KR les 1: ProActive Nursing 1
Aan de hand van de methodiek van Bakker inzichtelijk maken welke klinische problematiek
er speelt bij de zorgvrager.
Op basis van de klinische problematiek beredeneren welke zorg er nodig is.
Bij een zorgvrager het klinisch verloop op korte en lange termijn inschatten.
Evalueren en reflecteren op de gebeurtenissen in het zorgtraject.
Bij de verschillende stappen van het redeneerproces bepalen welke redeneerhulpen
ingezet moeten worden bij een zorgvrager.
Bepalen welke factoren en vaardigheden een rol spelen bij het nemen van besluiten
Bakker, M. & Heycop ten Ham, C. (2014). ProActive Nursing: klinisch redeneren in zes stappen. Den
Haag: Boom Lemma uitgevers. Pagina 1 t/m 50.
Straalen, L. van & Schuurmans, M. (2016). Klinisch redeneren voor
verpleegkundigen. Houten: Springer media B.V. hoofdstuk 2 paragraaf 2.3 en 2.4.
Bekijk het flitscollege over Analytische benaderingen
H2 paragraaf 2.3
Door klinisch redeneren kun je besluiten nemen over de zorg voor patiënten die aan jou zijn
toevertrouwd. Door die besluiten te nemen ben je in staat om verantwoordelijkheid te dragen.
Klinisch redeneren = “Het continue proces van gegevensverzameling en analyse gericht op de vragen
en problemen van een individu en diens naasten, in relatie tot ziekte en gezondheid. Klinisch
redeneren omvat risico-inschatting, vroegsignalering, probleemherkenning, interventie en
monitoring.”
Verpleegkundige basiskennis is afkomstig uit verschillende vakken, waaronder: anatomie, fysiologie,
pathologie, farmacologie, epidemiologie, sociologie, psychiatrie, psychologie, communicatieleer en
ethiek > deze kennis is van belang om goed te klinisch redeneren. Je kunt de impact van een
aandoening op het functioneren van mensen begrijpen als je de opbouw en functie van de cel goed
kent.
Als je de algemene basiskennis in je hoofd hebt opgeslagen, kun je algemene oorzaken en gevolgen
van ziekten en aandoeningen verklaren aan de hand van onderliggende pathofysiologische processen
> declaratieve of verklarende kennis.
Diagnose pijn verklaard aan de hand van de onderliggende pathofysiologische kennis over
nociceptieve pijn.
“Nociceptieve pijn wordt veroorzaakt door prikkeling van vrije zenuwuiteinden
(nociceptoren) in huid, bindweefsel of viscera. Deze prikkeling kan worden geïnduceerd door
fysische factoren (druk, rek, warmte, koude en/of chemische factoren
(ontstekingsmediatoren, o.a. prostaglandines, histamine, bradykinine, serotinine en
cytokines). Pijnprikkels worden vervoerd via de zogenaamde C-vezels (dun, langzaam
geleidend, gevoelig voor alle vormen van zenuwbeschadiging) en A-deltavezels (dik, snel
geleidend, alleen gevoelig voor mechanische of thermische beschadiging). Deze vezels komen
via de achterhoorn het ruggenmerg binnen, waarna uitgebreide modulatie plaatsvindt.
Uiteindelijk worden de pijnprikkels hoofdzakelijk via de tractus spinothalamicus naar de
thalamus en de cortex geleid. In het ruggenmerg zijn geen neuronen aanwezig, die alleen
, maar door de viscerale prikkels worden geactiveerd. Viscerale pijn wordt vaak gevoeld in het
dermatoom dat op hetzelfde niveau projecteert (referred pain). Bij viscerale pijn treedt
prikkeling niet zozeer op door directe weefselbeschadiging, maar met name als gevolg van
drukverhoging, rek en ischemie.”
! Omdat de meeste patiënten multimorbiditeit (meerdere aandoeningen tegelijkertijd) hebben is het
van belang dat de basiskennis van een vpk voldoende breed ontwikkeld is.
Kernset van patiëntproblemen
Lichamelijk
Bedreigde of verstoorde vitale functies (ademhaling, circulatie, hersenfuncties)
Koorts
Smetten
Jeuk
Wonden
Pijn
Vermoeidheid
Verlies van eetlust
Misselijkheid, braken
Gewichtsverlies
Gewichtstoename
Uitdroging/verstoorde vochtbalans
Uitscheidingsproblemen (diarree, obstipatie, overmatige transpiratie, incontinentie)
Psychisch
Bewustzijnsstoornissen
Stemmingsstoornissen
Stoornissen in het geheugen
Stoornissen in het denken en waarnemen (achterdocht, wanen, hallucinaties)
Persoonlijkheidsstoornissen
Stoornissen in gedrag (agitatie, agressie, claimen, obsessie, automutilatie)
Angst/paniek
Stress
Rouw
Onzekerheid
Kennistekort
Ineffectieve coping
Zingevingsproblemen
Functioneel
Tekort zelfmanagement
Tekort zelfredzaamheid ADL, IADL, HDL
Zintuigelijke beperkingen
Verstoorde mobiliteit
Vallen
Slaap-/waakproblemen
Sociaal
Seksualiteitsstoornissen
Participatieproblemen
Sociale incompetentie
, Eenzaamheid
Gebrek aan sociaal netwerk
Tekort aan mantelzorg
Overbelaste mantelzorg
Vragen die klinisch redeneren uitlokken
Verhelderende vragen
- Vertel me over je patiënt. Wat is het belangrijkste probleem voor haar/hem?
- Als je alle problemen in ogenschouw neemt, wat is dan de meest belangrijk volgens jou?
Waarom?
- Leg me uit wat je bedoelt met ….
Vragen om aannames te verduidelijken
- Vertel me één klinisch besluit dat je vandaag genomen hebt voor deze patiënt. Waarom
besloot je daartoe?
- Je lijkt aan te nemen dat … Waarom neem je dit aan?
- Welke aannames heb je over deze patiënt en zijn familie? Is dat altijd waar?
Vragen om redenering uit te lokken
- Wat zijn mogelijke verklaringen voor …?
- Waarom denk je dat …?
- Welke evidence heb je gebruikt in je denkproces?
Vragen over verschillende perspectieven
- Zijn er ook andere verklaringen voor …?
- Zijn er andere benaderingen mogelijk? Waarom zouden deze benaderingen effectiever of
minder effectief zijn?
- Beschrijf een andere interpretatie van deze klinische situatie.
Vragen over gevolgen
- Welk effect zou … hebben op jouw patiënt?
- Beschrijf verschillende benaderingen en daarbij de verschillende resultaten.
Door veel klinische ervaring en een goed ontwikkeld vermogen om van klinische ervaringen te leren,
ontwikkelt je klinische intuïtie zich steeds beter (klinische intuïtie = niet-pluis gevoel). Het niet-
pluisgevoel is niet zomaar een gevoel, het ontwikkelt zich op basis van basiskennis, ervaringskennis
en kennis over een patiënt.
H2 paragraaf 2.4
Redeneerhulpen = methoden die je helpen stapsgewijs te werken, niets te vergeten in een analyse
en beter zicht te krijgen op het onderwerp of de specifieke problematiek. Voorbeelden worden
hieronder genoemd.
ALTIS (aard, lokalisatie, tijdsduur, intensiteit, samenhang)
Ontwikkeld om huidletsel goed te kunnen beoordelen (wonden). Door gebruik van de ALTIS worden
anamnese en diagnose gestandaardiseerd.
Aard: hoe is de wond ontstaan? Door druk en schuifkrachten (decubitus), door feces of urine
(incontinentie) of door contact van huid op huid (smetten)?
Lokalisatie van de wond en pijn: waar zit de wond en waar doet het pijn?
Tijdsduur: sinds wanneer is er sprake van huidletsel?
Intensiteit: ernst van het letsel (bij decubitus > welke categorie)?