Samevatting ontwikkelingspsychopathologie (H4 t/m 7 + 9)
Rigter, J. & Hintum, M. van
Hoofdstuk 4 de invloed van zwangerschap en geboorte op de ontwikkeling van het kind
4.2 ontwikkeling tijdens de zwangerschap
4.2.1 fasen tijdens de zwangerschap
De prenatale ontwikkeling kent 3 fasen en duurt gemiddeld 38 weken.
1. De germinale fase: de 1e week. Dit begint met de bevruchting en de innesteling in de
baarmoeder, die ruim een wek na de bevruchting plaatsvindt. De zygote, bevruchte eicel,
gaat zich delen van 2 naar 4, 8, 16 cellen.
2. De embryonale fase: week 2 t/m 8. Vanaf de 5e celdeling, 16 naar 32, vindt er een
specialisatie plaats: er komt een onderscheid tussen cellen die zich ontwikkelen tot extra-
embryonaal materiaal (zoals placenta, navelstreng en vruchtwater) en de cellen die zich gaan
ontwikkelen tot het embryo. De circulatie van voedingsstoffen en afvalstoffen tussen moeder
en embryo wordt tot stand gebracht. 2 weken na bevruchting is de placenta klaar en gaan de
cellen van het embryo razendsnel specialiseren.
3. De foetus: week 8 tot einde zwangerschap. In de laatste fase vindt specialisatie en groei
plaats van organen, hersenen en zintuigen.
4.2.2 erfelijk materiaal
Het kind krijgt zijn DNA, zijn unieke, erfelijke code, van de eicel en de zaadcel. Dat DNA stuurt de
aanmaak van eiwitten aan, die ervoor zorgen dat er hormonen, neurotransmitters en
gespecialiseerde lichaamscellen ontstaan. Het stukje DNA dat actief is in een cel bepaalt welk type
cel het wordt, bijv. lever-, bot- of zenuwcel. Of dat stukje actief wordt, hangt af van de omgeving. Dit
kan de cel omgeving zijn, maar ook, als het kind geboren is, de sociale omgeving. Dit aan- en
uitzetten van genen heet epigenese. Iemands ontwikkeling is dus het resultaat van en ingewikkeld
samenspel tussen erfelijke aanleg en omgevingsfactoren.
DNA
DNA is de belangrijkste drager van erfelijke informatie en wordt gevormd door de basen A (adenine),
G (guanine), C (cytosine) en T (thymine). Een bepaalde combinatie van die basen vormt een
aminozuur, en een combinatie van aminozuren vormt een eiwit. DNA ligt op chromosomen, waarvan
we er 46 (23 paren) hebben, die in alle cellen van ons lichaam zitten. Soms heeft iemand 47
chromosomen, dan is er tijdens de celdeling een extra kopie gemaakt: een trisomie. Zo’n embryo is
niet levensvatbaar, behalve als het gaat om een extra chromosoom 21 (syndroom van down) of
chromosoom 23 (geslachtschromosoom). In dat laatste geval kan sprake zijn van het triple X-
syndroom of het Klinefelter syndroom (XXY).
Bij celdeling kunnen ook genen worden overgeslagen: deletie. Het syndroom van Turner
(specifieke verstandelijke beperking) wordt veroorzaakt door het ontbreken van een aantal genen op
chromosoom 7.
Naast DNA kan ook de omgeving belangrijk zijn voor de ontwikkeling. Voor het ongeboren
kind is de baarmoeder de belangrijkste omgeving. Heeft de kwaliteit van voedingsstoffen daar te
lijden onder door bijv. alcoholgebruik of voedsel te kort van de moeder, dan kunnen aangeboren
afwijkingen ontstaan.
, Een aangeboren eigenschap hoeft niet erfelijk te zijn: het extra chromosoom 21 is wel
aangeboren, maar niet genetisch opgeslagen.
Genotype, fenotype en endofenotype
- Iemand genotype is zij erfelijke code, zijn DNA
- Zijn fenotype is de uitdrukking van die erfelijke code, de buitenkant die we zien, zoals bruine
ogen, rusteloos lichaam en opgewekt, impulsief karakter. Die verschijningsvorm zit zowel in
zichtbare uiterlijke kenmerken als onzichtbare innerlijke kenmerken. Die kenmerken zijn het
resultaat van de wisselwerking tussen aanleg en omgeving. Die omgeving is zowel biologisch
(baarmoeder) als sociaal (ouders en andere opvoeders). Eeneiige tweelingen hebben
hetzelfde genotype, maar kunnen qua fenotype verschillen, omdat ze niet dezelfde
omgevingsinvloeden ondergaan.
- Endofenotype zijn iemand cognitieve, neurologische of hormonale kenmerken: objectief
meetbare kenmerken die erfelijk zijn bepaald en stoornissen kunnen veroorzaken. Dezelfde
endofenotype komen vaak voor bij familieleden die een bepaalde stoornis niet hebben, maar
wel voor een deel dezelfde erfelijke aanleg. Zo hebben mensen met schizofrenie een slecht
reukvermogen en hebben eerstegraads familieleden zonder schizofrenie dat ook.
4.2.3 de prenatale hersenontwikkeling
Onze hersenen sturen ons gedrag aan, wat betekent dat al ons gedrag een neurologische basis heeft.
Andersom beïnvloedt ons gedrag ook welke signaalstoffen we aanmaken en welke verbindingen in
onze hersenen sterker worden of juist verdwijnen. Je hersenen zijn een soort spier die je traint.
Sommige verbindingen worden sterker omdat je ze vaak gebruikt, andere worden zwakker of
verdwijnen omdat je ze weinig of niet gebruikt. Ok worden de vorming en het functioneren van onze
hersenen beïnvloed door alle ervaringen die we opdoen. Je brein is een heel dynamisch systeem dat
voortdurend verandert door je gedrag, gedachten en ervaringen die je opdoet.
De zwangerschap en 1e 2 jaar daarna gelden als sensitieve periode voor hersenontwikkeling.
N de prenatale eerste 4 maanden, waarin de hersenen enorm groeien, zijn ze extra gevoelig voor
(schadelijke) invloeden van buitenaf. Dagelijks fors alcoholgebruik van een aanstaande moeder kan
FAS (foetaal alcoholsyndroom) veroorzaken. Ook stress, depressie en medicijnengebruik kunnen
negatieve effecten hebben op de ontwikkeling van de foetus. Een ander voorbeeld van vroege
kwetsbaarheid is het risico op open ruggetje, dat kan ontstaan als de vorming van de neurale buis
(die van de 16e dag van zwangerschap begint) wordt verstoord. De kans op een open ruggetje wordt
een stuk kleiner als vrouwen die zwanger worden foliumzuur slikken. De vorming van het centrale
zenuwstelsel is extreem gevoelig voor verstoringen vanaf de 3 e tot en met de 16e week van
zwangerschap.
4.2.4 prenatale programmering
Prenatale programmering slaat op allerlei factoren die de ontwikkeling van het kind voor, tijdens en
na de zwangerschap kunnen beïnvloeden. Het is nog niet zo lang bekend dat die invloeden ook na de