Hoofdstuk 1 Inleiding
Gezondheid
Een toestand van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden en is niet louter het ontbreken
van ziekte of gebrek.
- In een toestand van homeostase zorgen de orgaanstelsels dat de temperatuur, zuurgraad
(pH), de samenstelling van het bloed en het vochtgehalte van het lichaam binnen bepaalde
waarden blijven.
Pathologie: de leer van ziekten in het algemeen
Pathofysiologie: de leer van de fysiologische processen die tot ziekte leiden.
Verschillende technieken voor lichamelijk onderzoek
1. Inspectie (bekijken van de buitenkant)
De beweging en de houding van iemand
2. Palpatie (lichaam afgetast met handen)
De grootte, de structuur, het oppervlak, de plaats en gevoeligheid van organen of
lichaamsdelen.
3. Auscultatie (luisteren)
Frequentie, de intensiteit en de duur van de geluiden die het lichaam voortbrengen.
4. Percussie (bekloppen van lichaamsdelen)
De omvang, de ligging van organen en de consistentie van de onderliggende
structuren.
Aanvullend onderzoek: laboratoriumonderzoek, beeldvormend onderzoek, functieonderzoek en
pathologisch-anatomisch onderzoek.
- Beeldvormend onderzoek:
1. Röntgenonderzoek (inwendige structuren)
2. Computed tomography (CT) (driedimensionaal beeld van inwendige structuren)
3. Magnetic resonance imaging (MRI) (binnenkant van het lichaam)
4. Echografie (inwendige organen)
5. Nucleaire geneeskunde (structuur en werking organen)
- Functieonderzoek: onderzoek waarbij de werking van delen van het lichaam wordt getest.
Bijvoorbeeld: elektrocardiografie
- Pathologisch-anatomisch onderzoek: afwijkingen op cel- en weefselniveau onderzoeken
doormiddel van een biopt.
Prognose: een uitspraak over het verwachte verloop en de uitkomst van de ziekte.
Remissie: een periode waarin de symptomen van een chronische ziekte (tijdelijk) verminderen.
Exacerbatie: als de symptomen van een ziekte in alle hevigheid terugkeren.
Recidief: wanneer een ziekte weken of maanden na een remissie weer de kop opsteekt.
Mortaliteit: een maat voor de sterfte, vaak weergegeven als het aantal sterfgevallen per 100.000
inwoners in een bepaalde periode.
Morbiditeit: de mate van voorkomen van ziekte of ziektegerelateerde beperkingen in een populatie.
,Comorbiditeit/multimorbiditeit: het voorkomen van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij
een persoon.
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte in een bepaalde periode.
Prevalentie: het aantal ziektegevallen op een bepaald tijdstip in een bepaalde populatie.
Epidemiologie: de studie van het voorkomen van ziekten in relatie tot het voorkomen van andere
verschijnselen.
Pathogenese: het ontstaansmechanisme van een ziekte.
Idiopathische ziekte: als de oorzaak van een ziekte niet bekend is.
Belangrijkste ziekteoorzaken:
1. Erfelijkheid
2. Aangeboren (congenitaal)
3. Degeneratie
4. Ontsteking, auto-immuniteit of allergie
5. Neoplasmata (kanker)
6. Metabool
7. Traumatisch
8. Voedingsgerelateerd
Risicofactoren kunnen endogeen (genetisch) of exogeen (omgevingsgebonden) zijn.
Verschillende soorten behandelingen
1. Curatief: gericht op genezing
2. Palliatief: het verlichten van pijn en ongemak
3. Terminaal: zo comfortabel mogelijk overlijden
4. Causaal: oorzaak wordt aangepakt
5. Symptomatisch: bestrijding van de symptomen
6. Substitutie: tekort aan voedingsstoffen of lichaamseigen stoffen toedienen
Complementaire behandeling: gegeven door reguliere beroepsbeoefenaars in aanvulling op de
bestaande behandeling en is gericht op ondersteuning en kwaliteit van leven.
Alternatieve behandeling: behoort niet tot de reguliere zorg.
Hoofdstuk 4 Kanker
Kanker: een ongecontroleerde groei van abnormale cellen in het lichaam.
- De abnormale cellen kunnen:
1. Infiltreren (ingroeien) in gezond weefsel
2. Metastaseren (uitzaaien).
- Een abnormale toename van cellen kan leiden tot een tumor of neoplasma (gezwel).
Tumoren
- Benigne (goedaardig)
In principe niet levensbedreigend.
Zullen nooit ingroeien in het omringende weefsel of via het bloed of de lymfe
uitzaaien naar andere delen van het lichaam.
Ze hebben een glad oppervlak, zijn goed afgrensbaar van de omgeving en meestal
symmetrisch.
, Ze zijn vaak omgeven door een kapsel, waardoor ze gemakkelijk chirurgisch te
verwijderen zijn met behulp van excisie (uitsnijding).
- Maligne (kwaadaardig)
Vaak levensbedreigend.
Ze groeien snel, infiltreren het omringende weefsel en kunnen zich via het bloed
(hematogene metastasering) of door directe verspreiding in een holte (cavitaire
metastasering) uitzaaien naar ander delen van het lichaam.
Ze hebben vaak een onregelmatig oppervlak.
Ze zijn niet omgeven door een kapsel, zijn moeilijk te verwijderen en neigen tot
recidief.
Bij sommige kankers worden geen tumoren gevormd. Bijvoorbeeld bij:
- Leukemie: een vorm van bloedkanker
- De meeste lymfomen: lymfeklierkanker
- Myelomen: kwaadaardige gezwellen van ruggenmerg of beenmerg
Naamgeving
- Poliep: een benigne tumor die uitsteekt boven de oppervlaktelaag.
- -oom: de meeste benigne tumoren.
- -carcinoom: maligne tumoren die uitgaan van het epitheel.
- -sarcoom: maligne tumoren die uitgaan van het steunweefsel.
Hoofdstuk 6 Aandoeningen van het hart- en vaatstelsel
Verschillende technieken voor de diagnostiek
- Auscultatie: het luisteren met een stethoscoop naar afwijkende geluiden
- Een elektrocardiogram
- Echocardiografie: bewegingen van de hartkleppen en van de atria en ventrikels.
- Duplexonderozek: richting en de stroomsnelheid van het bloed in het hart en de grote vaten
onderzocht.
- Hartkatheterisatie: zuurstofgehalte en druk in de bloedvaten
- Coronaire CT-angiografie: bedreigende verkalkingen en vernauwingen van de
hartkransslagaders, de hartkleppen en de hartspier.
- Angiocardiografie: afwijkingen van het hart en de grote vaten.
- Cornoaireangiografie: rötgenfilm van de coronaire circulatie.
- Isotopenventriculografie/ MUGA: ejectiefractie, het percentage van de totale hoeveelheid
bloed in de linkerkamer dat wordt uitgepompt.
Hart- en vaatziekten
Hyperlipidemie
- Algemene term voor verhoogd lipidengehalte in het bloed.
Lipiden: vetten, zoals cholesterol, cholesterolesters, vetzuren, fosfolipiden en
triglyceriden.
- Cholesterol: een zachte, wasachtige substantie die en belangrijk onderdeel van de
celmembranen vormt.
Het wordt in de bloedbaan vervoerd door transporteiwitten, de lipoproteïnen.
Low-density lipoproteïn (LDL): het slechte cholesterol. Het zet zich af op de vaatwand
en daar atherosclerotische plaques van vettig materiaal vormt.
High-density lipoproteïn (HDL): het goede cholesterol. Het transporteert het
cholesterol naar de lever.