Hoofdstuk 1
In de sociale studies wordt steeds meer gebruik gemaakt van statistiek, om bijvoorbeeld
voorspellingen te kunnen doen over bepaalde data. Statistiek kan helpen om overzicht te creëren in
alle data die verzameld is.
Meestal bestaat de informatie die we verzamelen uit observaties, die je weer de data van je
onderzoek noemt. De sociale wetenschap gebruik verschillende methoden om data te verzamelen.
Observaties, dus, maar ook experimenten en vragenlijsten. Soms zijn de data ook al verzameld in
bijvoorbeeld archieven. De dossiers in deze databases kunnen heel veel informatie opleveren.
Statistiek helpt met verschillende dingen:
- Design plannen hoe je de data gaat verzamelen
- Beschrijven de data analyseren (bijvoorbeeld grafieken, tabellen, samenvattingsmaten
etc.)
- Inference voorspellingen doen op basis van de data die je hebt verzameld.
Een populatie is het totale aantal subjects die bij een onderzoek horen. Een sample is een van de
subjecten uit de populatie.
Beschrijvingsmaten vatten de informatie van een collectie data samen. Inferential statistics proberen
een voorspelling te maken voor de populatie.
Parameter een variabele die je kan meten
Hoofdstuk 2
Elke eigenschap die we kunnen meten, wordt een variabele genoemd. Deze variabelen kun je meten
op verschillende schalen. Het eerste onderscheid tussen variabelen wordt gemaakt met:
- Kwantitatief als een variabele uitgedrukt kan worden in getallen die verschillende groottes
van de variabele aangeven.
- Categorisch als de variabele gemeten wordt in categorieën i.p.v. getallen. Wordt ook wel
kwalitatief genoemd.
Een ander onderscheid wordt gemaakt met de volgende schalen:
- Interval vooral voor kwantitatieve variabelen; de uitkomsten kunnen met elkaar
vergeleken worden op het gebied van hoeveel groter of kleiner ze zijn.
- Nominaal de categorieën zijn niet geordend in deze schaal. Je kunt niet zeggen dat een
variabele ‘hoger’ of ‘lager’ is dan de andere variabele; kwalitatieve variabelen.
- Ordinaal deze categorieën worden niet beschreven met getallen, maar kun je wel ordenen
van hoog naar laag.
Een ander onderscheid wordt gemaakt tussen:
- Discreet als de variabelen een aantal lossen nummers zijn (1, 2, 3, 4, …); vooral bij
kwantitatieve variabelen
- Continu als de variabelen elke mogelijke waarde aan kunnen nemen van getallen; vooral
bij kwalitatieve variabelen
Kortom:
- Variabelen zijn kwantitatief (interval), of categorisch (nominaal (ongeordend) of ordinaal
(geordend)).