Fonetiek en fonologie
1. Inleidende begrippen
1.1. Taal
Taalteken: waarneembare vorm met niet-waarneembare betekenis
Bv. vorm ‘koe’ heeft betekenis ‘melkproducerend herkauwend zoogdier’
Dezelfde betekenis wordt in andere talen gedragen door heel andere vormen
Één en dezelfde vorm kan in één taal volkomen verschillende betekenissen hebben
Bv. hij was, bijenwas, bonte was…
Deelaspecten van taal:
• Fonetiek en fonologie: hebben betrekking op spraakklanken
o Fonetiek: bestudeert waarneembare eigenschappen van klanken, heeft geen belang tot welke taal
deze klanken behoren
Ze worden geproduceerd door menselijk stemapparaat of een imitatie daarvan
o Fonologie: verwijst naar welbepaalde taal
Welke klanken hebben in die taal een betekenisonderscheidende functie?
➔ Fonemen van een welbepaalde taal
• Semantiek of betekenisleer: houdt zich bezig met niveau van de betekenis
Betekenis van woorden afzonderlijk, maar ook van grotere eenheden, zoals woordgroepen en zinnen
• Syntaxis: bestudeert zinsopbouw
Samenvoegen van woorden in groepen, die op hun beurt als delen van een zin functioneren
Syntactische regels: hoe worden woorden op een gepaste manier samengevoegd tot welgevormde zinnen?
• Morfologie: bestudeert vormveranderingen die woorden ondergaan als ze in een verschillende syntactische
context gebruikt worden, of op een andere manier een betekenisverandering ondergaan
Flexie en woordvorming onderscheiden
• Pragmatiek: richt zich op manier waarop taal gebruikt wordt in dagelijks leven
• Metalinguïstiek: nadenken, reflecteren over taal
1.2. Relatie taal en spraak
Spraak: vermogen om gedachten te uiten d.m.v. gearticuleerde klanken en woorden
= perifere deel van taalvermogen (wijze waarop ideeën tot uiting worden gebracht)
Mentale processen die zich afspelen in het diepst van de geest van de taalgebruiker (= centrale processen), wordt
d.m.v. spraak, de processen die zich afspelen aan de buitenkant van het menselijk lichaam (= perifere processen),
geuit.
‘Langage’: langue (taal) en parole (spraak)
Spraak = individueel gebruik van ‘la langue’
= actief, een werking die individueel verschillend is
Taal = sociaal aspect van ‘langage’, voor allen ter beschikking staand
= passief, een afgerond iets, een systeem dat overgeërfd wordt
Verhouding tussen taal en spraak = verhouding tussen inhoud en vorm
Taal: systeem van bepaalde symbolen om het psychische leven te kunnen uiten
Spraak: wijze of vorm waarop dit systeem wordt aangewend
Competence: aangeboren taalkundige vaardigheid of onbewuste taalkennis van elke taalgebruiker
Performance: wijze waarop een taalgebruiker deze vaardigheid in concrete omstandigheden gebruikt
1.3. Taal en communicatie
Spreker – hoorder
1-3: productie van spraak
➔ Articulatorische fonetiek
5-7: perceptie van spraak
➔ Auditieve fonetiek
1
,- Bedoeling (fase 1) van spreker wordt onder woorden gebracht (fase 2)
- Spreker zoekt woorden om concepten mee aan te duiden en vindt geschikte zinsstructuren om verbanden aan te
geven tussen die concepten
- Spreker moet taalbouwsel naar buiten brengen: opschrijven of gebaren, maar meestal uitspreken (fase 3)
- Er ontstaat spraakgeluid: kleine, zeer snel op elkaar volgende verstoringen van de luchtdruk (fase 4)
- Hoorder vangt luchtdrukverstoringen op en krijgt geluidssensatie (fase 5)
- Hoorder is in staat om in geluidsstroom woorden te herkennen, in specifieke volgorde: er is sprake van verstaan
(fase 6)
- Hoorder is ook in staat om uit de herkende woorden de oorspronkelijke bedoeling van de spreker te achterhalen:
er is sprake van begrijpen (fase 7)
= spraakketen
Communicatieproces ondervindt hinder of wordt geheel onmogelijk wanneer een of meerdere deelprocessen in de
keten onvolkomen zijn
Storingen op niveau van formuleren en verstaan
➔ Gevolg van gebrekkige kennis van taal of afasie
Afasie: verzamelnaam voor taalgebruikstoornissen, kunnen optreden als gevolg van een hersenletsel
Motorische afasie: patiënt heeft geen toegang meer tot alle woorden die hij nodig heeft om te zeggen wat hij bedoelt,
kan de woorden wel nog herkennen
Afasie kan ook de hoorder treffen = sensorische afasie: niet meer in staat om woorden te herkennen, die hij zelf wel
nog correct in het spreken kan gebruiken
Afatische patiënten vertonen mengvormen van verschillende typen van afasie: zowel het formuleren en het
herkennen zijn in verschillende mate verstoord
Besturing van spraakorganen verloopt verkeerd, kan optreden als gevolg van gebrekkige kennis van de taal, maar kan
ook andere oorzaken hebben
Bv. stotteren
Anatomische defecten aan spraakorganen kunnen spraakcommunicatie nadelig beïnvloeden
Bv. schisisproblematiek (bv hazenlip)
Storing in spraakketen: afstand tussen hoorder en spreker is erg groot, of te veel omgevingsfactoren, of hoorder is
slechthorend
➔ Spreker is tevens hoorder van zijn eigen spraak; slechthorendheid is een handicap bij horen
als bij spreken
Voorwaarden bij communicatieproces:
- Spreker en hoorder moeten toegang hebben tot hetzelfde transmissiekanaal (bv lucht om hen heen, telefoonlijn…)
- Spreken en luisteraar moeten toegang hebben tot dezelfde taalcode, dezelfde taal
Er bestaat een onverbrekelijke samenhang tussen uiterlijk waarneembare, concrete, fysieke verschijnselen (signaal) en
het abstracte stelsel van afspraken (taalcode): boodschap gecodeerd tot een signaal door de spreken & uit signaal
gedoceerd door luisteraar
Menselijke taal: ingewikkelde code
Taal: gestructureerde code & dubbele code
➔ Gestructureerd: eenheid van talige communicatie is de zin, zin -> woordgroepen -> woorden
Woord: betekenisdragende woorddelen (morfemen) en morfemen bestaan uit klanken (fonemen)
Bv. morfeem: ‘medewerker’ bestaat uit mede+werk+er
Foneem: /w+Ɛ+r+k/
➔ Dubbele code: overgang van concept naar spraakgeluid verloopt in 2 stappen
o Omzetting van concept in abstracte taaltekens (abstracte klankvorm)
o Omzetting in concrete taaltekens (concrete klankvorm)
Bv. ‘op de dag vòòr heden heb ik me tegen betaling een tweewielig voertuig aangeschaft’
Abstracte taalvorm:
Concrete spraakklanken:
➔ Verschillende regels -> dubbele code
Kant van de luisteraar: proces verloopt omgekeerd
Eerst concrete spraakgeluid in verband brengen met abstracte klankvorm (‘verstaan’) en vervolgens abstracte
klankvorm relateren aan bedoelde gedachte (‘begrijpen’)
Taaltekens verenigen in zich zowel een abstracte en een concrete betekenis als een abstracte en concrete vorm
Bv. teken ‘fiets’ verwijst door betekenis naar abstracte concept ‘tweewielig voertuig’ maar in een gegeven situatie
kan het ook één concrete fiets aanduiden
2
,Ook klankvorm heeft een abstract en concreet aspect
Bv. concreet spraakgeluid, maar daarin ligt een abstract klankpatroon geborgen, dat een
eenheid vormt met het abstracte concept
Abstracte vorm en betekenis van taaltekens zijn een noodzakelijke voorwaarde voor een goed verloop van de
communicatie
Concrete vorm en betekenis zijn zeer variabel omdat ze gebonden zijn aan feitelijke situatie en concrete individuen
1.4. Fonetiek en fonologie
Fonologie
We proberen na te gaan wat de inventaris is van de spraakklanken die een woordonderscheidende functie kunnen
vervullen, de zogenaamde ‘fonemen’
Bv. klinkers in ‘schoon’ en ‘schoen’ zijn verschillende fonemen, omdat ze aan de basis liggen van het betekenisverschil
tussen die 2 woorden
De verschillende wijzen waarop men de medeklinkers in ‘raar’ kan uitspreken corresponderen niet met verschillende
betekenissen
De verschillende r-klanken zijn geen onderscheiden fonemen
- Hoe kan men een woord opdelen in fonemen?
Bv. ‘sch’ in ‘schim’ is een combinatie van 2 fonemen
Want ‘ch’ kan je vervangen door ‘l’ en daardoor zal de betekenis van het woord wijzigen ‘slim’
In ‘tsaar’ kan de ‘ts’ gezien worden als 1 foneem, want vervangingen zoals ‘psaar’ of ‘tkaar’ zijn onmogelijk
terwijl vervangen van ‘ts’ wel als geheel tot een zinnig betekenisonderscheid leidt: maar, baar, vaar…
- Combineerbaarheid fonemen tot morfemen
Bv. ‘zing’ blijkt mogelijk, maar het spiegelbeeld hiervan is uitgesloten
Bv. ‘sploot’ zou een Nederlands woord kunnen zijn, maar ‘stloot’ of ‘psloot’ niet
- Hoe beïnvloeden fonemen elkaar in gegeven combinaties?
Bv. op grens tussen 2 woorddelen wordt klankcombinaties /s+d/ gerealiseerd als /zd/, terwijl klankcombinatie /d+s/
wordt gerealiseerd als /ts/
Fonologie stelt zich tot taak de foneeminventaris van een taal op te stellen en regels te formuleren in verband met
combineerbaarheid en wederzijdse beïnvloeding van deze abstracte klankeenheden
Fonetiek
Klankveranderingen als /s+d/ tot /zd/ hebben we de overgang van fonologie naar fonetiek ingeleid
Fonetiek bestudeert hoe abstracte klankeenheden concreet gerealiseerd worden: hoe ze door de spraakorganen
worden gearticuleerd, welke fysische-akoestische eigenschappen ze hebben en hoe ze worden waargenomen
Een foneem wordt nooit op dezelfde wijze gearticuleerd, ook niet door één en dezelfde spreker
Bv. foneem /k/ in ‘koel’: gerealiseerd door contact tussen tong en verhemelte achteraan in de mond, maar dezelfde
spraakklanken wordt in ‘kiel’ veel meer naar voren in de mond gevormd
Foneem heeft geen invariante articulatorische identiteit -> foneem heeft ook geen eigen akoestisch gezicht:
geluidsgolven die ermee corresponderen zijn nooit helemaal gelijk
Fonetiek probeert articulatorische en akoestische variantie te verklaren
1.5. Fonetisch schrift
Fonetisch alfabet van de IPA (International Phonetic Association)
Het systeem gaat uit van de veronderstelling dat het mogelijk is woordvormen op te delen in discrete opeenvolgende
segmenten = spraakklanken
Analyse van woordvormen in discrete spraakklanken vereist een hoge mate van abstractie
Fonologisch principe: onmisbaar uitgangspunt
- Woordgehelen opdelen in betekenisloze delen die overeenkomen met fonemen van de taal
- Verfijningen worden hierop toegepast: uitspraakverschillen weergeven die niet noodzakelijk een
betekenisverandering met zich meebrengen, maar die toch zo groot zijn dat ze kunnen opgemerkt worden
Fonetisch schrift moet evenveel verschillende symbolen als verschillende fonemen tellen
➔ Nederlands: 40-tal fonemen
Alfabet telt maar 26 letters -> niet voldoende
3
, 2. Bouw en werking van de spraakorganen
2.1. Inleiding
Spraak: hoorbaar gemaakte beweging
➔ Tijdens spreken veroorzaken bewegingen van de spraakorganen luchttrillingen, die we horen
als spraakgeluiden
Dergelijke luchttrillingen hangt nauw samen met de bouw en werking van de spraakorganen
Diafragma: scheidt longen en borst van buik
Door hoge larynx ligging bij baby’s kunnen ze ademen en drinken tegelijk
Longen: bloed zuiveren van koolzuur en van zuurstof voorzien
➔ Ademhaling nodig, via luchtwegen
Voor spreken: gewijzigde vorm van ademhaling
➔ Levert voornaamste energiebron
Strottenhoofd = larynx: beschermt luchtwegen tegen passerend voedsel bij slikken, want stortklepje = epiglottis sluit
ingang naar luchtweg af
Epiglottis: fijn regelbaar instrument voor omzetten van luchtstroom uit longen tot hoorbare trilling, met nauwkeurig
bestuurbare toonhoogte
Mond-, keel-, neusholtes: betrokken bij ademhaling
➔ Tanden en tong (in mondholte): belang voor innemen van voedsel
Neus: ruiken
Zachte verhemelte met de huig: bij slikken neusholte afsluiten van de mondholte
Bij spreken: holtes boven strottenhoofd van groot belang
➔ Er worden op verschillende plaatsen afsluitingen gemaakt, waardoor luchtstroom uit longen
geblokkeerd kan worden
➔ Kunnen ook op andere manier van vorm veranderen: grote verscheidenheid aan
spraakgeluiden
Vorm keelholte wordt bepaald door positie strottenhoofd
➔ Kan op en neer bewegen
Neusholte heeft geen veranderlijke vorm
➔ Resonator als, door het dalen van zachte verhemelte = velum, een verbinding met keelholte
tot stand komt
Bv. bij articulatie van /m/ en /n/
Mondholte is meest variabele resonator
➔ Vorm wordt bepaald door stand van tong, lippen en onderkaak = mandibula
Typische en unieke eigenschap van spraakapparaat als geluid producerend systeem: bron (stemplooitrillingen) en
filters (beïnvloeden klank en resonantieholtes) werken onafhankelijk van elkaar
➔ Stemplooitrilllingen aan- en uitschakelen, terwijl vorm van resonatoren constant blijft. Men
produceert dan afwisselend een stemhebbende en stemloze consonant.
Stemplooitrillingen verhogen of verlagen bij constante vorm van resonatoren. Dan spreekt (of
zingt) men dezelfde klinkers op verschillende toonhoogtes.
➔ Vorm van resonatoren variëren bij constante frequentie van stemplooistrillingen. Men
produceert dan verschillende klinkers met gelijke toonhoogte
Anatomische structuren die rol spelen bij productie van spraak kunnen we in 3 groepen onderverdelen
Namen van groepen refereren aan hun positie t.o.v. ruimte tussen stemplooien of stemspleet = glottis
4
1. Inleidende begrippen
1.1. Taal
Taalteken: waarneembare vorm met niet-waarneembare betekenis
Bv. vorm ‘koe’ heeft betekenis ‘melkproducerend herkauwend zoogdier’
Dezelfde betekenis wordt in andere talen gedragen door heel andere vormen
Één en dezelfde vorm kan in één taal volkomen verschillende betekenissen hebben
Bv. hij was, bijenwas, bonte was…
Deelaspecten van taal:
• Fonetiek en fonologie: hebben betrekking op spraakklanken
o Fonetiek: bestudeert waarneembare eigenschappen van klanken, heeft geen belang tot welke taal
deze klanken behoren
Ze worden geproduceerd door menselijk stemapparaat of een imitatie daarvan
o Fonologie: verwijst naar welbepaalde taal
Welke klanken hebben in die taal een betekenisonderscheidende functie?
➔ Fonemen van een welbepaalde taal
• Semantiek of betekenisleer: houdt zich bezig met niveau van de betekenis
Betekenis van woorden afzonderlijk, maar ook van grotere eenheden, zoals woordgroepen en zinnen
• Syntaxis: bestudeert zinsopbouw
Samenvoegen van woorden in groepen, die op hun beurt als delen van een zin functioneren
Syntactische regels: hoe worden woorden op een gepaste manier samengevoegd tot welgevormde zinnen?
• Morfologie: bestudeert vormveranderingen die woorden ondergaan als ze in een verschillende syntactische
context gebruikt worden, of op een andere manier een betekenisverandering ondergaan
Flexie en woordvorming onderscheiden
• Pragmatiek: richt zich op manier waarop taal gebruikt wordt in dagelijks leven
• Metalinguïstiek: nadenken, reflecteren over taal
1.2. Relatie taal en spraak
Spraak: vermogen om gedachten te uiten d.m.v. gearticuleerde klanken en woorden
= perifere deel van taalvermogen (wijze waarop ideeën tot uiting worden gebracht)
Mentale processen die zich afspelen in het diepst van de geest van de taalgebruiker (= centrale processen), wordt
d.m.v. spraak, de processen die zich afspelen aan de buitenkant van het menselijk lichaam (= perifere processen),
geuit.
‘Langage’: langue (taal) en parole (spraak)
Spraak = individueel gebruik van ‘la langue’
= actief, een werking die individueel verschillend is
Taal = sociaal aspect van ‘langage’, voor allen ter beschikking staand
= passief, een afgerond iets, een systeem dat overgeërfd wordt
Verhouding tussen taal en spraak = verhouding tussen inhoud en vorm
Taal: systeem van bepaalde symbolen om het psychische leven te kunnen uiten
Spraak: wijze of vorm waarop dit systeem wordt aangewend
Competence: aangeboren taalkundige vaardigheid of onbewuste taalkennis van elke taalgebruiker
Performance: wijze waarop een taalgebruiker deze vaardigheid in concrete omstandigheden gebruikt
1.3. Taal en communicatie
Spreker – hoorder
1-3: productie van spraak
➔ Articulatorische fonetiek
5-7: perceptie van spraak
➔ Auditieve fonetiek
1
,- Bedoeling (fase 1) van spreker wordt onder woorden gebracht (fase 2)
- Spreker zoekt woorden om concepten mee aan te duiden en vindt geschikte zinsstructuren om verbanden aan te
geven tussen die concepten
- Spreker moet taalbouwsel naar buiten brengen: opschrijven of gebaren, maar meestal uitspreken (fase 3)
- Er ontstaat spraakgeluid: kleine, zeer snel op elkaar volgende verstoringen van de luchtdruk (fase 4)
- Hoorder vangt luchtdrukverstoringen op en krijgt geluidssensatie (fase 5)
- Hoorder is in staat om in geluidsstroom woorden te herkennen, in specifieke volgorde: er is sprake van verstaan
(fase 6)
- Hoorder is ook in staat om uit de herkende woorden de oorspronkelijke bedoeling van de spreker te achterhalen:
er is sprake van begrijpen (fase 7)
= spraakketen
Communicatieproces ondervindt hinder of wordt geheel onmogelijk wanneer een of meerdere deelprocessen in de
keten onvolkomen zijn
Storingen op niveau van formuleren en verstaan
➔ Gevolg van gebrekkige kennis van taal of afasie
Afasie: verzamelnaam voor taalgebruikstoornissen, kunnen optreden als gevolg van een hersenletsel
Motorische afasie: patiënt heeft geen toegang meer tot alle woorden die hij nodig heeft om te zeggen wat hij bedoelt,
kan de woorden wel nog herkennen
Afasie kan ook de hoorder treffen = sensorische afasie: niet meer in staat om woorden te herkennen, die hij zelf wel
nog correct in het spreken kan gebruiken
Afatische patiënten vertonen mengvormen van verschillende typen van afasie: zowel het formuleren en het
herkennen zijn in verschillende mate verstoord
Besturing van spraakorganen verloopt verkeerd, kan optreden als gevolg van gebrekkige kennis van de taal, maar kan
ook andere oorzaken hebben
Bv. stotteren
Anatomische defecten aan spraakorganen kunnen spraakcommunicatie nadelig beïnvloeden
Bv. schisisproblematiek (bv hazenlip)
Storing in spraakketen: afstand tussen hoorder en spreker is erg groot, of te veel omgevingsfactoren, of hoorder is
slechthorend
➔ Spreker is tevens hoorder van zijn eigen spraak; slechthorendheid is een handicap bij horen
als bij spreken
Voorwaarden bij communicatieproces:
- Spreker en hoorder moeten toegang hebben tot hetzelfde transmissiekanaal (bv lucht om hen heen, telefoonlijn…)
- Spreken en luisteraar moeten toegang hebben tot dezelfde taalcode, dezelfde taal
Er bestaat een onverbrekelijke samenhang tussen uiterlijk waarneembare, concrete, fysieke verschijnselen (signaal) en
het abstracte stelsel van afspraken (taalcode): boodschap gecodeerd tot een signaal door de spreken & uit signaal
gedoceerd door luisteraar
Menselijke taal: ingewikkelde code
Taal: gestructureerde code & dubbele code
➔ Gestructureerd: eenheid van talige communicatie is de zin, zin -> woordgroepen -> woorden
Woord: betekenisdragende woorddelen (morfemen) en morfemen bestaan uit klanken (fonemen)
Bv. morfeem: ‘medewerker’ bestaat uit mede+werk+er
Foneem: /w+Ɛ+r+k/
➔ Dubbele code: overgang van concept naar spraakgeluid verloopt in 2 stappen
o Omzetting van concept in abstracte taaltekens (abstracte klankvorm)
o Omzetting in concrete taaltekens (concrete klankvorm)
Bv. ‘op de dag vòòr heden heb ik me tegen betaling een tweewielig voertuig aangeschaft’
Abstracte taalvorm:
Concrete spraakklanken:
➔ Verschillende regels -> dubbele code
Kant van de luisteraar: proces verloopt omgekeerd
Eerst concrete spraakgeluid in verband brengen met abstracte klankvorm (‘verstaan’) en vervolgens abstracte
klankvorm relateren aan bedoelde gedachte (‘begrijpen’)
Taaltekens verenigen in zich zowel een abstracte en een concrete betekenis als een abstracte en concrete vorm
Bv. teken ‘fiets’ verwijst door betekenis naar abstracte concept ‘tweewielig voertuig’ maar in een gegeven situatie
kan het ook één concrete fiets aanduiden
2
,Ook klankvorm heeft een abstract en concreet aspect
Bv. concreet spraakgeluid, maar daarin ligt een abstract klankpatroon geborgen, dat een
eenheid vormt met het abstracte concept
Abstracte vorm en betekenis van taaltekens zijn een noodzakelijke voorwaarde voor een goed verloop van de
communicatie
Concrete vorm en betekenis zijn zeer variabel omdat ze gebonden zijn aan feitelijke situatie en concrete individuen
1.4. Fonetiek en fonologie
Fonologie
We proberen na te gaan wat de inventaris is van de spraakklanken die een woordonderscheidende functie kunnen
vervullen, de zogenaamde ‘fonemen’
Bv. klinkers in ‘schoon’ en ‘schoen’ zijn verschillende fonemen, omdat ze aan de basis liggen van het betekenisverschil
tussen die 2 woorden
De verschillende wijzen waarop men de medeklinkers in ‘raar’ kan uitspreken corresponderen niet met verschillende
betekenissen
De verschillende r-klanken zijn geen onderscheiden fonemen
- Hoe kan men een woord opdelen in fonemen?
Bv. ‘sch’ in ‘schim’ is een combinatie van 2 fonemen
Want ‘ch’ kan je vervangen door ‘l’ en daardoor zal de betekenis van het woord wijzigen ‘slim’
In ‘tsaar’ kan de ‘ts’ gezien worden als 1 foneem, want vervangingen zoals ‘psaar’ of ‘tkaar’ zijn onmogelijk
terwijl vervangen van ‘ts’ wel als geheel tot een zinnig betekenisonderscheid leidt: maar, baar, vaar…
- Combineerbaarheid fonemen tot morfemen
Bv. ‘zing’ blijkt mogelijk, maar het spiegelbeeld hiervan is uitgesloten
Bv. ‘sploot’ zou een Nederlands woord kunnen zijn, maar ‘stloot’ of ‘psloot’ niet
- Hoe beïnvloeden fonemen elkaar in gegeven combinaties?
Bv. op grens tussen 2 woorddelen wordt klankcombinaties /s+d/ gerealiseerd als /zd/, terwijl klankcombinatie /d+s/
wordt gerealiseerd als /ts/
Fonologie stelt zich tot taak de foneeminventaris van een taal op te stellen en regels te formuleren in verband met
combineerbaarheid en wederzijdse beïnvloeding van deze abstracte klankeenheden
Fonetiek
Klankveranderingen als /s+d/ tot /zd/ hebben we de overgang van fonologie naar fonetiek ingeleid
Fonetiek bestudeert hoe abstracte klankeenheden concreet gerealiseerd worden: hoe ze door de spraakorganen
worden gearticuleerd, welke fysische-akoestische eigenschappen ze hebben en hoe ze worden waargenomen
Een foneem wordt nooit op dezelfde wijze gearticuleerd, ook niet door één en dezelfde spreker
Bv. foneem /k/ in ‘koel’: gerealiseerd door contact tussen tong en verhemelte achteraan in de mond, maar dezelfde
spraakklanken wordt in ‘kiel’ veel meer naar voren in de mond gevormd
Foneem heeft geen invariante articulatorische identiteit -> foneem heeft ook geen eigen akoestisch gezicht:
geluidsgolven die ermee corresponderen zijn nooit helemaal gelijk
Fonetiek probeert articulatorische en akoestische variantie te verklaren
1.5. Fonetisch schrift
Fonetisch alfabet van de IPA (International Phonetic Association)
Het systeem gaat uit van de veronderstelling dat het mogelijk is woordvormen op te delen in discrete opeenvolgende
segmenten = spraakklanken
Analyse van woordvormen in discrete spraakklanken vereist een hoge mate van abstractie
Fonologisch principe: onmisbaar uitgangspunt
- Woordgehelen opdelen in betekenisloze delen die overeenkomen met fonemen van de taal
- Verfijningen worden hierop toegepast: uitspraakverschillen weergeven die niet noodzakelijk een
betekenisverandering met zich meebrengen, maar die toch zo groot zijn dat ze kunnen opgemerkt worden
Fonetisch schrift moet evenveel verschillende symbolen als verschillende fonemen tellen
➔ Nederlands: 40-tal fonemen
Alfabet telt maar 26 letters -> niet voldoende
3
, 2. Bouw en werking van de spraakorganen
2.1. Inleiding
Spraak: hoorbaar gemaakte beweging
➔ Tijdens spreken veroorzaken bewegingen van de spraakorganen luchttrillingen, die we horen
als spraakgeluiden
Dergelijke luchttrillingen hangt nauw samen met de bouw en werking van de spraakorganen
Diafragma: scheidt longen en borst van buik
Door hoge larynx ligging bij baby’s kunnen ze ademen en drinken tegelijk
Longen: bloed zuiveren van koolzuur en van zuurstof voorzien
➔ Ademhaling nodig, via luchtwegen
Voor spreken: gewijzigde vorm van ademhaling
➔ Levert voornaamste energiebron
Strottenhoofd = larynx: beschermt luchtwegen tegen passerend voedsel bij slikken, want stortklepje = epiglottis sluit
ingang naar luchtweg af
Epiglottis: fijn regelbaar instrument voor omzetten van luchtstroom uit longen tot hoorbare trilling, met nauwkeurig
bestuurbare toonhoogte
Mond-, keel-, neusholtes: betrokken bij ademhaling
➔ Tanden en tong (in mondholte): belang voor innemen van voedsel
Neus: ruiken
Zachte verhemelte met de huig: bij slikken neusholte afsluiten van de mondholte
Bij spreken: holtes boven strottenhoofd van groot belang
➔ Er worden op verschillende plaatsen afsluitingen gemaakt, waardoor luchtstroom uit longen
geblokkeerd kan worden
➔ Kunnen ook op andere manier van vorm veranderen: grote verscheidenheid aan
spraakgeluiden
Vorm keelholte wordt bepaald door positie strottenhoofd
➔ Kan op en neer bewegen
Neusholte heeft geen veranderlijke vorm
➔ Resonator als, door het dalen van zachte verhemelte = velum, een verbinding met keelholte
tot stand komt
Bv. bij articulatie van /m/ en /n/
Mondholte is meest variabele resonator
➔ Vorm wordt bepaald door stand van tong, lippen en onderkaak = mandibula
Typische en unieke eigenschap van spraakapparaat als geluid producerend systeem: bron (stemplooitrillingen) en
filters (beïnvloeden klank en resonantieholtes) werken onafhankelijk van elkaar
➔ Stemplooitrilllingen aan- en uitschakelen, terwijl vorm van resonatoren constant blijft. Men
produceert dan afwisselend een stemhebbende en stemloze consonant.
Stemplooitrillingen verhogen of verlagen bij constante vorm van resonatoren. Dan spreekt (of
zingt) men dezelfde klinkers op verschillende toonhoogtes.
➔ Vorm van resonatoren variëren bij constante frequentie van stemplooistrillingen. Men
produceert dan verschillende klinkers met gelijke toonhoogte
Anatomische structuren die rol spelen bij productie van spraak kunnen we in 3 groepen onderverdelen
Namen van groepen refereren aan hun positie t.o.v. ruimte tussen stemplooien of stemspleet = glottis
4