9.1 Jong geleerd, oud gedaan:
Tijd is schaars: Om het 1 te kunnen doen, moet je er iets anders voor opofferen, net zoals
met geld.
Schaars: Als je er iets anders voor moet opofferen.
Opportunity costs/opofferingskosten: De kosten van het opgeofferde alternatief. Als je
bijvoorbeeld een pizza koopt voor 7 euro in plaats van een hamburger voor 3,50 euro, offer
je 2 hamburgers op.
Sparen: Uitstellen van consumptie, risico is dat het rentepercentage lagen is dan het
inflatiepercentage, waardoor de koopkracht af neemt.
Lenen: Het naar voren halen van toekomstig geld.
Ruilen over de tijd: Ook wel intemporele ruil genoemd, verplaatsen van tijd en geld. Speren
en lenen. Rente/interest bij sparen: Beloning voor het afzien van consumptie en een
compensatie voor prijsstijgingen.
Rente/interest bij lenen: Vergoeding die je betaald voor het gebruik van andermans geld.
Aflossing: Schuld aflossen is het teruggeven van geld bij lenen.
Vermogen: Waarde van bezittingen min de hoogte van je schulden.
Stroomgrootheden: Het inkomen en de consumptie. Grootheden die per tijdeenheid of
periode worden gemeten. Wat je verdient per jaar.
Voorraadgrootheden: Bezittingen en schulden. Grootheden die op een bepaald tijdstip
worden gemeten. Wat er op je spaarrekening staat.
9.2 Werken of studeren:
Physical capital/fysiek kapitaal: Apparaten die je kunt aanraken.
Human capital/menselijk kapitaal: Het geheel van opleidingen en werkervaring.
Social capital/sociaal kapitaal: Het geheel van intermenselijke verhoudingen en netwerken
die waardevol zijn voor jouzelf en de economie.
Redenen om verder te studeren:
- Vergroten van je kennis: Deze kennis kun je later goed gebruiken bij het werk, in je
vrije tijd en voor je gezin.
- Verbeteren van je vaardigheden: In elk vak en leergebied leer je beter gebruik te
maken van de eigen vaardigheden.
- Ontplooiing: Je persoonlijkheid komt beter tot ontwikkeling.
- Grote kansen op arbeidsmarkt: Hoe hoger je opleidingsniveau, hoe hoger de kans op
werk.
- Verhogen kansen hoger inkomen: Hoe hoger je opleidingsniveau, hoe hoger je
arbeidsinkomen. Hierdoor is het makkelijk om de studieschuld af te lossen.
Ruilen over de tijd bij studeren: Je levert jaren inkomen in, zodat je later een hoger inkomen
kunt verdienen.
Innovatie: Nieuwe of verbeterde productietechnieken worden uitgevonden en toegepast.
Bijscholing/herscholing: Op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen, dit moet door
innovatie.
Omscholen: Het leren van een geheel ander beroep, dit moet als het werk dat je doet
helemaal verdwijnt.
, Goed onderwijs:
- Belangrijk voor economische ontwikkelingen in een land.
- Goed onderwijs levert een goed geschoolde beroepsbevolking op.
- Kwaliteit van werkenden is erg hoog.
- Een goed geschoolde beroepsbevolking kan kwalitatief hoogwaardige producten
produceren.
- Door onderwijs en scholing begrijp je veranderingen inde samenleving beter, en
kunnen er sneller oplossingen voor maatschappelijke problemen worden gevonden.
- De arbeidsproductiviteit is hoog.
- Door hoge productie per werkende worden de arbeidskosten per product lager.
- Door lage arbeidskosten kunnen verkoopprijzen dalen, dit leidt tot een betere
concurrentiepositie.
- Door hoge arbeidsproductiviteit produceren werknemers in dezelfde tijd meer
producten, dus kan er meer geproduceerd worden.
Leerplicht: Tot 16 verplicht naar school.
Kwalificatieplicht: Van 16 tot 18, hier voldoe je aan als je een diploma hebt op minimaal
MBO 2-, havo- of vwo niveau.
Studiefinanciering: Regelt de overheid. Als je niet genoeg geld hebt voor een
vervolgopleiding of je ouders niet voldoende middelen hebben, kun je geld lenen van de
overheid.
9.3 Sparen en lenen:
Enkelvoudige interest: De rente wordt steeds berekend over het oorspronkelijk gestorte
spaarbedrag.
Samengestelde interest: Je krijgt zowel rente ver het oorspronkelijk gestorte bedrag, als over
de al ontvangen rente.
Formule spaarsaldo bij samengestelde interest:
Spaarsaldo na n jaar = (1+p)^n x eenmalige beginstorting.
(P = percentage in getal, n = aantal jaren rente ontvangen).
Het nominale rentepercentage: Het percentage rente dat je na een bepaalde periode sparen
van je bank krijgt, dit geeft aan met hoeveel procent je spaarsaldo in die periode is gestegen.
Het reële rentepercentage: Dit geeft aan me hoeveel procent de koopkracht van het
spaargeld is gestegen.
Kostenpercentage: Het percentage interest plus het percentage kosten dat je per jaar
werkelijk betaalt over het geleende bedrag bij een lening.
Het effectieve rentepercentage: Het jaarlijks kostenpercentage.
Hoogte rentepercentage hangt af van:
- Looptijd, hoe langer geld vastzetten, hoe hoger rentepercentage.
- Hoogte spaarbedrag, hoe hoger bedrag, hoe hoger rentepercentage.
- Ontwikkeling op financiële markten, hoeveel geld nodig is voor het verstrekken van
leningen.