Examen januari 2025 – TP1- Fleur Verdonck
Leerstof: Thomas more Antwerpen
1
,Inhoud:
o Hoofdstuk 1, 2 &3. -> Onderzoeksmethode
o Specialisatie les 1 -> Pseudowetenschappen.
o Hoofdstuk 4. -> Waarneming
o Hoofdstuk 5 &6. -> Geheugen.
o Hoofdstuk 7. -> Aandacht
o Specialisatie les 2 -> Bewustzijn.
o Specialisatie les 3 -> Getallen en wiskunde
o Specialisatie les 4 & 5. -> Denken 1&2.
o Specialisatie les 6 -> Taal.
o Hoofdstuk 8&9 . -> Leren en omgeving 1&2.
o Specialisatie les 7 -> Motivatie en Emotie
2
,Onderzoeksmethode.
Empirische cyclus -> gebruikt om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren volgens een goede
structuur (systematisch proces)
1. Theorie
Na de volledige empirische cyclus =>
2. Hypothese publiceren, bekritiseren en repliceren van
het wetenschappelijk onderzoek door
3. Data verzameling
peers.
4. Beschrijvende analyse Daarna pas publicatie in vakbladen etc.
5. Inductieve analyse.
Opdeling verschillende stappen van de empirische cyclus:
Theorie = Een toetsbaar iets en geen vaststaand feit.
Hypothese = Falsifieerbare voorspelling v/d uitkomst van een wetenschappelijk
onderzoek.
Data verzameling = Een manier of onderzoeksmethode om date te verzamelen voor het
onderzoek (6 soorten)
• Interview -> Drie vormen. Gestructureerd,
semigestructureerd en vrij (geen structuur)
• Observatie -> Oberserveerders die of professionele
onbekenden zijn of bekenden.
• Experimenteel onderzoek -> De onderzoeker maakt
gebruik van AV/ OV en bekijkt alle omstandigheden van het
onderzoek.
• Vragenlijst onderzoek-> Respondent vult een vragenlijst in
en observeert zo zichzelf. (B en VD)
• Geval studie -> “Speciale gevallen”. Individuen met een
zeldzame stoornis.
• Correlationeel onderzoek -> Relatie/verband tussen twee
variabelen onderzoeken.
Beschrijvende = Feiten verzamelen en een objectieve beschrijving geven van de
analyse realiteit.
Inductieve analyse = Significatie bepalen, van specifieke data naar algemene inzichten.
Onderdeel observatie => Experiment Loftus en
Palmer, duiden aan dat mensen zich soms andere
dingen menen te herinneren door andere
vraagstellingen.
3
, Betrouwbaarheid en validiteit :
Betrouwbaarheid = hoe 1. Test- hertest om zo de mate te vinden waar resultaten
consistent en stabiel de test hetzelfde zijn op verschillende momenten/ tijdstippen.
meet wat hij moet meten. 2. Interne consistentie betrouwbaarheid is de mate
Hoe garanderen? -> waarin verschillende items van een test hetzelfde
meten.
3. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is de mate waarin
verschillende beoordelaars uit hetzelfde experiment
dezelfde resultaten aangeven. (bij observatie bv.)
➔ Hoe meer items samenhangen hoe groter de interne
consistentie.
Validiteit = de mate waarin een 1. Gezichstvaliditeit = in hoeverre met de test op het
test effectief meet wat het eerste gezicht wat hij moet weten? ( als er oefening op
beoogd te meten. een wiskunde test staan zal deze wiskunde meten)
(verschillende soorten 2. Predictieve of criterium validiteit = de mate waarin
validiteit) een test toekomstig gedrag kan voorspelle. (hoog IQ =
goede schoolresulaten)
3. Convergente validiteit = mate waarin 2 testen
samenhangen .
4. Discriminerende validiteit = mate waarin 2 testen niet
samenhangen.
5. Constructvaliditeit = mate waarin een test meet wat
hij moet meten en wel of niet samenhangt, meest
omvattende vorm.
➔ Bij te veel gezichtsvalideit ontstaat er een error en bij te
veel duid dat op sociale wenselijkheid.
Verschillende soorten neuro-imaging voor het testen van bv. Eerlijkheid, geen sociale
wenselijke antwoorden of reacties die zich in het brein voordoen.
• CAT scan/ CT scan ➔ Structureel ( bouwtsenen, wat is
• MRI (zonder radiatie) er? Wat zie je?)
• fMRI (activiteit hersenen meten)
➔ functioneel ( processen.
• Spect scan
Wat gebeurt er?)
4