1. Archeologie in Griekenland
Definitie
- “de wetenschappelijke studie van de materiële overblijfselen van voorbije
culturen”
- Voordeel voor klassieke archeologen: de literatuur uit de Oudheid
o Maar niet van toepassing op prehistorische Griekse periodes zoals
de Bronstijd
- Verschillende subdisciplines: schilderijen, sculptuur, architectuur,
numismatiek, epigrafie, …
Activiteiten van archeologen
- Herstel en bewaring
- Studie en classificatie
- Publicatie
Probleem van de datering
- In Griekenland meestal datering toegewezen in overeenstemming met de
stilistische ontwikkeling van de keramiek, in combinatie met gekende
historische data
o = meest betrouwbare dateringsmethode
- Andere dateringsmethoden: radiocarbon, thermoluminescentie
Technologische evolutie
- Prehistorische sites: interdisciplinair werk van antropologie, geologie, …
- Historische sites: ook moderne technieken gecombineerd met traditionele
methoden
o Computertechnologie, nieuwe methoden van fotografie,
landmeetkunde, technische analyses, …
- Gevolg: nieuwe subdisciplines, bv. onderwater-archeologie
- Maar ook naar objecten gekeken vanuit nieuwe perspectieven: bv.
psychologie, antropologie, literatuur, …
Ontstaan archeologie in Griekenland
- Sinds Griekse onafhankelijkheid in 19e eeuw
- Vaak samenwerking tussen buitenlandse en Griekse onderzoekers
Studie van dagelijkse leven
- Prehistorische periodes: geen literatuur, dus wat we ervan weten is vooral
via archeologie
- Historische periodes: via geschiedenis en literatuur weten we veel, en
archeologie vult dit aan voor het publieke leven
1
, o Maar van het private leven weten we niet veel via literatuur, dus
archeologie daar belangrijk
o Vb. ostraka leggen sociaal-politieke activiteit van ostracisme bloot
Landbouw en transport
- Landschap gekenmerkt door dalen en bergen > terrasbouw sinds bronstijd
- 3 belangrijkste gewassen: graan, olijven, druiven
- Vlees vooral van geiten en schapen (runderen zijn duur)
- Peineios rivier in Thessalië voert hele jaar door water (= uitzonderlijk in
vallei)
- Transportmiddelen: ezel gebruikelijk, vooral schepen
Polychromie
- Antieke beelden waren gekleurd
2. Minoïsch Griekenland
Bronstijd
Kreta en Cycladen
Opgravingen
- Minos Kalokairinos: eerste archeoloog Knossos
- Arthur Evans aan einde 19e eeuw: graaft niet alleen paleis Knossos op,
maar vindt hele beschaving > introduceert term ‘Minoïsch’
- Tot op vandaag wordt er door internationale onderzoekers opgegraven op
het eiland
- Paleis Knossos op 5km van de zee
Mythologie
- Minos X Pasiphaë, waaruit Ariadne en Phaidra voortkomen
o Minos is koning van Kreta, Pasiphaë is zijn vrouw
o Ariadne: hielp Theseus ontsnappen uit labyrint na confrontatie met
Minotaurus door een bol draad
o Phaidra: trouwde later met Theseus, maar loopt tragisch af omdat ze
verliefd is op haar stiefzoon Hippolytos
- Daidalos bouwt koe
o Beroemde architect, koning Minos haalt hem naar Kreta
o Hij ontwerpt een holle, houten koe voor Pasiphaë waar ze in kan
kruipen om geslachtsgemeenschap te hebben > geboorte van de
Minotaurus
- Minotaurus: Theseus vs Minotaurus
o Monster woont in labyrint
o Minos eiste dat Athene elk jaar jonge mannen en vrouwen stuurde
als offer om aan de Minotaurus gevoed te worden, hieronder is
Theseus
o Met hulp van Ariadne slaagt hij erin de Minotaurus te doden en terug
te keren uit labyrint
2
,Chronologie
- Stratigrafie Westhof: grootste deel uit Neolithicum, verder driedeling vroeg-
midden-laat (volgens Evans)
- Nieuw chronologisch systeem door Biers:
1. Pre-Paleisperiode: 3000-2000 v.C.
2. Oude Paleisperiode: 2000-1700 v.C.
3. Nieuwe Paleisperiode: 1700-1380 v.C.
4. Post-Paleisperiode: 1380-1100 v.C.
- Nieuwste chronologie: aan paleizen gekoppeld
1. Pre-Palatiaal: 2650-1900 v.C.
2. Proto-Palatiaal: 1900-1700 v.C.
3. Neo-Palatiaal: 1700-1430 v.C.
4. Einde-Palatiaal: 1430-1360 v.C.
5. Post-Palatiaal: 1360-1190 v.C.
6. Submyceens: 1190-1070 v.C.
Evolutie van de beschaving
- 7e millenium v.C.: mensen uit het oosten arriveren op Kreta
o Metalen nog niet gekend, werktuigen van steen
o Gesetteld bestaan als boeren en herders
o Aardewerk van naakte vrouwen, type ‘moedergodinnen’
- Rond 3000 v.C.: vroege Bronstijd / Pre-paleisperiode
o Metallurgie ontstaat
o Snelle ontwikkelingen in de kunsten: nieuwe types aardewerk en
artefacten
o Overzeese contacten breiden uit
- Rond 2000 v.C. / Oude Paleisperiode
o Opkomen van grote paleizen
o We weten weinig van oudere paleizen door aardbeving 1700 > snel
heropgebouwd
- Nieuwe Paleisperiode
o Grootste en rijkste fase: deze bestuderen wij
o Lineair A: syllabisch schrift, nog niet ontcijferd
In Knossos: lineair B, op tabletjes uit laatste fase van het
paleis (cf. onder Mycene), ontcijferd door Ventris,
administratieve inhoud, voorloper Grieks
Ppt 1 dia 83-87
o Kenmerk hoge beschaving: paleizen
Centrale autoriteiten: administratieve, ceremoniële,
productie-, opslagcentra
3
, o Minoïsche religie
Basis: vruchtbaarheid, cyclus van regeneratie van vegetatie,
primitieve overtuigingen
Komen vaak terug: moedergodin, stier, heilige bomen en
vogels, …
o Opvallend: ontbreken van militaire thema’s, aangezien Kreta een
welvarende internationale macht was
Thalassocratie
- 14e eeuw v.C.: Post-Paleisperiode
o Instorting Minoïsche beschaving: 1430
Vulkaanuitbarsting op Thera (huidige Santorini) heeft iets te
maken met destructie tijdens nieuwe paleisperiode > data
kloppen niet om dit als oorzaak aan te nemen
Soms ook invallen van de Myceners hieraan gelinkt
o Myceense fase Knossos vanaf 1430
Nieuwe aardewerken stijl: zee stijl aardewerk
Militaire thema’s in schilderwerk en militaire uitrusting in
graven
1360: Knossos verwoest
Kunst
- Uniek, groot contrast met contemporaine beschavingen
- Levendige weergaves van natuur, religie, paleisleven op vele media
- Enkele conventies, bv. in de fresco’s (zie later)
- Vooral miniatuurkunst: kleine objecten ook met natuur motieven
Architectuur: paleizen
- ‘post-and-lintel’ systeem: sterke horizontale elementen overeind gehouden
door sterke verticale elementen (Griekse architectuur hierdoor gekenmerkt
tot late hellenisme)
- Centraal punt paleis: rechthoekige, geplaveide binnenplaats
o Focus van het dagelijkse leven ligt hier
o Geeft licht en warmte aan gebouwen rondom in winter
o Plaats van processies, religieuze rituelen, ceremoniële functies,
stierengevechten
o Proporties centrale hoven allemaal gelijk: 1 architectonisch principe
- Rond de binnenplaats zijn gebouwen gegroepeerd
o Leefgedeeltes, religieuze ruimtes, receptie- en banketruimtes,
opslagplaatsen, …
- Zuilen en pilaren in allerlei vormen:
o Distinctief type: naar beneden versmallende vorm en opzwellend
bovendeel
- Karakteristieke kenmerken Minoïsche architectuur (in paleizen én kleinere
gebouwen):
4