun van familie.
Deze factoren kunnen contextueel (omgevings) en persoonlijk zijn. Persoonlijk is in twee
vormen te delen: biologisch en psychologisch. Je kan niet praten over causaliteit, factoren
kunnen namelijk een bijdrage leveren maar je kan niet zeggen het is de oorzaak.
• Begrijpen wat classiferen + het doel ervan is
,Binnen classificeren richt je je op symptomen: het kleinst beschrijfbare onderzoekseenheid en
is te beschouwen als ziekteteken -> kleinst waarneembare aspect van gedrag dat afwijkend is.
Te verdelen in 2 vormen:
- Hoofdsymptomen: direct oriënterende functie voor de diagnose. Zonder kan je niet
spreken van een specifiek stoornis.
- Bij-symptoom: deze maken het beeld van de stoornis volledig zonder direct
richtinggevend te zijn.
Doel van classificeren:
- Faciliteert expertise en de ontwikkeling van informatie zorgt voor eenduidigheid bij
onderzoekers.
- Zorgt voor efficiëntie en geeft een samenvatting.
- Het bevordert de communicatie tussen professionals en Evidence-based
behandelingen.
- Het is mogelijk om aansluiting te vinden bij theorieën in de literatuur.
Classificeren is niet diagnostiseren, je kijkt of iemand voldoet aan de vooraf opgestelde
criteria.
3 vormen van classificeren:
- Categoriaal -> DSM
- Dimensionaal
- Systeembenadering
5 assen van DSM-5:
1. Klinische stoornissen: voorbijgaande aard (angst, depressie)
2. Persoonlijkheidsstoornissen en zwakzinnigheid: niet van voorbijgaande aard.
3. Somatische aandoeningen
4. Psychosociale en omgevingsproblemen
5. Algehele beoordeling van het functioneren (GAF score)
• Belang van de context kunnen herkennen en omschrijven
Je kan individuen en gedrag niet los zien van de context waarin zij ontwikkelen
Het geeft een beter beeld van de risicofactoren en de beschermende factoren. Als je
puur op de DSM-classificatie richt, dan kan je belangrijke info missen
Model van Bronfenbrenner
• Kunnen herkennen en omschrijven wanneer stemming afwijkend is
Stemming is afwijkend wanneer:
- Het context-onafhankelijk is
- Het de kwantitatieve of kwalitatieve norm overschrijdt
- Het disproportioneel is
- Het onderscheiden kan worden van een emotie
- Er is sprake van toename van ernst in de loop van de tijd
- Het andere terreinen verstoord of beïnvloedt
- Het niet te beïnvloeden is
o Machteloosheid en hopeloosheid
Stemming valt in de DSM onder 2 verschillende categorieën van stoornissen: depressieve en
bipolaire stoornissen.
, • De prevalentie van stemmingsproblemen kunnen beschrijven
Er is sprake van toename per leeftijd, sociale druk neemt toe en daarom ook negatieve
attributies en objectconstantie.
Meer meiden/vrouwen met stemmingsstoornissen:
- Hormonaal: meer behoefte aan verbondenheid -> kwetsbaarheid
- Fysiek: meer druk op volwassen gedrag dat past bij het uiterlijk
- Rollen binnen het systeem: meer emotionele opvoeding
- Toename met afhankelijk life events en in interpersoonlijke sfeer (hoge emotionaliteit)
• Kenmerken van stemmingsstoornissen kunnen herkennen en omschrijven
Je moet voldoen aan minstens 1 hoofdsymptoom:
- Sombere stemming
- Verlies van interesse of plezier
Je moet voldoen aan minstens 3/4 bij-symptomen
- Significant gewichtsverlies of gewichtstoename of toegenomen/afgenomen eetlust
- Insomnia of hypersomnia bijna elke dag
- Psychomotorische agitatie of vertraging
- Vermoeidheid of verlies van energie, bijna elke dag
- Gevoelens van waardeloosheid, schuldgevoelens, bijna elke dag
- Verminderd vermogen tot nadenken, concentreren, besluiteloosheid.
- Recidiverende gedachten aan de dood, recidiverende gedachte aan suïcide zonder
concreet plan of specifiek plan om suïcide te plegen.
Gedurende dezelfde periode van 2 weken.
Hoorcollege 2:
• Kenmerken en oorzaken van angststoornissen beschrijven, benoemen en uitleggen
Angst is een stoornis wanneer: het niet meer fasespecifiek en adaptief is, het persistent van
aard, er geen geruststelling of oplossing mogelijk is, grote problemen veroorzaakt, geen
sprake van vrijwillige controle en vermijdingsreacties belemmeren verdere ontwikkeling.
2 zaken van angst: vermijden en veiligheidsgedrag
Angststoornissen in kindertijd en adolescentie (beetje op volgorde van jonge naar oudere
kinderen):
Separatieangststoornis: angst om weg te zijn bij de ouder. Niet bij de ontwikkeling passend of
overdreven angst voor scheiding van thuis of hechtingsfiguur, blijkend uit ten minste 3:
o Extreme ontregeling (angst, paniek, boosheid, huilen) bij anticipatie van
scheiding van thuis of hechtingsfiguren
o Bezorgdheid over letsel/kwaad tav. Hechtingsfiguur
o Bezorgdheid over gebeurtenissen die kunnen leiden tot scheiding
o Extreme angst alleen thuis te zijn
o Angst om weg van huis te zijn: school, elders spelen
o Angst om te logeren of alleen te slapen
o Nachtmerries over scheiding
o Lichamelijke klachten bij naderende scheiding
o Separatie angst op 1 jaar op piek.
Tenminste 4 weken bij kinderen (niet weekje na de zomervakantie of verhuizing
moeite), bij adolescenten 6 maanden. Extreme lijdenslast en niet verklaarbaar door
andere aandoening. Separatieangst op 1 jaar op piek, na 8 jaar problematisch.