DEEL 1 CONSTRUCTIE
WATERWERING EN LUCHTDICHTHEID
Waterwering
Cumulatieve voorwaarden om water in een gebouw te laten dringen:
• Water moet tot bij het bouwelement geraken.
• Er moeten openingen zijn en waterdeeltjes moeten er doorheen kunnen dringen.
• Krachten die het water naar binnen drijven.
Cohesie= vloeistofdeeltjes beperkte samenhang (oppervlaktespanningen)
Adhesie= vloeistofdeeltjes blijven ook in zeker mate kleven aan materialen waarmee ze in aanraking
komen.
De breedte van druiplijsten bedraagt minstens 8 mm
Gevolgen van vochtinfiltratie en vochtafzetting
• Verwering en teloorgang van bouwmaterialen
• Pathologische ontwikkeling van micro-organismen, schimmels, … die het uitzicht en de
duurzaamheid van de afwerkingen beïnvloeden en weerslag kunnen hebben op de gezondheid
van de gebruikers.
• Visuele vervuiling
• Verzwakking van de warmte-isolatie
Gangbare problemen
• Capillariteit (of capillaire werking)
= verschijnsel waarbij water in een zeer fijn buisje (haarbuisje of capillairen) hoger stijgt dan het
omringende vloeistofniveau en zo een concaaf (hol) oppervlak vormt.
1
,In gebouwen na de 2e WO= aan de voet van de muren een horizontaal (bitumineus) membraan
ingewerkt om opstijgen vocht te voorkomen.
Later= folie van generfd polyethyleen.
Nu= vaak EPDM omdat het soepel is en makkelijk gekleefd kan worden.
Woningen voor 1945, ontbreekt de vochtscherm aan de muurvoet, er werden er soms aan de
muurvoet materialen ingewerkt die minder of niet capillair zijn, zoals blauwe steen of glas.
Het ontbreken van een oordeelkundig membraan in de muurvoet kan geremedieerd worden door=
• Achteraf plaatsen van een soepel membraan of (half)stijf scherm na het onderkappen of inzagen
van de muren.
• Injectie van vochtwerende of poriënvullende producten zoals:
o Alkalische silicaten
o Fluosilicaten
o Acrylamiden
o Kunstharsen op oplosmiddelbasis of op waterbasis
o Bitumineuze emulsies
o Voorverwarmde paraffine
2
,Capillair vocht gaat vaak samen met migratie en concentratie van zouten uit de grond,
bouwmaterialen of toevallige contacten met verontreinigde elementen.
• Courante zouten= grotendeels afkomstig bouwmaterialen, bij hoge concentraties leiden tot het
loskomen van afwerkingen. = witte uitbloeiingen, die droog kunnen worden afgeborsteld.
• Hygroscopische zouten= afkomstig uit de bodem of van zeer oud contact van metselwerk met
afvalwater, gier, meststoffen, … . ze absorberen vocht uit de lucht, maken nooit uitbloeiingen. Bij
hoge concentratie moet men onmiddellijk na de ingreep of bij gebrek aan bevredigende
resultaten na een normale drogingstermijn van het metselwerk, een vochtongevoelige
voorzetwand voorzien.
Waterindringing bij regen doorheen bovengrondse wanden
Goed uitgevoerde spouwmuren geven doorgaans geen regendoorslag.
Zeer sterk belaste gevels= zuiden, westen en vooral zuidwesten.
Beperkten van regendoorslag doorheen massieve muren kan beperkt worden door het aanbrengen
van kleurloze vochtwerende producten.
Mogelijkheden voor waterdichte bekleding=
• Planken op houten structuur (+ thermische isolatie + vochtscherm + spouw)
• Leien op houten regelwerk (+isolatie + vochtscherm + spouw)
• Plaatmateriaal (+ isolatie + vochtscherm + spouw)
• Pleisterwerk (op thermische isolatie)
3
, Luchtdichtheid
Luchtstromen doorheen een bouwschil zijn afhankelijk van:
• Het drukverschil in de lucht aan beide zijden van de buitenschil
• De luchtdichtheid van de buiteenschil die afhangt van de omvang van perforaties, kieren en
spleten
Ook bij windstil weer kan door verschil in luchttemperatuur een convectiestroom ontstaan waarbij
warme lucht zich opwaarts verplaatst.
Loefzijde= de zijde waar de wind inkomt
Lijzijde= de zijde die in de luwte van de wint ligt
Luchtdichtheid= vermogen van een gebouw om de luchtstromen van buiten naar binnen maar ook
omgekeerd binnen de perken te houden.
Wanneer buitenlucht kan circuleren aan de binnenzijde van de isolatie daalt de isolatiekwaliteit
aanzienlijk met mogelijkheid tot condensatie aan de binnenzijde van de wand als gevolg.
Inwendige condensatie= wanneer binnenlucht in een koudere zone terechtkomt of tegen een koud
vlak aanbotst. Er kan waterdamp getransporteerd worden door gewone luchtverplaatsing.
4
WATERWERING EN LUCHTDICHTHEID
Waterwering
Cumulatieve voorwaarden om water in een gebouw te laten dringen:
• Water moet tot bij het bouwelement geraken.
• Er moeten openingen zijn en waterdeeltjes moeten er doorheen kunnen dringen.
• Krachten die het water naar binnen drijven.
Cohesie= vloeistofdeeltjes beperkte samenhang (oppervlaktespanningen)
Adhesie= vloeistofdeeltjes blijven ook in zeker mate kleven aan materialen waarmee ze in aanraking
komen.
De breedte van druiplijsten bedraagt minstens 8 mm
Gevolgen van vochtinfiltratie en vochtafzetting
• Verwering en teloorgang van bouwmaterialen
• Pathologische ontwikkeling van micro-organismen, schimmels, … die het uitzicht en de
duurzaamheid van de afwerkingen beïnvloeden en weerslag kunnen hebben op de gezondheid
van de gebruikers.
• Visuele vervuiling
• Verzwakking van de warmte-isolatie
Gangbare problemen
• Capillariteit (of capillaire werking)
= verschijnsel waarbij water in een zeer fijn buisje (haarbuisje of capillairen) hoger stijgt dan het
omringende vloeistofniveau en zo een concaaf (hol) oppervlak vormt.
1
,In gebouwen na de 2e WO= aan de voet van de muren een horizontaal (bitumineus) membraan
ingewerkt om opstijgen vocht te voorkomen.
Later= folie van generfd polyethyleen.
Nu= vaak EPDM omdat het soepel is en makkelijk gekleefd kan worden.
Woningen voor 1945, ontbreekt de vochtscherm aan de muurvoet, er werden er soms aan de
muurvoet materialen ingewerkt die minder of niet capillair zijn, zoals blauwe steen of glas.
Het ontbreken van een oordeelkundig membraan in de muurvoet kan geremedieerd worden door=
• Achteraf plaatsen van een soepel membraan of (half)stijf scherm na het onderkappen of inzagen
van de muren.
• Injectie van vochtwerende of poriënvullende producten zoals:
o Alkalische silicaten
o Fluosilicaten
o Acrylamiden
o Kunstharsen op oplosmiddelbasis of op waterbasis
o Bitumineuze emulsies
o Voorverwarmde paraffine
2
,Capillair vocht gaat vaak samen met migratie en concentratie van zouten uit de grond,
bouwmaterialen of toevallige contacten met verontreinigde elementen.
• Courante zouten= grotendeels afkomstig bouwmaterialen, bij hoge concentraties leiden tot het
loskomen van afwerkingen. = witte uitbloeiingen, die droog kunnen worden afgeborsteld.
• Hygroscopische zouten= afkomstig uit de bodem of van zeer oud contact van metselwerk met
afvalwater, gier, meststoffen, … . ze absorberen vocht uit de lucht, maken nooit uitbloeiingen. Bij
hoge concentratie moet men onmiddellijk na de ingreep of bij gebrek aan bevredigende
resultaten na een normale drogingstermijn van het metselwerk, een vochtongevoelige
voorzetwand voorzien.
Waterindringing bij regen doorheen bovengrondse wanden
Goed uitgevoerde spouwmuren geven doorgaans geen regendoorslag.
Zeer sterk belaste gevels= zuiden, westen en vooral zuidwesten.
Beperkten van regendoorslag doorheen massieve muren kan beperkt worden door het aanbrengen
van kleurloze vochtwerende producten.
Mogelijkheden voor waterdichte bekleding=
• Planken op houten structuur (+ thermische isolatie + vochtscherm + spouw)
• Leien op houten regelwerk (+isolatie + vochtscherm + spouw)
• Plaatmateriaal (+ isolatie + vochtscherm + spouw)
• Pleisterwerk (op thermische isolatie)
3
, Luchtdichtheid
Luchtstromen doorheen een bouwschil zijn afhankelijk van:
• Het drukverschil in de lucht aan beide zijden van de buitenschil
• De luchtdichtheid van de buiteenschil die afhangt van de omvang van perforaties, kieren en
spleten
Ook bij windstil weer kan door verschil in luchttemperatuur een convectiestroom ontstaan waarbij
warme lucht zich opwaarts verplaatst.
Loefzijde= de zijde waar de wind inkomt
Lijzijde= de zijde die in de luwte van de wint ligt
Luchtdichtheid= vermogen van een gebouw om de luchtstromen van buiten naar binnen maar ook
omgekeerd binnen de perken te houden.
Wanneer buitenlucht kan circuleren aan de binnenzijde van de isolatie daalt de isolatiekwaliteit
aanzienlijk met mogelijkheid tot condensatie aan de binnenzijde van de wand als gevolg.
Inwendige condensatie= wanneer binnenlucht in een koudere zone terechtkomt of tegen een koud
vlak aanbotst. Er kan waterdamp getransporteerd worden door gewone luchtverplaatsing.
4