Samenvatting Syllabus Voeding & Energie
Deel 1 – Voeding en leefgewoonten
1. Een eetpatroon in kaart brengen
Om zicht te krijgen op het eetpatroon van een persoon, wordt vaak een voedingsanamnese gebruikt.
Je verzamelt informatie over wanneer je cliënt eet, wat en hoeveel. Hierop baseer je een nieuw plan.
De Schijf van Vijf geldt als richtlijn.
Drie methodes voor een voedingsanamnese:
- Eetdagboek bij laten houden
- Dietary history samenstellen
- 24-uurs recall doen
Bij elke methode: leg uit wat je wilt doen en waarom. Cliënt moet zich op zijn gemak voelen en
gemotiveerd worden.
Later kan je met Eetmeter (of ander voedingsberekeningsprogramma) berekenen wat je cliënt over
het algemeen binnenkrijgt (en wat niet). Maar het klopt nooit helemaal 100%.
1.1 Het eetdagboek
Meest voorkomende aanpak als leefstijlcoach. Gedurende een paar dagen eetdagboek bijhouden
waarin het eettijdstip, type eten en hoeveelheid genoteerd staat. Daarnaast stel je vragen over
bijvoorbeeld met wie de cliënt eet, waarom hij eet en hoe hij zich voelt bij het eten.
Om goed inzicht te krijgen, moeten er minimaal drie dagen worden ingevuld. Handig om te vragen of
daar minimaal één werkdag en één weekenddag bij zit. Dit geeft extra informatie. Maar je moet niet
om te veel dagen vragen, omdat dit veel werk en tijd kost. Het kan ook samen besproken worden.
Drinken moet niet vergeten worden.
Zorg ervoor dat je cliënt weet hoe hij de gegevens moet invullen (gewicht, grootte, type brood etc.).
Wegen is het meest nauwkeurig. Maar dit gebeurt bijna nooit. Het is makkelijker om servies erbij te
pakken om aan te geven hoeveel de cliënt van iets heeft genomen. Dit kan ook met plaatjes.
Een voordeel van het eetdagboek is dat het een thuisopdracht is waardoor de cliënt tijdens het
invullen zijn eigen inzichten krijgt. Hij kan gewoontes op het spoor komen waar hij zich niet van
bewust was. Dit kan ook een nadeel zijn: de cliënt kan bewustere keuzes maken waardoor je een
vertekent beeld krijgt van het eetpatroon.
Het komt vaak voor dat de cliënten het dagboek sociaal-wenselijk gaan vullen, dus dingen gaan
toevoegen of weglaten om beter voor de dag te komen. Leidt de opdracht daarom zo goed mogelijk
in waarin benadrukt wordt dat dit geen test is, maar een informatiebron.
1.2 De dietary history
Hierbij vraag je uit wat het eetpatroon van je cliënt is. Je begint met de vraag of iemand een
regelmatig eetpatroon heeft en of dat op alle dagen vergelijkbaar is. Zo niet, dan ga je per (soort)dag
een apart formulier invullen.
Stel open vragen, maar zorg wel dat je goed doorvraagt tot je echt weet wat iemand eet en drinkt en
hoe de situatie daarbij is. Begin bijvoorbeeld met:
“Wat is je eerste eet- of drinktijdstip van de dag?”
, “Wat neem je dan?”
“Hoeveel neem je daarvan?”
“Wat neem je nog meer?”
“Wat zit daarin?”
“Wat doe je daarop?”
“Met wie eet je samen?”
“Hoe voel je je tijdens dat eetmoment meestal?”
Extra vragen over wie de boodschappen doet en kookt, of er buitenshuis gegeten wordt en wat er
met restjes wordt gedaan. Vraag naar alcoholgebruik en andere dranken.
Met de antwoorden vul je een formulier in om een overzicht te krijgen van het totale eetpatroon. Let
wel op de cliënt bij het geven van antwoorden, dit kan soms sociaal-wenselijk zijn. Om de info te
checken, geef je vervolgens een lijst met voedingsmiddelen en vraag je na hoeveel van elk
voedingsmiddel je cliënt over het algemeen eet op een dag (bijv. sneetjes brood, glazen melk,
plakken kaas). Dit zou je ook terug moeten zien op je overzicht.
Nadeel: je bent ong. een half uur bezig met het invullen van een formulier. Bovendien kan het lastig
zijn om een algemeen eetpatroon te beschrijven. Daarom wordt het niet veel gebruikt.
1.3 24-uurs recall
Samen met je cliënt ga je heel precies na wat hij de vorige dag heeft gegeten en gedronken. Het is
een momentopname, die je ingang geeft voor het gesprek.
2. Voeding: een inleiding
2.1 Inleiding
Tegenwoordig is er veel informatie over voeding waardoor mensen door de bomen het bos niet meer
zien. Naast de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum, bestaat er een zee van informatie op het
internet en in boeken, geschreven door o.a. bloggers, zelfstandige adviseurs en marketeers. Deze
informatie heeft vaak als doel om omzet te realiseren en is dan ook lang niet altijd objectief.
Cliënten geloven veel informatie terwijl niet altijd alles klopt. Als leefstijlcoach moet je vertellen wat
wel en niet goed is. Daarom is het belangrijk om de bron te controleren. Is het van een commercieel
bedrijf of een wetenschapper? Gebruik daarbij ook je verstand. Wanneer iets te mooi is om waar te
zijn, dan is dat ook meestal zo. Let bij het lezen van teksten op de volgende zaken:
- Komt de informatie van iemand die zichzelf tot superspecialist heeft benoemd? Waarop
baseert hij/zij dat?
- Wanneer in een commerciële uiting verwezen wordt naar wetenschappelijk onderzoek,
geloof deze dan niet zomaar. Regelmatig kloppen de getrokken conclusies niet en worden
(details uit) onderzoeken misbruikt om meer omzet te realiseren of de aandacht te trekken.
Iemand die een boek schrijft is niet per se een deskundige en een uitleg die logisch klinkt,
hoeft niet waar te zijn. Alle dingen die geschreven of gezegd worden, moet je afwegen om te
kijken of ze kloppen of bruikbaar zijn.
Teksten als ‘zit boordevol met…’ zijn reclameteksten en weinigzeggend. Als professional kun je zulke
termen beter vermijden. Zoek uit hoeveel voedingsstoffen er exact in een product zitten, zodat je
zeker weet dat je je klant de juiste informatie geeft. Dit is terug te vinden in de NEVO-tabel.
Veel voedingsmiddelen worden tegenwoordig als gezond aangeprezen, maar dat is niet altijd waar.
Denk bijvoorbeeld aan superfoods. Veel groente- en fruitsoorten zijn net zo voedzaam. Het is dus
niet nodig, maar het kan wel wanneer je wilt variëren.
2.2 Voedingsmiddelen bevatten voedingsstoffen
Deel 1 – Voeding en leefgewoonten
1. Een eetpatroon in kaart brengen
Om zicht te krijgen op het eetpatroon van een persoon, wordt vaak een voedingsanamnese gebruikt.
Je verzamelt informatie over wanneer je cliënt eet, wat en hoeveel. Hierop baseer je een nieuw plan.
De Schijf van Vijf geldt als richtlijn.
Drie methodes voor een voedingsanamnese:
- Eetdagboek bij laten houden
- Dietary history samenstellen
- 24-uurs recall doen
Bij elke methode: leg uit wat je wilt doen en waarom. Cliënt moet zich op zijn gemak voelen en
gemotiveerd worden.
Later kan je met Eetmeter (of ander voedingsberekeningsprogramma) berekenen wat je cliënt over
het algemeen binnenkrijgt (en wat niet). Maar het klopt nooit helemaal 100%.
1.1 Het eetdagboek
Meest voorkomende aanpak als leefstijlcoach. Gedurende een paar dagen eetdagboek bijhouden
waarin het eettijdstip, type eten en hoeveelheid genoteerd staat. Daarnaast stel je vragen over
bijvoorbeeld met wie de cliënt eet, waarom hij eet en hoe hij zich voelt bij het eten.
Om goed inzicht te krijgen, moeten er minimaal drie dagen worden ingevuld. Handig om te vragen of
daar minimaal één werkdag en één weekenddag bij zit. Dit geeft extra informatie. Maar je moet niet
om te veel dagen vragen, omdat dit veel werk en tijd kost. Het kan ook samen besproken worden.
Drinken moet niet vergeten worden.
Zorg ervoor dat je cliënt weet hoe hij de gegevens moet invullen (gewicht, grootte, type brood etc.).
Wegen is het meest nauwkeurig. Maar dit gebeurt bijna nooit. Het is makkelijker om servies erbij te
pakken om aan te geven hoeveel de cliënt van iets heeft genomen. Dit kan ook met plaatjes.
Een voordeel van het eetdagboek is dat het een thuisopdracht is waardoor de cliënt tijdens het
invullen zijn eigen inzichten krijgt. Hij kan gewoontes op het spoor komen waar hij zich niet van
bewust was. Dit kan ook een nadeel zijn: de cliënt kan bewustere keuzes maken waardoor je een
vertekent beeld krijgt van het eetpatroon.
Het komt vaak voor dat de cliënten het dagboek sociaal-wenselijk gaan vullen, dus dingen gaan
toevoegen of weglaten om beter voor de dag te komen. Leidt de opdracht daarom zo goed mogelijk
in waarin benadrukt wordt dat dit geen test is, maar een informatiebron.
1.2 De dietary history
Hierbij vraag je uit wat het eetpatroon van je cliënt is. Je begint met de vraag of iemand een
regelmatig eetpatroon heeft en of dat op alle dagen vergelijkbaar is. Zo niet, dan ga je per (soort)dag
een apart formulier invullen.
Stel open vragen, maar zorg wel dat je goed doorvraagt tot je echt weet wat iemand eet en drinkt en
hoe de situatie daarbij is. Begin bijvoorbeeld met:
“Wat is je eerste eet- of drinktijdstip van de dag?”
, “Wat neem je dan?”
“Hoeveel neem je daarvan?”
“Wat neem je nog meer?”
“Wat zit daarin?”
“Wat doe je daarop?”
“Met wie eet je samen?”
“Hoe voel je je tijdens dat eetmoment meestal?”
Extra vragen over wie de boodschappen doet en kookt, of er buitenshuis gegeten wordt en wat er
met restjes wordt gedaan. Vraag naar alcoholgebruik en andere dranken.
Met de antwoorden vul je een formulier in om een overzicht te krijgen van het totale eetpatroon. Let
wel op de cliënt bij het geven van antwoorden, dit kan soms sociaal-wenselijk zijn. Om de info te
checken, geef je vervolgens een lijst met voedingsmiddelen en vraag je na hoeveel van elk
voedingsmiddel je cliënt over het algemeen eet op een dag (bijv. sneetjes brood, glazen melk,
plakken kaas). Dit zou je ook terug moeten zien op je overzicht.
Nadeel: je bent ong. een half uur bezig met het invullen van een formulier. Bovendien kan het lastig
zijn om een algemeen eetpatroon te beschrijven. Daarom wordt het niet veel gebruikt.
1.3 24-uurs recall
Samen met je cliënt ga je heel precies na wat hij de vorige dag heeft gegeten en gedronken. Het is
een momentopname, die je ingang geeft voor het gesprek.
2. Voeding: een inleiding
2.1 Inleiding
Tegenwoordig is er veel informatie over voeding waardoor mensen door de bomen het bos niet meer
zien. Naast de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum, bestaat er een zee van informatie op het
internet en in boeken, geschreven door o.a. bloggers, zelfstandige adviseurs en marketeers. Deze
informatie heeft vaak als doel om omzet te realiseren en is dan ook lang niet altijd objectief.
Cliënten geloven veel informatie terwijl niet altijd alles klopt. Als leefstijlcoach moet je vertellen wat
wel en niet goed is. Daarom is het belangrijk om de bron te controleren. Is het van een commercieel
bedrijf of een wetenschapper? Gebruik daarbij ook je verstand. Wanneer iets te mooi is om waar te
zijn, dan is dat ook meestal zo. Let bij het lezen van teksten op de volgende zaken:
- Komt de informatie van iemand die zichzelf tot superspecialist heeft benoemd? Waarop
baseert hij/zij dat?
- Wanneer in een commerciële uiting verwezen wordt naar wetenschappelijk onderzoek,
geloof deze dan niet zomaar. Regelmatig kloppen de getrokken conclusies niet en worden
(details uit) onderzoeken misbruikt om meer omzet te realiseren of de aandacht te trekken.
Iemand die een boek schrijft is niet per se een deskundige en een uitleg die logisch klinkt,
hoeft niet waar te zijn. Alle dingen die geschreven of gezegd worden, moet je afwegen om te
kijken of ze kloppen of bruikbaar zijn.
Teksten als ‘zit boordevol met…’ zijn reclameteksten en weinigzeggend. Als professional kun je zulke
termen beter vermijden. Zoek uit hoeveel voedingsstoffen er exact in een product zitten, zodat je
zeker weet dat je je klant de juiste informatie geeft. Dit is terug te vinden in de NEVO-tabel.
Veel voedingsmiddelen worden tegenwoordig als gezond aangeprezen, maar dat is niet altijd waar.
Denk bijvoorbeeld aan superfoods. Veel groente- en fruitsoorten zijn net zo voedzaam. Het is dus
niet nodig, maar het kan wel wanneer je wilt variëren.
2.2 Voedingsmiddelen bevatten voedingsstoffen