Kwantitatief onderzoek
Stappen in het kwantitatief onderzoeksproces.
Het meten van concepten (operationalisering).
Betrouwbaarheid en validiteit van metingen.
Andere aandachtspunten (“preoccupations”) van kwantitatieve onderzoekers.
- causaliteit
- generaliseerbaarheid
- repliceerbaarheid
,Operationalisering
Wat zijn concepten?
“Building blocks of theory”.
Labels die we op aspecten van de sociale werkelijkheid plakken.
“Categories for the organization of ideas and observations” (p.151) (Bulmer, 1984)
- Stap 1: Conceptualisering = het omschrijven/definiëren van een concept.
- Stap 2: Operationalisering = Het meetbaar maken van abstracte concepten en
begrippen.
Wat zijn indicatoren?
Sommige concepten kunnen we met een directe maat meten.
Measure (maat, meting): verwijst naar een hoeveelheid.
- Bijvoorbeeld: “het netto maandsalaris in euro’s” is een directe maat voor het concept
“persoonlijk inkomen”.
Andere concepten worden met meerdere indicatoren gemeten.
Indicator = een ‘aanwijzing’. “We use indicators to tap concepts that are less directly
quantifiable” (p.152)
- Bijvoorbeeld: “werktevredenheid”. Vier stellingen als indicatoren:
a. Over het algemeen ben ik tevreden met mijn baan.
b. Ik denk dat er veel andere banen zijn die interessanter zijn dan mijn huidige baan.
c. Mijn huidige baan beantwoordt aan de verwachtingen die ik had voordat ik hier
begon.
d. Mijn huidige baan verschaft mij veel persoonlijke voldoening.
Meting van altitudes: Likert schaal
,Voorbeeld: “mate van enthousiasme voor MTSWO”. Ik gebruik een multiple-item (=
multiple-indicator) meetinstrument, bestaande uit vier stellingen (=‘items’)
a. Ik maak liever thuis een opdracht over onderzoeksstrategieën dan dat ik met
vrienden uitga.
b. Het leerboek van Bryman is zo saai dat ik in meestal gelijk in slaap val als ik het ga
lezen.
c. Ik doe niks liever dan nadenken over verschillende kwaliteitscriteria in onderzoek.
d. Ik zie er het hele weekend tegenop om maandag het college MTSWO te moeten
beluisteren.
Varieer de richting (positief en negatief) van de stellingen om response-set (p.154) te
vermijden.
We gebruiken (bijvoorbeeld) een 5-puntsschaal:
1 = helemaal mee oneens
2 = mee oneens
3 = niet eens, niet oneens
4 = mee eens
5 = helemaal mee eens
, Waarom meerdere items?
- Eén indicator zou sommige individuen onjuist kunnen classificeren.
- Eén indicator verwijst meestal slechts naar een gedeelte van het onderliggende
concept.
- Met meerdere indicatoren kun je een meer gedetailleerd onderscheid maken tussen
individuen.
Verschillende items mag je soms niet zomaar optellen!
Waarom? “people scoring high on one dimension may not necessarily score high on other
dimensions, so that for each respondent you end up with a multidimensional ‘profile’” (p.156)
Voorbeeld: meting van de “positie” van politieke partijen.
1. De overheid moet maatregelen nemen om inkomensverschillen te verminderen
(eens vs oneens)
2. Homoseksuele en lesbische stellen zouden dezelfde rechten moeten hebben om
kinderen te adopteren als heteroseksuelen (eens vs oneens)
3. Nederland zou de Europese Unie moeten verlaten (eens vs oneens)
De twee eigenschappen van een meetinstrument