Taak 2
Biologische oorzaken van depressieve stoornissen
De rol van monoaminen
- Drie typen monoaminen
o Noradrenaline (NA)
o Serotonine (5HT)
o Dopamine (DA)
- Verklaringen voor het verband tussen monoaminen en depressie
o Catecholaminetheorie
Depressie is geassocieerd met een functioneel tekort aan NA
Tekort aan NA veroorzaakt depressie
o ‘Permissive’ hypothese
De aard en de intensiteit van depressie worden bepaald door veranderingen
in de catecholaminetransmissie (vooral NA) tezamen met een 5HT-tekort
Ofwel: bij een bestaand 5HT-tekort zou een afgenomen
catecholamineactiviteit tot depressie leiden
Tekort aan NA en 5HT veroorzaakt depressie
o Monoaminehypothese
Depressie is te wijten aan een functioneel tekort aan alle monoaminen in de
hersenen
Tekort aan NA, 5HT en DA veroorzaakt depressie
o Receptortheorie
De catecholaminetheorie, de 'permissive' hypothese en de
monoaminehypothese bieden geen verklaring voor de uitgestelde werking
van antidepressiva: na toediening van antidepressiva neemt de
monoaminerge activiteit vrijwel direct toe terwijl de symptomen van de
depressie pas na enkele weken verdwijnen. De receptortheorie stelt dat niet
zozeer het niveau van de monoaminen in de synaps bepalend zijn, maar
tekorten in aantal en/of gevoeligheid van post-synaptische mono-
amineneurotransmitterreceptoren spelen een cruciale rol bij depressie
Verhoogd aantal en/of gevoeligheid van post-synaptische mono-
amineneurotransmitterreceptoren veroorzaakt depressie
, Neurotransmitter receptor hypothese van antidepressieve werking. Hoewel
antidepressiva een onmiddellijke toename van monoaminen veroorzaken,
hebben ze geen onmiddellijke therapeutische effecten. Dit kan worden
verklaard door de monoamine-receptorhypothese van depressie, die stelt
dat depressie wordt veroorzaakt door een verhoogd aantal monoamine-
receptoren (upregulatie); dus de effectiviteit van antidepressiva zou
gerelateerd zijn aan een afname van die receptoren (downregulatie). (A)
Wanneer een antidepressivum een monoamine-heropnamepomp blokkeert,
zorgt dit ervoor dat meer neurotransmitter (in dit geval norepinefrine) zich
ophoopt in de synaps. (B) De verhoogde beschikbaarheid van
neurotransmitter zorgt er uiteindelijk voor dat receptoren afnemen
(downreguleren). Het tijdsverloop van receptoraanpassing is consistent met
zowel de vertraagde klinische effecten van antidepressiva als met de
ontwikkeling van tolerantie voor antidepressiva bijwerkingen
- Samenvattend: een functioneel tekort aan monoaminen als biologisch correlaat voor
depressie is te eenvoudig. Rekening houdend met de uitgestelde werking van antidepressiva,
lijkt een verklaring in termen van aantallen en gevoeligheid van monoaminerge receptoren
plausibeler. Dit inzicht kan leiden tot een overdreven biologisch determinisme ten aanzien
van depressie. Cliënten zijn soms ervan overtuigd dat een depressie veroorzaakt wordt door
een tekort aan bepaalde stoffen in de hersenen, en dat dit met medicatie kan worden
rechtgezet. De realiteit is echter ingewikkelder: de depressie is een gevolg van een aantal
neurobiologische en psychologische factoren. Dit impliceert dat medicatie veelal een
bruikbare behandelingsvorm is, maar dat deze vaak dient te worden aangevuld met
psychotherapie
Hyperactiviteit van de HPA-as
- Hypothalamus-hypofyse-bijnierschors (HPA)
- HPA-as is betrokken bij de reactie op stress
Biologische oorzaken van depressieve stoornissen
De rol van monoaminen
- Drie typen monoaminen
o Noradrenaline (NA)
o Serotonine (5HT)
o Dopamine (DA)
- Verklaringen voor het verband tussen monoaminen en depressie
o Catecholaminetheorie
Depressie is geassocieerd met een functioneel tekort aan NA
Tekort aan NA veroorzaakt depressie
o ‘Permissive’ hypothese
De aard en de intensiteit van depressie worden bepaald door veranderingen
in de catecholaminetransmissie (vooral NA) tezamen met een 5HT-tekort
Ofwel: bij een bestaand 5HT-tekort zou een afgenomen
catecholamineactiviteit tot depressie leiden
Tekort aan NA en 5HT veroorzaakt depressie
o Monoaminehypothese
Depressie is te wijten aan een functioneel tekort aan alle monoaminen in de
hersenen
Tekort aan NA, 5HT en DA veroorzaakt depressie
o Receptortheorie
De catecholaminetheorie, de 'permissive' hypothese en de
monoaminehypothese bieden geen verklaring voor de uitgestelde werking
van antidepressiva: na toediening van antidepressiva neemt de
monoaminerge activiteit vrijwel direct toe terwijl de symptomen van de
depressie pas na enkele weken verdwijnen. De receptortheorie stelt dat niet
zozeer het niveau van de monoaminen in de synaps bepalend zijn, maar
tekorten in aantal en/of gevoeligheid van post-synaptische mono-
amineneurotransmitterreceptoren spelen een cruciale rol bij depressie
Verhoogd aantal en/of gevoeligheid van post-synaptische mono-
amineneurotransmitterreceptoren veroorzaakt depressie
, Neurotransmitter receptor hypothese van antidepressieve werking. Hoewel
antidepressiva een onmiddellijke toename van monoaminen veroorzaken,
hebben ze geen onmiddellijke therapeutische effecten. Dit kan worden
verklaard door de monoamine-receptorhypothese van depressie, die stelt
dat depressie wordt veroorzaakt door een verhoogd aantal monoamine-
receptoren (upregulatie); dus de effectiviteit van antidepressiva zou
gerelateerd zijn aan een afname van die receptoren (downregulatie). (A)
Wanneer een antidepressivum een monoamine-heropnamepomp blokkeert,
zorgt dit ervoor dat meer neurotransmitter (in dit geval norepinefrine) zich
ophoopt in de synaps. (B) De verhoogde beschikbaarheid van
neurotransmitter zorgt er uiteindelijk voor dat receptoren afnemen
(downreguleren). Het tijdsverloop van receptoraanpassing is consistent met
zowel de vertraagde klinische effecten van antidepressiva als met de
ontwikkeling van tolerantie voor antidepressiva bijwerkingen
- Samenvattend: een functioneel tekort aan monoaminen als biologisch correlaat voor
depressie is te eenvoudig. Rekening houdend met de uitgestelde werking van antidepressiva,
lijkt een verklaring in termen van aantallen en gevoeligheid van monoaminerge receptoren
plausibeler. Dit inzicht kan leiden tot een overdreven biologisch determinisme ten aanzien
van depressie. Cliënten zijn soms ervan overtuigd dat een depressie veroorzaakt wordt door
een tekort aan bepaalde stoffen in de hersenen, en dat dit met medicatie kan worden
rechtgezet. De realiteit is echter ingewikkelder: de depressie is een gevolg van een aantal
neurobiologische en psychologische factoren. Dit impliceert dat medicatie veelal een
bruikbare behandelingsvorm is, maar dat deze vaak dient te worden aangevuld met
psychotherapie
Hyperactiviteit van de HPA-as
- Hypothalamus-hypofyse-bijnierschors (HPA)
- HPA-as is betrokken bij de reactie op stress