Samenvatting BVO – Begrippenlijst
Hoofdstuk 3: Beeldend onderwijs
Zichtbare wereld: de wereld die door mensen is vormgegeven opgebouwd uit beelden
Productie: het maken van beelden. Je doet iets met je handen wat wordt aangestuurd
door je hoofd.
Procesgerichte didactiek: het gaat hierbij om zoeken, durven en uitproberen en het op
eigen manier doen
Receptie: beschouwen. Nauwkeurig onderzoeken en onder woorden brengen van wat er
te zien is. Door beschouwing wordt visuele informatie toegankelijk die je nodig hebt bij het
vormgeving.
Reflectie: persoonlijk perspectief wordt gehanteerd; wat vind ik ervan? Wat doet het me?
Hoe komt dat? Vragen stellen die door het persoonlijk perspectief zorgen voor een
bewustwordingsproces.
Kerndoelen primair onderwijs: verplichte voorgeschreven richtlijnen voor scholen
vanuit de overheid
Ontwikkelingsgebieden:
- Sociaal-emotionele ontwikkeling: kinderen maken steeds persoonlijke keuzes om tot
een eigen verbeelding te komen. Met deze keuzes geven zij zich bloot tegenover anderen
en nemen ze deel aan sociale interacties. Kinderen leren beeldende oplossingen van
anderen te begrijpen tijdens de bespreking en leren zich in de ander te verplaatsen.
- Cognitieve en zintuiglijke ontwikkeling: het vermogen om kennis te verwerven.
Waarneming (perceptie) en cognitie worden als koppel genoemd omdat ze nauw met
elkaar verwerven zijn. Vormsystemen maken het voor mensen mogelijk waarnemingen
naar een bewust niveau te tillen en er bewerkingen op toe te passen. Uiteindelijk leiden
beeldende activiteiten tot perceptual awareness. Kinderen ontwikkelen het bewustzijn
dat ze waarnemende en kennis verwervende personen zijn. Ook het
voorstellingsvermogen ontwikkeld als belangrijk aspect van cognitie. Tijdens beeldend
richten kinderen hun activiteiten op mentale voorstellingen van ‘wat-nog-niet-bestaat’.
Door zich een voorstelling te maken van hun werkstuk, leren ze ‘op de zaak vooruit te
lopen’.
Een kind dat zich cognitief ontwikkeld, leert samenhang en wetmatigheden doorzien.
- Motorische ontwikkeling: eerder sprak men over ooghandcoördinatie, later werd dit
psychomotorisch aspect, waarbij het gaat om de interactie tussen zien, bewegen en
beslissen tijdens het vormgeven. De mate van beheersing wordt bepaald door de
combinatie van rijping en oefening
- Creatieve ontwikkeling: je bent creatief competent als je flexibel en met zekere
originaliteit kan reageren en anticiperen op problemen en veranderingen. Het heeft te
maken met kunnen observeren, probleemherkenning, vragen kunnen stellen, ideeën
kunnen produceren en informatie kunnen analyseren en herstructureren.
Als kinderen zoeken naar oplossingen voor een beeldende probleemstelling leren ze
nieuwe mogelijkheden zien en uitproberen. Ze leren ideeën produceren (divergent
denken), mogelijkheden overwegen en selecteren voor een
bevredigend resultaat in hun werk.
Cirkelmodel: de blauwdruk voor elke beeldende activiteit
met kinderen
Aan de hand van de product- en procescomponenten uit het
cirkelmodel overweeg je op welke wijze je de kinderen
optimaal in een eigen vormgevingsproces kunnen betrekken:
- Betekenis: een goed onderwerp biedt mogelijkheden om
waarnemingen, belevingen en associaties van kinderen
samenhangend uit te diepen
- Vorm: je gaat na welke beeldende inzichten tijdens deze les de aandacht moeten krijgen
- Materie: het materiaalkarakter en de moeilijkheidsgraad van gereedschapsgebruik
worden overwogen
, - Beschouwing: je helpt de kinderen zich bewust te worden van wat er te zien is en hoe
dat eruitziet.
- Onderzoek: je bedenkt hoe je kinderen kunt uitnodigen om creatief te zijn. Je zet ze aan
zelf een invulling te geven en veel uit te proberen
- Werkwijze: je toont hoe je materiaal en gereedschap kunt gebruiken en laat kinderen
oefenen in een betekenisvolle context
- Reflectie: je zoekt naar manieren om met het kind over het proces te praten en die
reflectie op gang te brengen
Basisplan: beschrijft concrete vakinhouden en doelstellingen van een beeldende
activiteit op basis van de componenten uit het cirkelmodel
Procesgerichte didactiek: richt zich op de kwaliteit van de procescomponenten. Een
kind kan zich beeldend authentiek en creatief ontwikkelen als het goed in dat proces
begeleid wordt.
Werkproces als ontdekkingstocht:
1. Opdracht/uitdaging. Voor het werkproces, tijdens de oriëntatie
Je betrekt de kinderen bij de opdracht vanuit de betekenis. Zo kunnen ze zich al vooraf
inleven.
2. Betekenis en associatie
Je gaat in op hun ervaringen en voegt zelf informatie over het onderwerp toe
3. Wat is er te zien, beeldaspect
Je kijkt samen naar beeldaspecten
4. Materiaalgebruik
Je geeft richtlijnen over materiaalgebruik.
Extern kader: keuzes gemaakt door informatie die is aangereikt
Interne kader: keuzes gemaakt op basis van eigen belevingen, ervaringen, voorkeuren
Lesfasen:
- Oriëntatiefase: moet kinderen inspireren. Hun eigen
waarnemingen en ervaringen roepen daarbij emotionele
betrokkenheid op. De leerkracht geeft instructies.
- Uitvoeringsfase: beginnen de kinderen met de
verkenning van mogelijkheden. Hierbij heeft dit ruimte
voor de leerkracht om te observeren. Vervolgens
begeleidt hij de kinderen met stimulerende gerichte
interventies.
- Nabeschouwingsfase: laat de leerkracht de kinderen aan het woord over hun
producten en het werkproces. Samen reflecteren
ze en komen ze tot een beoordeling.
Hoofdstuk 4: Voorbereiding
Stappen bij een lesvoorbereiding:
1. Beginsituatie: wat kunnen ze al?
2. Opstellen basisplan: anticipeert op de les
met wat je met de kinderen wilt uitvoeren
3. Inrichten leeromgeving: je kiest passende materialen en inhouden voor het
inrichten van een leeromgeving
4. Uitwerken: je voegt alles samen in je lesvoorbereiding en bindt dit aan tijd
Beginsituatie: het geheel van voorwaarden die het welslagen van een leeractiviteit in
hoge mate beïnvloeden
Bottlenecks: handelingen die de kinderen niet zelfstandig kunnen uitvoeren
Doelen: worden opgesteld om onderwijsactiviteiten richting en opbouw te geven
Vakgerichte lesdoelen: moeten concreet invulling geven aan de kerndoelen voor 8 jaar
basisonderwijs
Beeldend doel: bepaalt welk beeldaspect belicht wordt (vorm)
Lesdoel: beschrijft in concrete het gewenste leerresultaat van de lesactiviteit
Materiaal technisch doel: omschrijft de vaardigheid die de kinderen oefenen met jet
materiaal en het gereedschap (werkwijze)
Hoofdstuk 3: Beeldend onderwijs
Zichtbare wereld: de wereld die door mensen is vormgegeven opgebouwd uit beelden
Productie: het maken van beelden. Je doet iets met je handen wat wordt aangestuurd
door je hoofd.
Procesgerichte didactiek: het gaat hierbij om zoeken, durven en uitproberen en het op
eigen manier doen
Receptie: beschouwen. Nauwkeurig onderzoeken en onder woorden brengen van wat er
te zien is. Door beschouwing wordt visuele informatie toegankelijk die je nodig hebt bij het
vormgeving.
Reflectie: persoonlijk perspectief wordt gehanteerd; wat vind ik ervan? Wat doet het me?
Hoe komt dat? Vragen stellen die door het persoonlijk perspectief zorgen voor een
bewustwordingsproces.
Kerndoelen primair onderwijs: verplichte voorgeschreven richtlijnen voor scholen
vanuit de overheid
Ontwikkelingsgebieden:
- Sociaal-emotionele ontwikkeling: kinderen maken steeds persoonlijke keuzes om tot
een eigen verbeelding te komen. Met deze keuzes geven zij zich bloot tegenover anderen
en nemen ze deel aan sociale interacties. Kinderen leren beeldende oplossingen van
anderen te begrijpen tijdens de bespreking en leren zich in de ander te verplaatsen.
- Cognitieve en zintuiglijke ontwikkeling: het vermogen om kennis te verwerven.
Waarneming (perceptie) en cognitie worden als koppel genoemd omdat ze nauw met
elkaar verwerven zijn. Vormsystemen maken het voor mensen mogelijk waarnemingen
naar een bewust niveau te tillen en er bewerkingen op toe te passen. Uiteindelijk leiden
beeldende activiteiten tot perceptual awareness. Kinderen ontwikkelen het bewustzijn
dat ze waarnemende en kennis verwervende personen zijn. Ook het
voorstellingsvermogen ontwikkeld als belangrijk aspect van cognitie. Tijdens beeldend
richten kinderen hun activiteiten op mentale voorstellingen van ‘wat-nog-niet-bestaat’.
Door zich een voorstelling te maken van hun werkstuk, leren ze ‘op de zaak vooruit te
lopen’.
Een kind dat zich cognitief ontwikkeld, leert samenhang en wetmatigheden doorzien.
- Motorische ontwikkeling: eerder sprak men over ooghandcoördinatie, later werd dit
psychomotorisch aspect, waarbij het gaat om de interactie tussen zien, bewegen en
beslissen tijdens het vormgeven. De mate van beheersing wordt bepaald door de
combinatie van rijping en oefening
- Creatieve ontwikkeling: je bent creatief competent als je flexibel en met zekere
originaliteit kan reageren en anticiperen op problemen en veranderingen. Het heeft te
maken met kunnen observeren, probleemherkenning, vragen kunnen stellen, ideeën
kunnen produceren en informatie kunnen analyseren en herstructureren.
Als kinderen zoeken naar oplossingen voor een beeldende probleemstelling leren ze
nieuwe mogelijkheden zien en uitproberen. Ze leren ideeën produceren (divergent
denken), mogelijkheden overwegen en selecteren voor een
bevredigend resultaat in hun werk.
Cirkelmodel: de blauwdruk voor elke beeldende activiteit
met kinderen
Aan de hand van de product- en procescomponenten uit het
cirkelmodel overweeg je op welke wijze je de kinderen
optimaal in een eigen vormgevingsproces kunnen betrekken:
- Betekenis: een goed onderwerp biedt mogelijkheden om
waarnemingen, belevingen en associaties van kinderen
samenhangend uit te diepen
- Vorm: je gaat na welke beeldende inzichten tijdens deze les de aandacht moeten krijgen
- Materie: het materiaalkarakter en de moeilijkheidsgraad van gereedschapsgebruik
worden overwogen
, - Beschouwing: je helpt de kinderen zich bewust te worden van wat er te zien is en hoe
dat eruitziet.
- Onderzoek: je bedenkt hoe je kinderen kunt uitnodigen om creatief te zijn. Je zet ze aan
zelf een invulling te geven en veel uit te proberen
- Werkwijze: je toont hoe je materiaal en gereedschap kunt gebruiken en laat kinderen
oefenen in een betekenisvolle context
- Reflectie: je zoekt naar manieren om met het kind over het proces te praten en die
reflectie op gang te brengen
Basisplan: beschrijft concrete vakinhouden en doelstellingen van een beeldende
activiteit op basis van de componenten uit het cirkelmodel
Procesgerichte didactiek: richt zich op de kwaliteit van de procescomponenten. Een
kind kan zich beeldend authentiek en creatief ontwikkelen als het goed in dat proces
begeleid wordt.
Werkproces als ontdekkingstocht:
1. Opdracht/uitdaging. Voor het werkproces, tijdens de oriëntatie
Je betrekt de kinderen bij de opdracht vanuit de betekenis. Zo kunnen ze zich al vooraf
inleven.
2. Betekenis en associatie
Je gaat in op hun ervaringen en voegt zelf informatie over het onderwerp toe
3. Wat is er te zien, beeldaspect
Je kijkt samen naar beeldaspecten
4. Materiaalgebruik
Je geeft richtlijnen over materiaalgebruik.
Extern kader: keuzes gemaakt door informatie die is aangereikt
Interne kader: keuzes gemaakt op basis van eigen belevingen, ervaringen, voorkeuren
Lesfasen:
- Oriëntatiefase: moet kinderen inspireren. Hun eigen
waarnemingen en ervaringen roepen daarbij emotionele
betrokkenheid op. De leerkracht geeft instructies.
- Uitvoeringsfase: beginnen de kinderen met de
verkenning van mogelijkheden. Hierbij heeft dit ruimte
voor de leerkracht om te observeren. Vervolgens
begeleidt hij de kinderen met stimulerende gerichte
interventies.
- Nabeschouwingsfase: laat de leerkracht de kinderen aan het woord over hun
producten en het werkproces. Samen reflecteren
ze en komen ze tot een beoordeling.
Hoofdstuk 4: Voorbereiding
Stappen bij een lesvoorbereiding:
1. Beginsituatie: wat kunnen ze al?
2. Opstellen basisplan: anticipeert op de les
met wat je met de kinderen wilt uitvoeren
3. Inrichten leeromgeving: je kiest passende materialen en inhouden voor het
inrichten van een leeromgeving
4. Uitwerken: je voegt alles samen in je lesvoorbereiding en bindt dit aan tijd
Beginsituatie: het geheel van voorwaarden die het welslagen van een leeractiviteit in
hoge mate beïnvloeden
Bottlenecks: handelingen die de kinderen niet zelfstandig kunnen uitvoeren
Doelen: worden opgesteld om onderwijsactiviteiten richting en opbouw te geven
Vakgerichte lesdoelen: moeten concreet invulling geven aan de kerndoelen voor 8 jaar
basisonderwijs
Beeldend doel: bepaalt welk beeldaspect belicht wordt (vorm)
Lesdoel: beschrijft in concrete het gewenste leerresultaat van de lesactiviteit
Materiaal technisch doel: omschrijft de vaardigheid die de kinderen oefenen met jet
materiaal en het gereedschap (werkwijze)