Week 1
Hoorcollege 1
- Psychometrie: De wetenschap die zich bezighoudt met het meten van psychologische
eigenschappen en de betrouwbaarheid/validiteit van deze metingen.
- Pad diagrammen: Grafische weergave van relaties tussen observeerbare (direct
meetbare) en latente (niet-direct observeerbare) variabelen.
Theorie, statistiek en causaliteit:
Theorie helpt bij het definiëren van psychologische constructen zoals extraversie of
depressie.
Statistiek wordt gebruikt om variabiliteit en relaties tussen variabelen te analyseren
(bijv. correlatie en regressie).
Causaliteit helpt bij het begrijpen van oorzaak-gevolg relaties, zoals de invloed van
latente variabelen op observeerbaar gedrag.
Eigenschappen van variabelen:
Identiteit: De eigenschap waarbij variabelen worden gecategoriseerd (bijv.
man/vrouw).
Rangorde: De volgorde waarin categorieën kunnen worden geplaatst (bijv. mild–
matig–ernstig).
Kwantiteit: Meetbare verschillen tussen waarden, uitgedrukt in meeteenheden zoals
cm of kg.
Nulpunt: Dit kan absoluut zijn (zoals bij gewicht) of relatief (bij temperatuur in
Celsius).
Identiteit:
Waarden of categorieën kunnen van elkaar onderscheiden worden.
Voorbeeld: Kleurcategorieën zoals rood, blauw, groen (nominaal niveau).
Rangorde:
Er is een volgorde of rangschikking in de waarden, maar de afstanden tussen de
waarden zijn niet precies gedefinieerd.
Voorbeeld: Schoolcijfers als "voldoende," "goed," en "uitstekend."
Hier is identiteit aanwezig (je kunt de categorieën onderscheiden), maar er is geen
kwantitatieve afstand.
Kwantiteit:
De waarden zijn numeriek en hebben een bepaalde hoeveelheid of afstand.
Voorbeeld: Lengte in meters, temperatuur in graden Celsius.
Nulpunt:
Waarden zijn absoluut of relatief.
Voorbeeld: gewicht of tempratuur.
,Meetniveaus:
Nominaal: Categorische data zonder ordening (bijv. geslacht).
Ordinaal: Data met een rangorde, maar zonder gelijke intervallen (bijv.
opleidingsniveau).
Interval: Data met gelijke intervallen, maar zonder absoluut nulpunt (bijv.
temperatuur).
Ratio: Data met een absoluut nulpunt en gelijke intervallen (bijv. lengte en gewicht).
Betrouwbaarheid en validiteit:
Betrouwbaarheid: Consistentie van de metingen, of herhaalde metingen dezelfde
resultaten opleveren.
Validiteit: Of de test meet wat het bedoelt te meten, bijvoorbeeld constructvaliditeit en
voorspellende validiteit.
Latente variabelen en meetfout:
Latente variabelen zijn psychologische constructen zoals persoonlijkheid of
intelligentie, die niet direct meetbaar zijn.
Meetfout (error) komt altijd voor en verwijst naar het verschil tussen de gemeten en de
ware waarde van een variabele.
ADHD als voorbeeld van psychologische theorie:
De symptomen van ADHD (zoals moeite met concentreren) kunnen worden gemeten
met behulp van specifieke vragen in vragenlijsten.
Reflectief construct: Indicatoren zijn gevolgen van het construct → sterke onderlinge
correlaties.
- Voorbeeld:
Depressie (het construct) veroorzaakt symptomen zoals:
o Slapeloosheid
o Somberheid
o Vermoeidheid
- Deze symptomen zijn gevolgen van depressie en correleren sterk onderling.
Formatief construct: Indicatoren vormen samen het construct → geen sterke onderlinge
correlaties vereist.
- Voorbeeld:
Sociaal-economische status (SES) (het construct) wordt bepaald door:
o Inkomen
o Opleidingsniveau
o Beroepsstatus
, - Deze indicatoren vormen samen SES, maar hoeven niet sterk met elkaar te correleren.
Nulhypothese (H₀):
De nulhypothese stelt dat er geen effect of geen verband is tussen variabelen.
Bijvoorbeeld: "IQ is geen voorspeller van depressie."
P-waarde en significantie:
Als de p-waarde kleiner is dan het gekozen significantieniveau (α\alphaα, bijv. 0.01),
dan verwerpen we H₀.
Als de p-waarde groter is dan α\alphaα, dan verwerpen we H₀ niet. Dit betekent dat
er niet voldoende bewijs is om de nulhypothese te verwerpen.
Niet significant resultaat:
Bij een niet-significant resultaat (bijvoorbeeld p=0.015p = 0.015p=0.015 bij α=0.01\
alpha = 0.01α=0.01):
o We verwerpen de nulhypothese niet.
o Dit betekent niet dat de nulhypothese waar is, maar alleen dat er onvoldoende
bewijs is om deze te verwerpen
Voorbeeld vraag:
X = 2 invullen en dan kom je uit op 96.
Hoorcollege 1
- Psychometrie: De wetenschap die zich bezighoudt met het meten van psychologische
eigenschappen en de betrouwbaarheid/validiteit van deze metingen.
- Pad diagrammen: Grafische weergave van relaties tussen observeerbare (direct
meetbare) en latente (niet-direct observeerbare) variabelen.
Theorie, statistiek en causaliteit:
Theorie helpt bij het definiëren van psychologische constructen zoals extraversie of
depressie.
Statistiek wordt gebruikt om variabiliteit en relaties tussen variabelen te analyseren
(bijv. correlatie en regressie).
Causaliteit helpt bij het begrijpen van oorzaak-gevolg relaties, zoals de invloed van
latente variabelen op observeerbaar gedrag.
Eigenschappen van variabelen:
Identiteit: De eigenschap waarbij variabelen worden gecategoriseerd (bijv.
man/vrouw).
Rangorde: De volgorde waarin categorieën kunnen worden geplaatst (bijv. mild–
matig–ernstig).
Kwantiteit: Meetbare verschillen tussen waarden, uitgedrukt in meeteenheden zoals
cm of kg.
Nulpunt: Dit kan absoluut zijn (zoals bij gewicht) of relatief (bij temperatuur in
Celsius).
Identiteit:
Waarden of categorieën kunnen van elkaar onderscheiden worden.
Voorbeeld: Kleurcategorieën zoals rood, blauw, groen (nominaal niveau).
Rangorde:
Er is een volgorde of rangschikking in de waarden, maar de afstanden tussen de
waarden zijn niet precies gedefinieerd.
Voorbeeld: Schoolcijfers als "voldoende," "goed," en "uitstekend."
Hier is identiteit aanwezig (je kunt de categorieën onderscheiden), maar er is geen
kwantitatieve afstand.
Kwantiteit:
De waarden zijn numeriek en hebben een bepaalde hoeveelheid of afstand.
Voorbeeld: Lengte in meters, temperatuur in graden Celsius.
Nulpunt:
Waarden zijn absoluut of relatief.
Voorbeeld: gewicht of tempratuur.
,Meetniveaus:
Nominaal: Categorische data zonder ordening (bijv. geslacht).
Ordinaal: Data met een rangorde, maar zonder gelijke intervallen (bijv.
opleidingsniveau).
Interval: Data met gelijke intervallen, maar zonder absoluut nulpunt (bijv.
temperatuur).
Ratio: Data met een absoluut nulpunt en gelijke intervallen (bijv. lengte en gewicht).
Betrouwbaarheid en validiteit:
Betrouwbaarheid: Consistentie van de metingen, of herhaalde metingen dezelfde
resultaten opleveren.
Validiteit: Of de test meet wat het bedoelt te meten, bijvoorbeeld constructvaliditeit en
voorspellende validiteit.
Latente variabelen en meetfout:
Latente variabelen zijn psychologische constructen zoals persoonlijkheid of
intelligentie, die niet direct meetbaar zijn.
Meetfout (error) komt altijd voor en verwijst naar het verschil tussen de gemeten en de
ware waarde van een variabele.
ADHD als voorbeeld van psychologische theorie:
De symptomen van ADHD (zoals moeite met concentreren) kunnen worden gemeten
met behulp van specifieke vragen in vragenlijsten.
Reflectief construct: Indicatoren zijn gevolgen van het construct → sterke onderlinge
correlaties.
- Voorbeeld:
Depressie (het construct) veroorzaakt symptomen zoals:
o Slapeloosheid
o Somberheid
o Vermoeidheid
- Deze symptomen zijn gevolgen van depressie en correleren sterk onderling.
Formatief construct: Indicatoren vormen samen het construct → geen sterke onderlinge
correlaties vereist.
- Voorbeeld:
Sociaal-economische status (SES) (het construct) wordt bepaald door:
o Inkomen
o Opleidingsniveau
o Beroepsstatus
, - Deze indicatoren vormen samen SES, maar hoeven niet sterk met elkaar te correleren.
Nulhypothese (H₀):
De nulhypothese stelt dat er geen effect of geen verband is tussen variabelen.
Bijvoorbeeld: "IQ is geen voorspeller van depressie."
P-waarde en significantie:
Als de p-waarde kleiner is dan het gekozen significantieniveau (α\alphaα, bijv. 0.01),
dan verwerpen we H₀.
Als de p-waarde groter is dan α\alphaα, dan verwerpen we H₀ niet. Dit betekent dat
er niet voldoende bewijs is om de nulhypothese te verwerpen.
Niet significant resultaat:
Bij een niet-significant resultaat (bijvoorbeeld p=0.015p = 0.015p=0.015 bij α=0.01\
alpha = 0.01α=0.01):
o We verwerpen de nulhypothese niet.
o Dit betekent niet dat de nulhypothese waar is, maar alleen dat er onvoldoende
bewijs is om deze te verwerpen
Voorbeeld vraag:
X = 2 invullen en dan kom je uit op 96.