Blind
Nederlands leerboek jeugdgezondheidszorg blz. 131 en 181
Ogen
Een zuigeling van 1 week oud opent de ogen als reactie op een lichtprikkel.
De oogbewegingen zijn nog matig gecoördineerd, waardoor pasgeborenen regelmatig
scheelzien.
Merendeel van de zuigelingen is verziend (hypermetroop) is: het brandpunt van het
invallende licht valt achter het netvlies.
Het kind ziet scherp op een afstand van circa 20 cm.
Accommodatie (het meer of minder bol maken van de lens) komt geleidelijk op gang en
zorgt voor betere gezichtsscherpte als de zuigeling ouder wordt.
Vanaf de leeftijd van 3 maanden kijkt de zuigeling meer naar bewegende voorwerpen en
vanaf 4 maanden ontwikkelt zich het diepte zien en de samenwerking tussen beide ogen.
Bij de pasgeborene bestaat het netvlies uit staafjes.
De kegeltjes in het netvlies ontwikkel zich later, wanneer de hersencellen rijpen.
Primaire kleuren (vooral rood) worden het eerst waargenomen, pasteltinten worden
minder goed waargenomen. (staafjes: zwart/wit en kegeltjes: kleuren).
Ogen
Aangeboren afwijkingen zoals coloboma van de iris zijn direct herkenbaar aan de
vervormde pupilopening door een sluitingsdefect van de iris.
Bij een congenitaal cataract kan de grijze kleur van een troebele lens worden gezien
doorvallen licht.
Conjunctivitis kan bacterieel of viraal zijn.
Een vernauwing van de traanbuis is de oorzaak van een traanoogje bij de zuigeling.
Een hangend ooglid (ptosis) kan aan een of aan beide zijden voorkomen.
Als de pupil door het bovenste ooglid wordt bedekt, ontstaat amblyopie.
Opsporing van visuele stoornissen
Meer frequente oorzaken zijn strabismus (scheelzien) en refractiestoornissen, die beide
aanleiding kunnen geven tot het ontwikkelen van amblyopie (lui oog).
Kinderen tot 3 jaar worden onderzocht volgens de VOV-methode (vroegtijdige
onderkenning van visuele stoornissen) en met enkele items uit het Van
Wiechenonderzoek.
Vanaf de leeftijd van 3 jaar is een plaatjeskaart, de Amsterdamse plaatjeskaart, geschikt
voor een visusbepaling.
Vanaf de leeftijd van 3,5 jaar wordt de Ladolt-C-kaart aanbevolen.
Bij kinderen met een verstandelijke beperking kan zo nodig een aangepaste testmethode
gebruikt worden, zoals Lea Hyvärinens boekje met symbolen.
Screening op refractieafwijkingen na het zevende jaar en screening op stoornissen van
de kleurzin zijn niet nodig.
De dieptezientest van de TNO wordt niet aanbevolen als screeningsinstrument.
Gezichtsvermogen
Nederlands leerboek jeugdgezondheidszorg blz. 131 en 181
Ogen
Een zuigeling van 1 week oud opent de ogen als reactie op een lichtprikkel.
De oogbewegingen zijn nog matig gecoördineerd, waardoor pasgeborenen regelmatig
scheelzien.
Merendeel van de zuigelingen is verziend (hypermetroop) is: het brandpunt van het
invallende licht valt achter het netvlies.
Het kind ziet scherp op een afstand van circa 20 cm.
Accommodatie (het meer of minder bol maken van de lens) komt geleidelijk op gang en
zorgt voor betere gezichtsscherpte als de zuigeling ouder wordt.
Vanaf de leeftijd van 3 maanden kijkt de zuigeling meer naar bewegende voorwerpen en
vanaf 4 maanden ontwikkelt zich het diepte zien en de samenwerking tussen beide ogen.
Bij de pasgeborene bestaat het netvlies uit staafjes.
De kegeltjes in het netvlies ontwikkel zich later, wanneer de hersencellen rijpen.
Primaire kleuren (vooral rood) worden het eerst waargenomen, pasteltinten worden
minder goed waargenomen. (staafjes: zwart/wit en kegeltjes: kleuren).
Ogen
Aangeboren afwijkingen zoals coloboma van de iris zijn direct herkenbaar aan de
vervormde pupilopening door een sluitingsdefect van de iris.
Bij een congenitaal cataract kan de grijze kleur van een troebele lens worden gezien
doorvallen licht.
Conjunctivitis kan bacterieel of viraal zijn.
Een vernauwing van de traanbuis is de oorzaak van een traanoogje bij de zuigeling.
Een hangend ooglid (ptosis) kan aan een of aan beide zijden voorkomen.
Als de pupil door het bovenste ooglid wordt bedekt, ontstaat amblyopie.
Opsporing van visuele stoornissen
Meer frequente oorzaken zijn strabismus (scheelzien) en refractiestoornissen, die beide
aanleiding kunnen geven tot het ontwikkelen van amblyopie (lui oog).
Kinderen tot 3 jaar worden onderzocht volgens de VOV-methode (vroegtijdige
onderkenning van visuele stoornissen) en met enkele items uit het Van
Wiechenonderzoek.
Vanaf de leeftijd van 3 jaar is een plaatjeskaart, de Amsterdamse plaatjeskaart, geschikt
voor een visusbepaling.
Vanaf de leeftijd van 3,5 jaar wordt de Ladolt-C-kaart aanbevolen.
Bij kinderen met een verstandelijke beperking kan zo nodig een aangepaste testmethode
gebruikt worden, zoals Lea Hyvärinens boekje met symbolen.
Screening op refractieafwijkingen na het zevende jaar en screening op stoornissen van
de kleurzin zijn niet nodig.
De dieptezientest van de TNO wordt niet aanbevolen als screeningsinstrument.
Gezichtsvermogen