De objectieve zijde van een strafbaar feit
leerdoelen
De verschillende causaliteit theorieën.
Basis theorievorming causaliteit: ‘condicio sine qua non’: het gedrag in kwestie
moet redelijkerwijs een onmisbare, noodzakelijke voorwaarde voor het gevolg zijn
geweest, er is in beginsel geen juridische causaliteit wanneer aannemelijk zou
zijn dat het gevolg ook zonder het gedrag zou zijn ingetreden.
Het gaat in de regel vooral om het selecteren van een strafrechtelijk relevante
oorzaak uit de omvangrijke groep feitelijk onmisbare voorwaarden.
Verschillende causaliteittheorieën
1. De causa proxima-theorie
- Kiest de naaste, dichtstbijzijnde oorzaak als de juridisch
relevante oorzaak.
- Alleen die gedraging die in tijd het dichtste staat bij het
uiteindelijke gevolg, is strafrechtelijk relevant.
- Hierbij geldt dus als veroorzaker v.h. gevolg de meest nabije niet
weg te denken gedraging.
- Overwegingen waarin over een ‘onmiddellijk en rechtstreeks
gevolg wordt gesproken, past bij deze leer.
- De laatste belangrijkste schakel staat hierin centraal.
- Hoe groter de afstand is tussen gedraging en gevolg, hoe
moeilijker a.d.h.v. deze theorie een noodzakelijk verband tussen
beide is aan te nemen, hoe meer reden er kan zijn om te denken
aan niet meer door de dader te beheersen toeval.
- Geeft te weinig ruimte om de omstandigheden v.h. geval in de
beoordeling te betrekken en op grond daarvan een uiteenlopend
gewicht toe te kennen aan verschillende oorzaken.
2. De relevantietheorie
- Selecteert binnen de onmisbare voorwaarden voor het intreden
v.h. gevolg de oorzaak die in de optiek v.d. wetgever voor het
delict in kwestie als de meest relevante geldt.
- Het gaat hierbij in zekere zin om voor het delict typische
oorzaken waarbij ook van belang kan zijn de manier waarop het
gevolg intreedt.
- Probleem: dat bij lang niet alle strafbaarstellingen helder is
waartegen deze beogen te beschermen.
- Kijkt naar de bedoeling v.d. wetgever: welke gevolgen heeft de
wetgever in gedachten gehad toen hij dit strafbare feit
omschreef? Alleen die gevolgen die aansluiten bij de bedoeling
v.d. wetgever zijn strafrechtelijk relevant.
3. De adequatietheorie (voorzienbaarheidsleer)
- Hierbij staat vooral centraal de voorzienbaarheid voor de
verdachte van (de kans op) een bepaald gevolg (het typische
gevolg is immers meestal ook goed voorzienbaar).
- In deze theorie wordt de dader alleen voor die gevolgen van zijn
gedrag strafrechtelijk aansprakelijk gesteld, waarvan het
intreden in het algemeen (dus in abstracte zin) waarschijnlijk of
voorzienbaar was
, - Wil men deze theorie enige scherpte geven, dan werkte die al
gauw te beperkend.
- Probleem theorie: de soms vergaande objectivering van hetgeen
als voorzienbaar heeft gegolden. Dit kan leiden tot onredelijke
uitkomsten.
4. Leer van de conditio sine qua non (CSQN)
- Volgens deze leer wordt elke gedraging die niet weggedacht kan
worden zonder dat het gevolg wegvalt, als strafrechtelijk
relevante veroorzaker van een gevolg gezien.
- De moeilijkheid van deze leer: vaak is sprake van een veelheid
aan niet weg te denken factoren. De leer van CSQN maakt geen
keuze tussen die veelheid aan factoren en is dus weinig selectief
in het aanwijzen van de strafrechtelijk relevante oorzaak.
5. De leer van de redelijke toerekening
- A.d.h.v. deze heersende theorie wordt beoordeeld of een gevolg
redelijkerwijs aan de gedraging v.d. verdachte kan worden
toegerekend.
- De ingetreden gebeurtenis moet binnen het (eventueel achteraf
te construeren) perspectief van die gedraging liggen.
- Dit perspectief is ruimer naarmate de gedraging gevaarlijker is.
- Gedragingen van derden – als onvoorziene tussenschakel –
hoeven toerekening niet in de weg te staan.
, De geldende causaliteitscriteria.
Criterium voor strafrechtelijke causaliteit: de redelijke toerekening.
Redelijke toerekening
= niet limitatief. Redelijke toerekening is een open criterium waardoor in
feite alles wat van gewicht is in beschouwing kan – en moet – worden
genomen bij de beoordeling of toerekening gelet op de omstandigheden
v.h. concrete geval redelijk is.
Voor de vraag of het redelijk is een gevolg toe te rekenen, kan er rekening
worden gehouden met de andere causaliteitstheorieën en de volgende
invalshoeken:
1. Het gedrag v.d. verdachte.
- Niet behandelde longinfectie-arrest: het is de verdachte geweest
die met zijn zeer ernstige en gevaarlijke gedrag de
omstandigheden voor het uiteindelijke intreden v.h. gevolg heeft
gecreëerd; hij staat nadrukkelijk en zwaarwegend aan het begin
v.d. keten van gebeurtenissen.
- Toerekening is al gauw redelijk wanneer het uiteindelijke gevolg
binnen de reikwijdte ligt v.d. gedraging.
2. De soort en mate van schuld v.d. verdachte.
- Bij opzetdelicten rijzen er vermoedelijk minder problemen dan bij
de door het gevolg gekwalificeerde delicten.
3. De andere causaliteitscriteria.
- Redelijke toerekening verdient negatief gezien extra aandacht als
niet met zekerheid kan worden vastgesteld of het gedrag
condicio sine qua non voor het gevolg was. Het niet kunnen
vaststellen van een condicio sine qua non-verband behoeft niet
perse aan redelijke toerekening in de weg te staan. Maar
wanneer zeker is dat er geen feitelijke relatie tussen de
gedraging en het gevolg bestaat, zal er voor redelijke
toerekening in elk geval geen plaats zijn.
4. De voorzienbaarheid.
- Omdat een gevolg voor een verdachte (reëel) voorzienbaar was,
wordt het doorgaans immers een stuk redelijker om hem dat
gevolg toe te rekenen. Hevige emoties-arrest.
- Hierbij dient wel te worden benadrukt dat het criterium v.d.
redelijke toerekening meebrengt dat de voorzienbaarheid van
een gevolg in zijn algemeenheid niet beslissend is voor de vraag
of causaal verband kan worden aangenomen, het gaat
uiteindelijk immers om de redelijkheid v.d. toerekening.
5. De strekking v.h. delict.
- Doet denken aan de relevanttheorie, die de nadruk legt op de
oorzaak die in de optiek v.d. wetgever voor het delict in kwestie
als de meest relevantie geldt.
- De causaliteit wordt in belangrijke mate gekleurd door de
bijzondere delicten en het daar vereiste specifieke
causaliteitsverband.
Causaliteit bij eigen invloed v.h. slachtoffer op het gevolg
Redelijke toerekening v.h. overlijden v.h. slachtoffer aan de verdachte van
een zware mishandeling was mogelijk, ook al had het slachtoffer cocaïne
en ether gebruikt waardoor het intreden v.d. dood was versneld.
leerdoelen
De verschillende causaliteit theorieën.
Basis theorievorming causaliteit: ‘condicio sine qua non’: het gedrag in kwestie
moet redelijkerwijs een onmisbare, noodzakelijke voorwaarde voor het gevolg zijn
geweest, er is in beginsel geen juridische causaliteit wanneer aannemelijk zou
zijn dat het gevolg ook zonder het gedrag zou zijn ingetreden.
Het gaat in de regel vooral om het selecteren van een strafrechtelijk relevante
oorzaak uit de omvangrijke groep feitelijk onmisbare voorwaarden.
Verschillende causaliteittheorieën
1. De causa proxima-theorie
- Kiest de naaste, dichtstbijzijnde oorzaak als de juridisch
relevante oorzaak.
- Alleen die gedraging die in tijd het dichtste staat bij het
uiteindelijke gevolg, is strafrechtelijk relevant.
- Hierbij geldt dus als veroorzaker v.h. gevolg de meest nabije niet
weg te denken gedraging.
- Overwegingen waarin over een ‘onmiddellijk en rechtstreeks
gevolg wordt gesproken, past bij deze leer.
- De laatste belangrijkste schakel staat hierin centraal.
- Hoe groter de afstand is tussen gedraging en gevolg, hoe
moeilijker a.d.h.v. deze theorie een noodzakelijk verband tussen
beide is aan te nemen, hoe meer reden er kan zijn om te denken
aan niet meer door de dader te beheersen toeval.
- Geeft te weinig ruimte om de omstandigheden v.h. geval in de
beoordeling te betrekken en op grond daarvan een uiteenlopend
gewicht toe te kennen aan verschillende oorzaken.
2. De relevantietheorie
- Selecteert binnen de onmisbare voorwaarden voor het intreden
v.h. gevolg de oorzaak die in de optiek v.d. wetgever voor het
delict in kwestie als de meest relevante geldt.
- Het gaat hierbij in zekere zin om voor het delict typische
oorzaken waarbij ook van belang kan zijn de manier waarop het
gevolg intreedt.
- Probleem: dat bij lang niet alle strafbaarstellingen helder is
waartegen deze beogen te beschermen.
- Kijkt naar de bedoeling v.d. wetgever: welke gevolgen heeft de
wetgever in gedachten gehad toen hij dit strafbare feit
omschreef? Alleen die gevolgen die aansluiten bij de bedoeling
v.d. wetgever zijn strafrechtelijk relevant.
3. De adequatietheorie (voorzienbaarheidsleer)
- Hierbij staat vooral centraal de voorzienbaarheid voor de
verdachte van (de kans op) een bepaald gevolg (het typische
gevolg is immers meestal ook goed voorzienbaar).
- In deze theorie wordt de dader alleen voor die gevolgen van zijn
gedrag strafrechtelijk aansprakelijk gesteld, waarvan het
intreden in het algemeen (dus in abstracte zin) waarschijnlijk of
voorzienbaar was
, - Wil men deze theorie enige scherpte geven, dan werkte die al
gauw te beperkend.
- Probleem theorie: de soms vergaande objectivering van hetgeen
als voorzienbaar heeft gegolden. Dit kan leiden tot onredelijke
uitkomsten.
4. Leer van de conditio sine qua non (CSQN)
- Volgens deze leer wordt elke gedraging die niet weggedacht kan
worden zonder dat het gevolg wegvalt, als strafrechtelijk
relevante veroorzaker van een gevolg gezien.
- De moeilijkheid van deze leer: vaak is sprake van een veelheid
aan niet weg te denken factoren. De leer van CSQN maakt geen
keuze tussen die veelheid aan factoren en is dus weinig selectief
in het aanwijzen van de strafrechtelijk relevante oorzaak.
5. De leer van de redelijke toerekening
- A.d.h.v. deze heersende theorie wordt beoordeeld of een gevolg
redelijkerwijs aan de gedraging v.d. verdachte kan worden
toegerekend.
- De ingetreden gebeurtenis moet binnen het (eventueel achteraf
te construeren) perspectief van die gedraging liggen.
- Dit perspectief is ruimer naarmate de gedraging gevaarlijker is.
- Gedragingen van derden – als onvoorziene tussenschakel –
hoeven toerekening niet in de weg te staan.
, De geldende causaliteitscriteria.
Criterium voor strafrechtelijke causaliteit: de redelijke toerekening.
Redelijke toerekening
= niet limitatief. Redelijke toerekening is een open criterium waardoor in
feite alles wat van gewicht is in beschouwing kan – en moet – worden
genomen bij de beoordeling of toerekening gelet op de omstandigheden
v.h. concrete geval redelijk is.
Voor de vraag of het redelijk is een gevolg toe te rekenen, kan er rekening
worden gehouden met de andere causaliteitstheorieën en de volgende
invalshoeken:
1. Het gedrag v.d. verdachte.
- Niet behandelde longinfectie-arrest: het is de verdachte geweest
die met zijn zeer ernstige en gevaarlijke gedrag de
omstandigheden voor het uiteindelijke intreden v.h. gevolg heeft
gecreëerd; hij staat nadrukkelijk en zwaarwegend aan het begin
v.d. keten van gebeurtenissen.
- Toerekening is al gauw redelijk wanneer het uiteindelijke gevolg
binnen de reikwijdte ligt v.d. gedraging.
2. De soort en mate van schuld v.d. verdachte.
- Bij opzetdelicten rijzen er vermoedelijk minder problemen dan bij
de door het gevolg gekwalificeerde delicten.
3. De andere causaliteitscriteria.
- Redelijke toerekening verdient negatief gezien extra aandacht als
niet met zekerheid kan worden vastgesteld of het gedrag
condicio sine qua non voor het gevolg was. Het niet kunnen
vaststellen van een condicio sine qua non-verband behoeft niet
perse aan redelijke toerekening in de weg te staan. Maar
wanneer zeker is dat er geen feitelijke relatie tussen de
gedraging en het gevolg bestaat, zal er voor redelijke
toerekening in elk geval geen plaats zijn.
4. De voorzienbaarheid.
- Omdat een gevolg voor een verdachte (reëel) voorzienbaar was,
wordt het doorgaans immers een stuk redelijker om hem dat
gevolg toe te rekenen. Hevige emoties-arrest.
- Hierbij dient wel te worden benadrukt dat het criterium v.d.
redelijke toerekening meebrengt dat de voorzienbaarheid van
een gevolg in zijn algemeenheid niet beslissend is voor de vraag
of causaal verband kan worden aangenomen, het gaat
uiteindelijk immers om de redelijkheid v.d. toerekening.
5. De strekking v.h. delict.
- Doet denken aan de relevanttheorie, die de nadruk legt op de
oorzaak die in de optiek v.d. wetgever voor het delict in kwestie
als de meest relevantie geldt.
- De causaliteit wordt in belangrijke mate gekleurd door de
bijzondere delicten en het daar vereiste specifieke
causaliteitsverband.
Causaliteit bij eigen invloed v.h. slachtoffer op het gevolg
Redelijke toerekening v.h. overlijden v.h. slachtoffer aan de verdachte van
een zware mishandeling was mogelijk, ook al had het slachtoffer cocaïne
en ether gebruikt waardoor het intreden v.d. dood was versneld.