“MET ANDERE OGEN”- VEERMAN, HENDRIKS ”OGEN
DOEN ONDERZOEK” – JANSSENS +
CEREGO
SAMENVATTING
INLEIDING WETENSCHAPPELIJK
ONDERZOEK (IWO)
PRE-MASTER PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN RU 2023
,De persoon als onderzoeker…
A: intuïtief practicus,
ervaringskennis, handelen op
basis van ervaring.
B: klinisch wetenschapper, heeft
niets met de praktijk, doet
daarin alleen onderzoek.
C: reflectief practicus, denkt over
de praktijk na en reflecteert
daarop om verder te komen
D: evidence based practicus, in
de praktijk bezig, op basis van
protocollen
E: scientist practitioner (wij), in
de praktijk handelen, daarop
reflecteren en dat ook weer te
toetsen (zoals de
wetenschapper)
De onderzoek cyclus:
Probleemstelling: Proberen probleem scherp te krijgen om tot een doelstelling
te komen. Verkenning = conceptualiseringsfase (begrippen in kaart brengen)
Vraagstelling: onderzoekbare vraagstelling (kleine vraag die te onderzoeken is.
Neemt veel tijd in beslag!
Onderzoeksopzet: Plannen; Concretisering, design maken om tot een onderzoek
te komen. De onderzoeksopzet. Wie, wat wanneer en hoe? Onderzoek
elementen etc. Planningsfase! Puur denkwerk.
Dataverzameling: Uitvoeren (verbreden) aan de hand van interview etc. Deze
informatie en gegevens verwerken aan de hand van dataverwerking. Van de
ruwe data tot aan analyses en overzichten. Deze informatie rapporteren om te
kunnen delen met de buitenwereld.
Rapportage: Delen en
terugkoppelen vanuit waar
je begonnen bent in de
probleemstelling.
De 5 B’s van de context:
1
, Belang = wat hebben zij er aan? Voordeel van onderzoek
Bereidheid = om mee te werken aan het Willen (moeite waard vinden)
onderzoek
Bekwaam = om uit te voeren Kunnen (beschik van vaardigheden)
Beschikbaarheid = tijd om het uit te voeren Hebben (mogelijkheid)
Benutting = wat kan ik er mee veranderen? Verandering (verbetering)
Onderzoek heeft meeste kans van slagen bij rekening houden met de 5 B’s.
Probleemstelling:
Probleemstelling: vaststellen van het probleem.
Discrepantie tussen feitelijkheid en wenselijkheid:
Gedurende de studie ervaart 75% van de psychologie studenten een zekere mate
van stress¹ (feitelijkheid).
We streven naar een studieklimaat waarin 30% van de psychologie studenten een
zekere mate van stress ervaart (wenselijkheid).
Probleemstelling: Het percentage psychologie studenten dat stress ervaart tijdens
de studie is zorgelijk.
Praktische problemen versus theoretische problemen:
Het percentage psychologie studenten dat stress ervaart tijdens de studie is
zorgelijk (praktijk gestuurd onderzoek).
De rol van noradrenerge genen in de ontwikkeling van ADHD wordt betwist
(theorie gestuurd onderzoek / fundamenteel onderzoek).
Doelstelling:
Doelstelling in een onderzoek: het beoogd resultaat
Onderzoek naar stress:
Aard en ernst van de stressklachten onder studenten vaststellen.
Identificeren van de oorzaken.
Beoordelen van de effectiviteit interventies.
Doelstelling:
Doelstelling van een onderzoek: De beoogde benutting.
Onderzoek naar stress:
Doel: Risicogroepen signaleren.
Doel: In kaart brengen van de omvang van het probleem.
Doel: Besluiten of de cursus omgaan met stress gecontinueerd moet worden.
Instrumentele benutting: het geven van een cursus om handelen te verbeteren
Vraagstelling: inperking van de doelstelling
Descriptieve vragen (beschrijvende vragen): Onderzoeksvragen naar een feitelijke
beschrijving van de werkelijkheid. (zoals CBS)
= Eerst conceptualiseren
In welke mate ervaren studenten stress? (stress is het thema waar onderzoek naar
gedaan wordt)
2
, In hoeverre zijn studenten tevreden over de cursus ‘omgaan met stress’? (thema:
tevredenheid)
Normatieve vragen: Onderzoeksvragen waaraan een waardeoordeel ten grondslag ligt.
(voldoet het aan de norm?)
Is de cursus ‘omgaan met stress’ goed? (thema: goed, eerst conceptualiseren; wat
is /betekent 'goed'?)
Moeten stressklachten onder studenten worden teruggedrongen?
Correlationele vragen (correlatieve vragen): Onderzoeksvragen naar samenhang,
verbanden en/of relaties. (geen oorzaak - gevolg verband)
Hangt prestatiedruk samen met stress?
Ervaren studenten van de faculteit sociale wetenschappen gemiddeld genomen
meer stress dan studenten van de letteren faculteit?
Impact vragen: Onderzoeksvragen naar causale verbanden. (oorzaak - gevolg)
Is de mate van efficiëntie tijdens het studeren van invloed op de mate van stress?
Leidt de cursus ‘omgaan met stress’ tot een afname in stress?
Vraagstelling:
o Vraag: laat het antwoord open
o Hypothese: mogelijke verwachting
Vooral afweging belangrijk bij kwantitatief onderzoek.
Kwalitatief onderzoek = vaak open vraag
Antwoord creëren door de vragen die gesteld worden.
Het belang van een theoretisch kader:
Theoretisch kader = Het probleem, het doel en de vraagstelling.
Dankzij een theoretisch kader worden herkomst en uitkomst van het onderzoek
helder:
o Herkomst: Wat heeft dit type onderzoek tot dusver heeft opgeleverd? Waar
liggen lacunes?
o Uitkomst: theoretisch kader geeft richting aan het opstellen van een
hypothese. (verwachting van wat er uit gaat komen)
Terugkoppelen houdt inperken en onderbouwen actief zodat “de weg terug” goed te
volgen is.
Het conceptuele model
Conceptuele model: schematische weergave van de relevante kernconcepten
(variabelen) en de verwachte onderlinge relaties tussen die kernconcepten
(hypothesen).
o Wordt met pijlen aangegeven.
Variabele: kenmerk dat het onderzoekselement al of niet, in meer / mindere mate
bezit.
Onderzoekselement: individuen, paren (ouders), groepen (klassen), collectiviteiten
(samenlevingen).
In de conceptualiseringsfase is het noodzakelijk een theoretische definitie te geven van
de onderzoekselementen waarop de variabelen betrekking hebben.
VB: Over welke populatie gaat je onderzoek? Bijvoorbeeld: student (zie
hieronder)
Theoretische definitie van het onderzoekselement “student”: Een student is een
individu die een opleiding volgt.
Vergelijk met operationele definitie (wie kan er geselecteerd worden voor je
onderzoek?)
3