Ruimte (space): abstract, zonder betekenis en emotionele binding.
Plaats (place): ruimte waar betekenis aan gekoppeld is en ervaren wordt door mensen. Een locatie waar
mensen zich tot aangetrokken voelen.
Ruimte (space)
Voor 1950 (impliciet absolute ruimte):
- Impliciet absolute ruimte (een container waarbinnen dingen gebeuren, vaste dimensies waarover
dingen in kaart kunnen worden gebracht). Het was er gewoon zonder dat er veel over gepraat
werd.
Vanaf 1950 (absolute ruimte):
- Wetenschappelijke methodes.
- Ruimte: niet meer impliciet maar expliciete definitie (geometrisch systeem van organisatie
waarin mensen en objecten zich bevinden), maar nog steeds een container waarbinnen dingen
gebeuren.
Vanaf 1970 (cognitieve ruimte):
- Cognitieve ruimte als aanvulling op absolute ruimte.
- Ruimte is absoluut, maar mensen ervaren het niet zo.
- Mensen vertrouwen op ruimtelijke kennis en herinneringen van plaatsen.
Ook 1970 (relationele ruimte):
- Ruimte is niet een absoluut gegeven, neutraal en passief.
- Ruimte is relationeel, actief, geproduceerd en geconstrueerd door mensen.
- Ruimte is niet een container waarbinnen sociaal leven plaatsvindt. Het is vormend en gevormd
door het sociaal leven.
Plaats (place)
Locatie:
- De waar (coördinaten).
Locale:
- Wat is er (de faciliteiten die letterlijk aanwezig zijn)?
Sense of place:
- De gevoelens en emoties die een plek oproept.
- Individuele betekenissen.
- Persoonlijke ervaringen.
- Gedeelde betekenissen.
- Je hoeft er niet geweest te zijn om een sense of place te ontwikkelen (bijv. door tv, muziek, etc.)
, Edward Relph:
- 1970: ontevreden met simplistische definitie van plaats.
- Onderzoek plaats als een integraal deel van de menselijke ervaring.
- Insideness: de mate van gehechtheid, betrokkenheid en bezorgdheid die een persoon of groep
heeft voor een bepaalde plaats.
- Outsideness: hoe gescheiden of vervreemd iemand zich voelt in relatie tot een plek.
Zeven schalen van insideness/outsideness:
- Existential outsideness:
o Gevoel van vervreemding.
o Nieuwkomers, mensen die na lange periode van afwezigheid terugkeren.
- Objective outsideness:
o Wetenschappelijke weergave van een plek.
o ‘Objectief’.
o Wetenschappers staat ‘buiten’.
o Interesse in specifieke karakteristieken van een plek, zonder emotionele connectie.
- Incidental outsideness:
o ‘Largely unselfconscious attitude in which places are experienced as little more than the
background or setting for activities and are quite incidental to those activities’
(Relph 1976: 52)
o Plek die we bezoeken voor een specifieke reden en een beperkte tijd (congres, festival,
stage, etc.).
o Relatie met de plek door een bezoek op een specifiek moment.
- Vicarious insideness:
o Een emotionele relatie opbouwen zonder dat je er ooit geweest bent, door tv, muziek,
verhalen, etc.
o ‘It is possible to experience places in a second-hand or vicarious way, that is without
actually visiting them, yet for this experience to be one of a deeply felt involvement.’
(Relph 1976: 52)
- Behevioural insideness:
o Een plek zie alleen maar als de kwaliteiten die de plek biedt (bijv. collegezaal).
o ‘Behavioral insideness consists of being in a place and seeing it as a set of objects, views,
and activities arranged in certain ways and having certain observable qualities. In
contrast to incidental outsideness in which a place is experienced as little more than a
background to event, behavioral insideness involves deliberately attending to the
appearance of that place.’
(Relph 1976: 53)
- Emphatic insideness:
o Hoe iemand de plek ervaart.
o Bepaalde associaties, gevoelens, etc. die je voelt.
o ‘There is no abrupt distinction between emphatic and behavioral insideness, rather there
is a fading from concern with the qualities of appearance to emotional and empathic
involvement in a place. (...) Empathic insideness demands a willingness to be open to the