De werkingsmechanismen van Dialectische Gedragstherapie en haar Vaardigheidstraining
voor gedragsverandering bij borderline persoonlijkheidsproblematiek van adolescenten
Stefan Jansen
Open Universiteit
Studentnummer: 852068640
Daniel v Merwedestraat 17
Hendrik Ido Ambacht
PB0702 Literatuurstudie
Thema ‘Omgaan met verandering’
D. Inleiding
Docent: dr. A. Mudde
Inleverdatum: 31 oktober 2019
, 2
De werkingsmechanismen van Dialectische Gedragstherapie en haar Vaardigheidstraining
voor gedragsverandering bij borderline persoonlijkheidsproblematiek van adolescenten
‘Verandering is de enige constante’, is naast een uitspraak van filosoof Heraclitus ook
een speerpunt in de dialectische gedragstherapie (DGT), een methode ontworpen voor de
behandeling van borderline persoonlijkheidsproblematiek (Linehan, 2016). Deze
tegenstelling, de zogenaamde dialectiek, kenmerkt zich door een polarisatie waartussen de
waarheid zich bevindt. Ook het diagnosticeren van Borderline Persoonlijkheidsstoornis (BPS)
bij adolescenten bevindt zich in een spanningsveld tussen enerzijds het terughoudende advies
om persoonlijkheidsstoornis te classificeren vanwege de instabiele
persoonlijkheidskenmerken (APA, 2013; Schuppert e.a., 2011) en anderzijds de gebleken
validiteit en noodzaak tot vroegtijdig interveniëren om ernstige en langdurige
psychopathologie te voorkomen (Noorloos, J. e.a., (z.d.). De noodzaak wordt versterkt door
de prevalentie van BPS, waarbij recente onderzoeken varieren van 3%-10,8% (Cohen e.a.,
2005) tot 6%-17% (Johnson e.a., 2006). Hoewel er wordt aangenomen dat de ernst van de
symptomen met de leeftijd afneemt (Clark, 2007; Lenzeweger e.a., 2004), is de
symptomatologie van BPS een negatieve voorspeller voor toekomstig maatschappelijk
functioneren en een toename in zorgconsumptie (Crawford e.a., 2008). Maar tijd is in
ontwikkelingsperspectief van de adolescent meer vijand dan vriend tijdens de manifestatie
van BPS, die dagelijks kampt met heftige emoties, stemmingswisselingen, impulsiviteit en
ander risicovol gedrag welke niet zonder gevaar. Zelfbeschadiging is eerder regel dan
uitzondering en een percentage van 75% doet een suicidepoging, waarvan 8-10% slaagt
(Black e.a., 2004). Nog zorgelijker is de drop-out ratio van 77% van adolescenten die in
behandeling komen na een suicidepoging, waarvan 52% in de eerste drie maanden van
behandeling (Trautman e.a. 1993; Spirito e.a. 1992). Perry (1993) wijst hoopvol aan dat