Waarden: Zijn zaken die we binnen onze cultuur belangrijk vinden
Normen: Zijn regels die voortkomen uit deze waarden
Aangeboren gedrag: Gedrag dat erfelijk bepaald is
Aangeleerd gedrag: Gedrag dat je leert door ervaring
Internaliseren: Het proces waarin iemand zijn eigen regels heeft
gemaakt die onderdeel van die persoon zijn geworden
Cultuur: is een geheel van waarde en normen dat mensen aan elkaar
overdragen
Socialiseren:
Primaire socialisering: de socialisering in het gezin en op school
Secundaire Socialisering: is de omgeving waar je in woont
Peergroep: een groep vrienden dezelfde waarden en normen belangrijk
vinden
Geslacht specifieke socialisatie: Geeft aan dat je andere normen en
waarde hanteert voor jongens dan voor meisjes
Milieuspecifieke socialisatie: Geeft aan welke leefomstandigheden bij
een gezin hoor
Knelpunten socialisatie
identiteit, macht, nut, acceptatie
Normvervaging: het verwaarlozen van waarde en normen
,Kwaliteit: Geeft de mate aan waarin iets goed is
WKKGZ: Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg:
Hier heeft de overheid eisen in vastgelegd waaraan alle zorginstellingen
moeten voldoen
Kwaliteitskader: branches in de zorg hebben de WKKgz vertaald naar
kwaliteitsnormen voor de eigen branches, hierin staat bijvoorbeeld
branches zorgen voor veiligheid
Toezicht: controleert of de organisaties zich houden aan de wet en
regelgeving
Handhaving: Het nemen van maatregelen als de kwaliteit bij een
organisatie onder de maat is.
IGJ: Inspectie gezondheidszorg en jeugd:
Houdt toezicht op het onderzoeken van documenten en gegevens van
zorginstellingen.
GGD: gemeenschappelijke gezondheidsdienst
Kwaliteitszorg: alle systematische en geplande activiteiten die gericht
zijn op continu beheersing, bewaking en verbetering van de kwaliteit van
zorg.
3 kenmerken kwaliteitszorg:
1. Kwaliteitsplan, hierin staan acties voor de komende periode
2. Continu Proces, veranderingen blijven aandienen
3. Gericht op beheersen, bewaken en verbeteren.
Kwaliteitszorgsysteem: een methodische manier om kwaliteitszorg op te
zetten.
De basis:
1. Kwaliteitseisen, beschrijving van de kwaliteiten die worden
aangeboden
2. Kwaliteitsborging, de zekerheid van kwaliteit
3. Kwaliteitscontrole, controleren of het werk voldoet aan de
kwaliteitseisen (duidelijk, concreet en meetbaar)
4. Instrumenten, enquête, organisatiestructuur, intervisie, handboek
kwaliteit, klachtenregeling
, * audit: een instrument om de kwaliteit te bewaken
* auditor: iemand die controleert of het proces voldoet aan de
kwaliteitseisen
Deskundigheidsbevordering: dit gaat om de activiteiten die gericht zijn
op het ontwikkelen van de deskundigheid van de medewerkers.
Andere voorbeelden van instrumenten:
1. Digitale enquête
2. duidelijke organisatiestructuur
3. Intervisie: gesprek met iemand van dezelfde functie
4. Handboek kwaliteit
5. Digitaal Platform
6. Klachtenregeling
HKZ: harmonisatie kwaliteitsbeoordeling:
Een bekend kwaliteitszorgsysteem voor zorginstellingen.
HKZ maakt onderscheid in het primaire en secundaire proces.
Primaire: staat de zorg voor de persoon centraal
Secundaire: gaat het om de organisatie
PDCA-cyclus volgens William Deming:
P: plan (verbeterpunten aanpakken, gebruik SMART)
D: do (uitvoeren van het plan)
C: check (evalueren)
A: act (bijgestelde plan uitvoeren)
Protocol: regels of stappen die aangeven wat je in een bepaalde situatie
moet doen en hoe je dat moet doen
Doel van een protocol: dat iedereen zich in een bepaalde situatie zoveel
mogelijk gelijk gedraagt en handelt
Functie van een protocol:
- wetten vertalen naar gedrag
- kwaliteitsverbetering
- naslagwerk
- hulpmiddel bij instructie