1. Individu en/of structuur
1. Volgens Driessens en Geldof (2009) gaat de discussie binnen het
sociaal werk over:
a) Of sociaal werk zich alleen moet richten op het individu.
b) Of sociaal werk uitsluitend maatschappelijke structuren moet
aanpakken.
c) Hoe sociaal werk een balans kan vinden tussen het ondersteunen
van individuen en het aanpakken van structurele oorzaken.
d) Het belang van het scheiden van individuele en structurele
aanpakken.
2. Wat betekent de metafoor "de vis en het water" volgens Driessens
en Geldof (2009)?
a) De afhankelijkheid van het individu van structurele
ondersteuning.
b) Het idee dat je de structuur (water) moet veranderen om de
positie van het individu (vis) te verbeteren.
c) Dat individuen losstaan van hun maatschappelijke context.
d) De noodzaak om te kiezen tussen structurele en individuele
aanpak.
2. Cultuur
3. Volgens Macionis et al. (2021) wordt cultuur gekenmerkt door:
a) Een universele set normen en waarden die wereldwijd gelijk zijn.
b) Een aangeboren eigenschap die niet verandert.
c) Een dynamisch proces dat gedeelde overtuigingen, gewoonten en
symbolen omvat.
d) Een vaste structuur die individueel gedrag volledig bepaalt.
4. Welke van de volgende is volgens Macionis et al. (2021) een
voorbeeld van een materieel cultureel element?
a) Een religieuze overtuiging.
b) Een technologische innovatie zoals een smartphone.
c) Een waarde zoals gelijkheid.
d) Een norm die voorschrijft hoe men zich gedraagt.
3. Discours en normaliteit
5. Wat bedoelt Verhaeghe (2020) met "het creëren van normaliteit
door taal"?
a) Dat taal neutraal is en niet bijdraagt aan machtstructuren.
b) Dat door woorden en begrippen te gebruiken, bepaalde ideeën
, als normaal worden gezien.
c) Dat normaliteit losstaat van sociale structuren en puur individueel
is.
d) Dat taal alleen dient om feiten te beschrijven.
6. Volgens Verhaeghe (2020) is het concept van "normaliteit" in de
samenleving:
a) Een universele en onveranderlijke standaard.
b) Iets dat volledig losstaat van machtsverhoudingen.
c) Een product van sociaal geconstrueerde discoursen die macht
weerspiegelen.
d) Altijd gebaseerd op objectieve wetenschap.
4. Bestaanszekerheid
7. Wat wordt bedoeld met het begrip "precariaat" volgens Standing
(2011)?
a) Een nieuwe sociale klasse die wordt gekenmerkt door
bestaanszekerheid en vaste arbeid.
b) Een klasse van mensen die leeft met structurele onzekerheden,
zoals tijdelijke contracten en beperkte sociale bescherming.
c) Een groep die volledig afhankelijk is van overheidssteun.
d) Een eliteklasse die profiteert van flexibele arbeidsmarkten.
8. Welke van de volgende is een kenmerk van het precariaat volgens
Standing (2011)?
a) Toegang tot vaste arbeidscontracten en sociale zekerheid.
b) Het ontbreken van een collectieve identiteit en politieke
representatie.
c) Een stabiele economische positie.
d) Het streven naar traditionele klasseverschillen.
5. Polarisatie en democratie
9. Volgens De Jong (2010) beschouwt Habermas communicatie in een
democratie als:
a) Onbelangrijk voor het vormen van consensus.
b) Een middel om machtsstructuren te versterken.
c) Essentieel om rationele en inclusieve besluitvorming mogelijk te
maken.
d) Alleen nuttig in politieke debatten.
10. Habermas stelt dat een goed functionerende democratie
vereist:
1. Volgens Driessens en Geldof (2009) gaat de discussie binnen het
sociaal werk over:
a) Of sociaal werk zich alleen moet richten op het individu.
b) Of sociaal werk uitsluitend maatschappelijke structuren moet
aanpakken.
c) Hoe sociaal werk een balans kan vinden tussen het ondersteunen
van individuen en het aanpakken van structurele oorzaken.
d) Het belang van het scheiden van individuele en structurele
aanpakken.
2. Wat betekent de metafoor "de vis en het water" volgens Driessens
en Geldof (2009)?
a) De afhankelijkheid van het individu van structurele
ondersteuning.
b) Het idee dat je de structuur (water) moet veranderen om de
positie van het individu (vis) te verbeteren.
c) Dat individuen losstaan van hun maatschappelijke context.
d) De noodzaak om te kiezen tussen structurele en individuele
aanpak.
2. Cultuur
3. Volgens Macionis et al. (2021) wordt cultuur gekenmerkt door:
a) Een universele set normen en waarden die wereldwijd gelijk zijn.
b) Een aangeboren eigenschap die niet verandert.
c) Een dynamisch proces dat gedeelde overtuigingen, gewoonten en
symbolen omvat.
d) Een vaste structuur die individueel gedrag volledig bepaalt.
4. Welke van de volgende is volgens Macionis et al. (2021) een
voorbeeld van een materieel cultureel element?
a) Een religieuze overtuiging.
b) Een technologische innovatie zoals een smartphone.
c) Een waarde zoals gelijkheid.
d) Een norm die voorschrijft hoe men zich gedraagt.
3. Discours en normaliteit
5. Wat bedoelt Verhaeghe (2020) met "het creëren van normaliteit
door taal"?
a) Dat taal neutraal is en niet bijdraagt aan machtstructuren.
b) Dat door woorden en begrippen te gebruiken, bepaalde ideeën
, als normaal worden gezien.
c) Dat normaliteit losstaat van sociale structuren en puur individueel
is.
d) Dat taal alleen dient om feiten te beschrijven.
6. Volgens Verhaeghe (2020) is het concept van "normaliteit" in de
samenleving:
a) Een universele en onveranderlijke standaard.
b) Iets dat volledig losstaat van machtsverhoudingen.
c) Een product van sociaal geconstrueerde discoursen die macht
weerspiegelen.
d) Altijd gebaseerd op objectieve wetenschap.
4. Bestaanszekerheid
7. Wat wordt bedoeld met het begrip "precariaat" volgens Standing
(2011)?
a) Een nieuwe sociale klasse die wordt gekenmerkt door
bestaanszekerheid en vaste arbeid.
b) Een klasse van mensen die leeft met structurele onzekerheden,
zoals tijdelijke contracten en beperkte sociale bescherming.
c) Een groep die volledig afhankelijk is van overheidssteun.
d) Een eliteklasse die profiteert van flexibele arbeidsmarkten.
8. Welke van de volgende is een kenmerk van het precariaat volgens
Standing (2011)?
a) Toegang tot vaste arbeidscontracten en sociale zekerheid.
b) Het ontbreken van een collectieve identiteit en politieke
representatie.
c) Een stabiele economische positie.
d) Het streven naar traditionele klasseverschillen.
5. Polarisatie en democratie
9. Volgens De Jong (2010) beschouwt Habermas communicatie in een
democratie als:
a) Onbelangrijk voor het vormen van consensus.
b) Een middel om machtsstructuren te versterken.
c) Essentieel om rationele en inclusieve besluitvorming mogelijk te
maken.
d) Alleen nuttig in politieke debatten.
10. Habermas stelt dat een goed functionerende democratie
vereist: