Portfoliobewijsmateriaal – Competentie 4a - Bewijs 3
“Toepassing van psycho-educatie bij een cliënt – 2”
Niveau van Miller: DOES
3 maart 2024
Competentie 4: Transfer en brede inzetbaarheid
Indicator 4a: Relevante psycho-educatie geven aan cliënt
Samenvatting: In dit bewijs beschrijf ik hoe ik psycho-educatie over indolentie en entropie gaf aan een cliënt. Daarbij leg ik uit waarom ik
voor deze psycho-educatie heb gekozen, en wat het effect van de psycho-educatie op de cliënt en het begeleidingstraject was.
In dit bewijs zou ik graag illustreren hoe ik psycho-educatie heb gegeven over de termen indolentie en entropie in het contact met
een vrouwelijke cliënt van ongeveer 40 jaar oud. Deze mevrouw is in haar jeugd seksueel misbruikt door haar vader, en ze heeft na de
geboorte van haar zoon tien jaar geleden een heftige scheiding meegemaakt. De afgelopen jaren is ze onder begeleiding van een
psycholoog geweest om deze ervaringen te verwerken. Nu de cliënt in een andere fase van haar leven is gekomen, merkte ze dat ze
graag weer het gezelschap van een partner zou willen ervaren. Toch merkte ze dat ze zich regelmatig onzeker voelde over het
datingsleven. Daarom heeft deze cliënt ervoor gekozen om een begeleidingstraject bij mij te starten.
In de sessies die ik met de cliënt inplande heb ik stapsgewijs de verschillende fasen van de gespreksmethodiek (Slaats, 2017)
doorlopen om haar verhaal (Fase 1A) en haar blinde vlekken en belemmerende patronen (Fase 1B) te op te helderen. In daaropvolgende
sessies zijn daaruit doelen (Fase 2), strategieën en acties (Fase 3A) geformuleerd. Nu de cliënt bij de daadwerkelijke uitvoering van de
doelen aan was gekomen (Fase 3B), merkte ze echter dat ze het raar vond tegenzin te ervaren rondom het daten. Doordat ze regelmatig
twijfels had, besloot ik om psycho-educatie te geven over de termen indolentie en entropie. Hier had ik door middel van het Hupper-
college Professioneel Hulpverlenen (Hupper, 2020) en het lesboek over de gespreksmethodiek (Slaats, 2017) mee kennisgemaakt. Ik vond
deze termen erg verduidelijkend om te duiden welke processen er op konden treden bij tegenzin. Daarbij vond ik het treffend dat zulke
processen bij iedereen kunnen optreden, en dat het daarom niet raar of verwerpelijk is als zulke ervaringen optreden in een
veranderproces. Juist omdat het in deze laatste fase van de gespreksmethodiek belangrijk is om de cliënt gerust te stellen en te motiveren
om door te blijven gaan met het uitvoeren van de acties, besloot ik om hier psycho-educatie over te geven. Daarmee wilde ik de cliënt zelf
de kans geven om na te gaan in hoeverre het daadwerkelijk abnormaal was dat er tegenzin bij haar werd opgeroepen. Dit laat ik zien met
behulp van een stukje dialoog uit ons gesprek, dat ik in het vervolg van dit bewijs verder zal toelichten en analyseren.
CLIËNT – Kijk, een van mijn acties is dus speeddaten. En alhoewel ik het tijdens gesprekken als deze echt als een leuke en
vernieuwende actie zie, merk ik het zelf soms lastig vind dat enthousiasme vast te houden als ik er in de praktijk mee aan de slag ga.
IK – Je geeft aan dat het enthousiasme voor het speeddaten soms wegvalt als je het in het echt gaat doen?!
CLIËNT – Ja, inderdaad. Ik merk dan dat ik toch ga aarzelen om te beginnen, terwijl het me ergens juist zo leuk lijkt. En dan denk ik
wel eens: potverdorie, waarom doe je nou toch zo moeilijk? Er is toch niets mis met me? Of wel soms?
1
“Toepassing van psycho-educatie bij een cliënt – 2”
Niveau van Miller: DOES
3 maart 2024
Competentie 4: Transfer en brede inzetbaarheid
Indicator 4a: Relevante psycho-educatie geven aan cliënt
Samenvatting: In dit bewijs beschrijf ik hoe ik psycho-educatie over indolentie en entropie gaf aan een cliënt. Daarbij leg ik uit waarom ik
voor deze psycho-educatie heb gekozen, en wat het effect van de psycho-educatie op de cliënt en het begeleidingstraject was.
In dit bewijs zou ik graag illustreren hoe ik psycho-educatie heb gegeven over de termen indolentie en entropie in het contact met
een vrouwelijke cliënt van ongeveer 40 jaar oud. Deze mevrouw is in haar jeugd seksueel misbruikt door haar vader, en ze heeft na de
geboorte van haar zoon tien jaar geleden een heftige scheiding meegemaakt. De afgelopen jaren is ze onder begeleiding van een
psycholoog geweest om deze ervaringen te verwerken. Nu de cliënt in een andere fase van haar leven is gekomen, merkte ze dat ze
graag weer het gezelschap van een partner zou willen ervaren. Toch merkte ze dat ze zich regelmatig onzeker voelde over het
datingsleven. Daarom heeft deze cliënt ervoor gekozen om een begeleidingstraject bij mij te starten.
In de sessies die ik met de cliënt inplande heb ik stapsgewijs de verschillende fasen van de gespreksmethodiek (Slaats, 2017)
doorlopen om haar verhaal (Fase 1A) en haar blinde vlekken en belemmerende patronen (Fase 1B) te op te helderen. In daaropvolgende
sessies zijn daaruit doelen (Fase 2), strategieën en acties (Fase 3A) geformuleerd. Nu de cliënt bij de daadwerkelijke uitvoering van de
doelen aan was gekomen (Fase 3B), merkte ze echter dat ze het raar vond tegenzin te ervaren rondom het daten. Doordat ze regelmatig
twijfels had, besloot ik om psycho-educatie te geven over de termen indolentie en entropie. Hier had ik door middel van het Hupper-
college Professioneel Hulpverlenen (Hupper, 2020) en het lesboek over de gespreksmethodiek (Slaats, 2017) mee kennisgemaakt. Ik vond
deze termen erg verduidelijkend om te duiden welke processen er op konden treden bij tegenzin. Daarbij vond ik het treffend dat zulke
processen bij iedereen kunnen optreden, en dat het daarom niet raar of verwerpelijk is als zulke ervaringen optreden in een
veranderproces. Juist omdat het in deze laatste fase van de gespreksmethodiek belangrijk is om de cliënt gerust te stellen en te motiveren
om door te blijven gaan met het uitvoeren van de acties, besloot ik om hier psycho-educatie over te geven. Daarmee wilde ik de cliënt zelf
de kans geven om na te gaan in hoeverre het daadwerkelijk abnormaal was dat er tegenzin bij haar werd opgeroepen. Dit laat ik zien met
behulp van een stukje dialoog uit ons gesprek, dat ik in het vervolg van dit bewijs verder zal toelichten en analyseren.
CLIËNT – Kijk, een van mijn acties is dus speeddaten. En alhoewel ik het tijdens gesprekken als deze echt als een leuke en
vernieuwende actie zie, merk ik het zelf soms lastig vind dat enthousiasme vast te houden als ik er in de praktijk mee aan de slag ga.
IK – Je geeft aan dat het enthousiasme voor het speeddaten soms wegvalt als je het in het echt gaat doen?!
CLIËNT – Ja, inderdaad. Ik merk dan dat ik toch ga aarzelen om te beginnen, terwijl het me ergens juist zo leuk lijkt. En dan denk ik
wel eens: potverdorie, waarom doe je nou toch zo moeilijk? Er is toch niets mis met me? Of wel soms?
1