Hoofdstuk 1
Industriële revolutie
Door de opkomst van fabrieken en massaproductie kwamen al snel de problemen van de
arbeidsverdeling. Waar een ambachtsman een product van begin tot eind vervaardigde,
dwongen de machines tot specialisatie op afzonderlijke stukken.
Door de steeds grotere schaal van fabrieken nam het aantal fouten steeds meer toe. Dr.
Walter Shewhart, grondlegger van de Statistische Proces Controle (SPC), werkte mee aan
een opdracht om het aantal fouten en daarmee het aantal herstelopdrachten terug te
brengen. In zijn onderzoek kwam hij erachter dat in elk proces natuurlijke variantie zit. Als je
er vijf minuten over doet om een bladzijde te bestuderen, dan is dat nooit exact vijf minuten.
Het is daarom van belang om de niet-natuurlijke variantie, oftewel echte fouten, uit te
sluiten. Als een proces alleen natuurlijke variantie kent en dus ook geen afwijkingen door
niet-natuurlijke oorzaken, is het proces statistisch in control.
Waar in de oude situatie elke werknemer voor een afzonderlijk deel verantwoordelijk was,
gingen de producten in bewerking nu langs de werknemers, over de lopende band, die elk
waarde toevoegden voor het eindproduct.
Japan
Doordat Japan een eiland is en nauwelijks natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen heeft,
was er de noodzaak om deze te verwerven. Dit leidde tot een imperialistische politiek waarin
andere landen werden veroverd of gedomineerd met als dieptepunt de Tweede
Wereldoorlog.
De VS hielpen Japan bij de wederopbouw en mensen zoals dr.
Edwards Deming hielpen daar actief bij. Probleem voor een land Plan
als Japan was schaarste. Deming had ook samengewerkt met
Shewart en daardoor het besef dat processen een natuurlijke
variantie kennen en je dus zult moeten sturen op de niet-
natuurlijke variantie. Deze cyclus kennen we als de Plan Do Check Act Do
Act-cyclus (PDCA), ook wel Plan Do Study Act-cyclus (PDSA)
genoemd. Kern van deze cycli is dat je op basis van cijfers stuurt
en bijstuurt om zo de niet-natuurlijke variantie uit de processen te Check
halen.
In Japan legde, de generatiegenoot van Deming genaamd, Joseph Juran de nadruk op het
managen van kwaliteit en verzorgde hij daar ook trainingen voor. Terwijl de VS in de jaren
zeventig niet zoveel moesten van deze trainingen, waren de Japanse managers wel
geïnteresseerd. Dit leidde voor hen tot een voorsprong op hun Amerikaanse collega’s.
Voor Juran bestond kwaliteitsmanagement uit drie aspecten (Jurans kwaliteitstrilogie):
o (Kwaliteits)planning: het ontwerpen van nieuwe producten en processen die aan
hoge standaarden voldoen.
o (Kwaliteits)controle: het sturen en bijsturen op prestaties tijdens de uitvoering.
o (Kwaliteits)verbetering: het wegnemen van oorzaken die de prestaties belemmeren.