Oefenvragen wetenschapsfilosofie, deel 1 (Hans Doorenmalen)
Socrates
1. Wat was het belangrijkste kenmerk van de Socratische methode?
A) Het beantwoorden van vragen met feiten
B) Het stellen van kritische vragen om ideeën te onderzoeken
C) Het vermijden van ethische onderwerpen
D) Het gebruik van experimenten
Correct antwoord: B
2. Welk standpunt wordt aan Socrates toegeschreven?
A) Rationalisme
B) Empirisme
C) Atheïsme
D) Dualisme
Correct antwoord: C
Plato
3. Hoe verschilt Plato van zijn leraar Socrates?
A) Hij richtte zich op empirisch onderzoek
B) Hij ontwikkelde het concept van de Ideeënwereld
C) Hij verwierp filosofische dialogen
D) Hij was een scepticus
Correct antwoord: B
4. Wat symboliseert de "Allegorie van de Grot"?
A) De begrensde menselijke waarneming
B) Het belang van experimenteel bewijs
C) Het bestaan van parallelle werelden
D) De definitie van kennis
Correct antwoord: A
5. Wat bedoelt Plato met de "Ideeënwereld"?
A) Een wereld van fysieke objecten
B) Een wereld van perfecte, onveranderlijke vormen
C) Een wereld van spirituele verlichting
D) Een wereld zonder tijd
Correct antwoord: B
Aristoteles
6. Wat is een belangrijk kenmerk van Aristoteles' filosofie?
A) Hij verwierp inductie
B) Hij geloofde in empirische observatie
C) Hij introduceerde de Ideeënwereld
, D) Hij benadrukte alleen deductieve logica
Correct antwoord: B
7. Wat betekent inductie volgens Aristoteles?
A) Het afleiden van specifieke regels uit algemene waarheden
B) Het afleiden van algemene regels uit specifieke waarnemingen
C) Het gebruik van logica zonder waarneming
D) Het herhalen van experimenten
Correct antwoord: B
8. Welke uitspraak past niet bij Aristoteles?
A) Geen experimenten gebruiken
B) Tabula Rasa
C) Empirisme
D) Ideeënwereld
Correct antwoord: D
Francis Bacon
9. Wat introduceerde Bacon als een noodzakelijke aanvulling op waarneming?
A) Deductieve redenering
B) Gebruik van experimenten
C) Logische positiviteit
D) Scepticisme
Correct antwoord: B
10. Welke van de volgende is géén "idol" volgens Bacon?
A) Idols of the Cave
B) Idols of the Mind
C) Idols of the Tribe
D) Idols of the Theatre
Correct antwoord: B
11. Wat beschrijft Bacon's inductieprobleem?
A) De complexiteit van menselijke taal
B) De uitdaging om algemene waarheden af te leiden uit observaties
C) De fout van de wetenschap
D) Het conflict tussen rationalisme en empirisme
Correct antwoord: B
Descartes
12. Wat is een sleutelbegrip in Descartes’ filosofie?
A) Mechanistische wereldbeelden
B) Tabula Rasa
C) Heldere en duidelijke ideeën
, D) Inductieve observatie
Correct antwoord: C
13. Wat is de rol van God in Descartes’ filosofie?
A) Het vermijden van scepticisme
B) Het garanderen van kennis
C) Het ondersteunen van zintuiglijke waarnemingen
D) Het tegengaan van atheïsme
Correct antwoord: B
14. Wat is Descartes’ primaire methode voor kennisverwerving?
A) Empirisme
B) Deductie uit zekere uitgangspunten
C) Falsificatie
D) Analyse van sociale structuren
Correct antwoord: B
Locke
15. Wat is volgens Locke een secundaire kwaliteit?
A) Objectieve eigenschappen zoals vorm en massa
B) Subjectieve eigenschappen zoals kleur en smaak
C) De kracht om dingen te veranderen
D) Eigenschappen van logische ideeën
Correct antwoord: B
16. Wat is essentieel voor Locke’s epistemologie?
A) Verworpen ideeën
B) Inductie zonder experimenten
C) Categorisering van ideeën
D) Het rationalisme
Correct antwoord: C
Berkeley
17. Wat bedoelt Berkeley met "Zijn is waargenomen worden"?
A) Alleen ideeën bestaan
B) Materiële objecten bestaan onafhankelijk
C) Alle eigenschappen zijn primair
D) Godsdienstige overtuiging bepaalt waarheid
Correct antwoord: A
Hume
18. Wat is een kernprincipe in Hume's filosofie?
A) Het bestaan van objectieve ideeën
Socrates
1. Wat was het belangrijkste kenmerk van de Socratische methode?
A) Het beantwoorden van vragen met feiten
B) Het stellen van kritische vragen om ideeën te onderzoeken
C) Het vermijden van ethische onderwerpen
D) Het gebruik van experimenten
Correct antwoord: B
2. Welk standpunt wordt aan Socrates toegeschreven?
A) Rationalisme
B) Empirisme
C) Atheïsme
D) Dualisme
Correct antwoord: C
Plato
3. Hoe verschilt Plato van zijn leraar Socrates?
A) Hij richtte zich op empirisch onderzoek
B) Hij ontwikkelde het concept van de Ideeënwereld
C) Hij verwierp filosofische dialogen
D) Hij was een scepticus
Correct antwoord: B
4. Wat symboliseert de "Allegorie van de Grot"?
A) De begrensde menselijke waarneming
B) Het belang van experimenteel bewijs
C) Het bestaan van parallelle werelden
D) De definitie van kennis
Correct antwoord: A
5. Wat bedoelt Plato met de "Ideeënwereld"?
A) Een wereld van fysieke objecten
B) Een wereld van perfecte, onveranderlijke vormen
C) Een wereld van spirituele verlichting
D) Een wereld zonder tijd
Correct antwoord: B
Aristoteles
6. Wat is een belangrijk kenmerk van Aristoteles' filosofie?
A) Hij verwierp inductie
B) Hij geloofde in empirische observatie
C) Hij introduceerde de Ideeënwereld
, D) Hij benadrukte alleen deductieve logica
Correct antwoord: B
7. Wat betekent inductie volgens Aristoteles?
A) Het afleiden van specifieke regels uit algemene waarheden
B) Het afleiden van algemene regels uit specifieke waarnemingen
C) Het gebruik van logica zonder waarneming
D) Het herhalen van experimenten
Correct antwoord: B
8. Welke uitspraak past niet bij Aristoteles?
A) Geen experimenten gebruiken
B) Tabula Rasa
C) Empirisme
D) Ideeënwereld
Correct antwoord: D
Francis Bacon
9. Wat introduceerde Bacon als een noodzakelijke aanvulling op waarneming?
A) Deductieve redenering
B) Gebruik van experimenten
C) Logische positiviteit
D) Scepticisme
Correct antwoord: B
10. Welke van de volgende is géén "idol" volgens Bacon?
A) Idols of the Cave
B) Idols of the Mind
C) Idols of the Tribe
D) Idols of the Theatre
Correct antwoord: B
11. Wat beschrijft Bacon's inductieprobleem?
A) De complexiteit van menselijke taal
B) De uitdaging om algemene waarheden af te leiden uit observaties
C) De fout van de wetenschap
D) Het conflict tussen rationalisme en empirisme
Correct antwoord: B
Descartes
12. Wat is een sleutelbegrip in Descartes’ filosofie?
A) Mechanistische wereldbeelden
B) Tabula Rasa
C) Heldere en duidelijke ideeën
, D) Inductieve observatie
Correct antwoord: C
13. Wat is de rol van God in Descartes’ filosofie?
A) Het vermijden van scepticisme
B) Het garanderen van kennis
C) Het ondersteunen van zintuiglijke waarnemingen
D) Het tegengaan van atheïsme
Correct antwoord: B
14. Wat is Descartes’ primaire methode voor kennisverwerving?
A) Empirisme
B) Deductie uit zekere uitgangspunten
C) Falsificatie
D) Analyse van sociale structuren
Correct antwoord: B
Locke
15. Wat is volgens Locke een secundaire kwaliteit?
A) Objectieve eigenschappen zoals vorm en massa
B) Subjectieve eigenschappen zoals kleur en smaak
C) De kracht om dingen te veranderen
D) Eigenschappen van logische ideeën
Correct antwoord: B
16. Wat is essentieel voor Locke’s epistemologie?
A) Verworpen ideeën
B) Inductie zonder experimenten
C) Categorisering van ideeën
D) Het rationalisme
Correct antwoord: C
Berkeley
17. Wat bedoelt Berkeley met "Zijn is waargenomen worden"?
A) Alleen ideeën bestaan
B) Materiële objecten bestaan onafhankelijk
C) Alle eigenschappen zijn primair
D) Godsdienstige overtuiging bepaalt waarheid
Correct antwoord: A
Hume
18. Wat is een kernprincipe in Hume's filosofie?
A) Het bestaan van objectieve ideeën