Paragraaf 15.1: Context: Westfaalse statensysteem
Staatsvorming → De institutionalisering van politieke macht tot een staat.
Als gevolg van staatsvorming is het statensysteem in West-Europa ontstaan.
Elke wereldburger is inwoner van een land, van een staat. De staat beschermt die burger
(geweldsmonopolie) en de burger heeft daarmee rechten en plichten om belasting te
betalen (belastingmonopolie), om het gezag van de overheid te accepteren en eventueel
het leven te verliezen bij het beschermen van het vaderland.
Het statensysteem werd geboren. Voortaan bestond Europa uit gelijkwaardige staten, die
zich niet bemoeiden met de interne aangelegenheden van elkaar (non-interventiebeginsel
of soevereiniteitsbeginsel).
Voortaan werden oorlogen in Europa niet meer uitgevochten om godsdienst, maar om het
vergroten van de macht van de staat met meestal kleine grenscorrecties tot gevolg.
Conflicten komen voor op micro-, meso- en macroniveau. Conflicten kunnen zowel latent
(verborgen) als manifest (zichtbaar) van aard zijn.
Bij maatschappelijke of sociale conflicten spelen vaak machtsverschillen tussen individuen,
groepen of landen een rol. In de sociale wetenschappen bestaan er verschillende
opvattingen over de betekenis van conflicten. Dit komt naar voren in de vier paradigma’s.
De vier paradigma’s over conflict:
Het functionalisme-paradigma ziet de maatschappij als een organisme, waarin alle
delen elk een eigen functie vervullen en bijdragen aan het gehele maatschappelijke
systeem. Een conflict wordt gezien als een uitzonderingstoestand. Conflicten
ontstaan uit het niet goed functioneren van de relaties tussen mensen, collectiviteiten
of staten. Conflicten komen altijd voor, maar zijn bedreigend voor de
maatschappelijke orde en moeten zoveel mogelijk vermeden worden.
Vanuit het conflict-paradigma heeft men meer aandacht voor de conflicten in de
maatschappij. Men ziet de maatschappij vooral als een ‘arena’ waarin individuen en
groepen met elkaar strijden om macht, geld, overtuiging, status en invloed. Conflicten
worden niet direct als negatieve verschijnselen gezien, omdat zij vaak fungeren als
de motor van maatschappelijke verandering. Dit paradigma beklemtoont de
machtsverschillen en de voortdurende strijd tussen individuen en groepen om hun
eigenbelangen te maximaliseren.
Binnen dit paradigma zijn twee stromingen te onderscheiden. In de eerste theorie
staat de ongelijke materiële verschillen tussen de bezittende en bezitloze klasse
centraal. Deze ongelijkheid leidt volgens Marx tot een onontkoombaar conflict
resulterend in het omverwerpen van het kapitalistische systeem.
In een andere stroming staat centraal dat maatschappelijke conflicten tussen
bevolkingsgroepen hun oorsprong hebben in uiteenlopende sociale en culturele
verschillen. Veel conflicten hebben een godsdienstige, etnische en/of politieke
achtergrond of hebben te maken met belangentegenstellingen.
Vanuit het sociaalconstructivisme-paradigma kijkt men naar de handelingen van
mensen in conflict- en samenwerkingssituaties en is men geïnteresseerd in de
betekenis die door actoren aan bepaalde gedragingen gehecht wordt.
Vanuit het rationele-actor paradigma is de aandacht gericht op hoe personen of
groepen met tegengestelde doelen of belangen met elkaar omgaan, proberen samen
te werken en bij conflicten gezamenlijk tot een oplossing kunnen komen. Conflicten
kunnen een belangrijke vernieuwende functie hebben.
, Paragraaf 15.2: Analyse van het statensysteem
Staten zijn het hoogste gezag op een grondgebied en het draait dan ook om zowel interne
als externe soevereiniteit. Bij een staat is sprake van een interne soevereiniteit als die:
1. heerst over een bevolking;
2. een bepaald grondgebied beheerst;
3. in dat grondgebied zowel over een belasting- als geweldsmonopolie beschikt.
De externe soevereiniteit speelt ook mee en deze houdt in dat een staat zowel erkend
wordt door andere staten als dat een staat niet onder het gezag van een andere staat valt.
Een groep mensen kan zichzelf onafhankelijk verklaren, maar als dit door andere staten niet
wordt erkend, is er geen externe soevereiniteit.
Als er in een land geen sprake is van interne soevereiniteit, spreken we van fragiele staten
of falende staten.
We gebruiken de volgende twee kenmerken, waar een fragiele staat niet toe in staat is:
1. De interne rechtsorde handhaven. Het wordt dan een anarchie, een land zonder
politiek bestuur met het risico op een oorlog van allen tegen allen.
2. Belangrijke openbare diensten (collectieve goederen) kunnen niet meer geleverd
worden. Soms zie je dit laatste na bijvoorbeeld een natuurramp.
Veel fragiele staten zijn te vinden op plaatsen waar vroeger een koloniale macht de dienst
uitmaakte. Na de dekolonisatie vervielen veel voormalige koloniën in een dictatuur. Vaak
kwam een leider van een stam aan de macht die zijn macht misbruikte om zijn eigen groep
te bevoordelen. Deze machthebber werd tijdens de Koude Oorlog door de Sovjet-Unie of de
Verenigde Staten ondersteund. Na de val van de Berlijnse Muur en en het einde van de
Koude Oorlog viel de sponsoring door de supermachten weg. Daarmee werd ruimte gegeven
aan opstandelingen, waardoor het aantal intrastatelijke conflicten (burgeroorlogen)
toenam. Het aantal interstatelijke conflicten (oorlogen tussen staten) is juist gedaald.
Globalisering → Het proces van uitbreiding en intensivering van contacten en
afhankelijkheden over zeer grote afstanden en over landsgrenzen heen.
Globalisering heeft op verschillende staten verschillende effecten gehad.
Een voorbeeld van een negatief effect is dat grenzen soms vloeibaar zijn geworden en dat
terroristisch geweld overal op de wereld kan worden ‘geëxporteerd’. Vooral fragiele staten,
die hun grenzen niet kunnen beschermen, hebben veel last van de negatieve gevolgen van
globalisering. Denk aan gewapende conflicten, natuurrampen en economische tegenslagen.
Globalisering kent ook positieve gevolgen. Dat zijn met name staten die profiteren van de
economische groei, zoals de opkomende staten Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-
Afrika (BRICS). Omdat hun macht toeneemt, neemt de machtspositie van de VS en Europa
af. Deze veranderende machtsverhoudingen hebben gevolgen voor de relaties tussen
staten. Zo willen opkomende staten belangrijkere posities hebben in de VN.
Macht is relatief: als de een meer macht krijgt, krijgt de ander juist minder macht.
De Verenigde Naties (VN) worden wel gezien als het bestuur van de wereld. Maar dat is
onjuist, want niemand heeft soevereiniteit in de wereld. Alle staten zijn hun ‘eigen baas’,
maar zijn niet allemaal gelijkwaardig aan elkaar. Er bestaan verschillen in oppervlakte en
inwoneraantal, maar ook in rijkdom en krijgsmacht (sterk of zwak leger).
De VN bestaan uit twee onderdelen waar belangrijke beslissingen worden genomen: de
Algemene Vergadering en de VN-Veiligheidsraad.