Leerjaar 1
De Huid
,Inhoud
Hoorcollege cellen en weefsels week A1................................................................2
Hoorcollege spieren week A2:................................................................................ 6
Voorbereidingsvragen:..................................................................................... 8
Leerdoelen uitgewerkt:.................................................................................... 9
Hoorcollege Efflorescenties week A2:...................................................................11
Voorbereidingsvragen:................................................................................... 14
Hoorcollege homeostase, diffusie en osmose week A3........................................16
Voorbereidingsvragen:...................................................................................... 23
Leerdoelen uitgewerkt:.................................................................................. 24
Kliniekles week A2.......................................................................................... 28
Aantekeningen kliniekles elektrische epilatie....................................................30
Evidance base practice weblecture week A3........................................................31
Voorbereidingsvragen:...................................................................................... 31
Hoorcollege Algemene farmacologie week A3......................................................36
Voorbereidingsvragen:................................................................................... 38
Hoorcollege huid en huidadnexen........................................................................40
Voorbereidende vragen haarafwijkingen:..........................................................41
Hoorcollege overbeharing:................................................................................... 42
Hoorcollege Lipofiel, lipofoob, ph zuurgraad II Week A4.......................................42
Leerdoelen uitgewerkt:...................................................................................... 46
Hoorcollege zenuwen, sensoriek, autonoom zenuwstelsel week A5:....................48
Voorbereidingsvragen:...................................................................................... 54
Leerdoelen uitgewerkt:...................................................................................... 55
Vivo...................................................................................................................... 56
1
,Hoorcollege cellen en weefsels week A1
Cel:
- De kleinste eenheid waaruit ons lichaam is opgebouwd en kan zelfstandig leven
- Verschillende soorten cellen
- Ook eencellige organismen (Bacteriën)
- Alle levende dingen zijn opgebouwd uit cellen
- Bouwstenen voor de structuur en de functie van levende wezens
- Alle cellen zijn het product van andere cellen
Cel differentiatie= een proces waarbij specifieke cellen zich dusdanig ontwikkelen,
waardoor zij een specifieke functie kunnen uitvoeren
Gevaar van differentiatie: cellen die hoog gedefinieerd en gespecialiseerd zijn kunnen niet
regenereren. Alle zenuwcellen in onze hersenen bij de geboorte worden niet meer opnieuw
ontwikkeld.
Opbouw:
Weefsel= een groep gelijksoortige cellen die morfologisch en functioneel een eenheid in het
menselijk lichaam vormen.
Orgaan bestaat uit verschillende weefselsoorten
Orgaanstelsel= organen en structuren die gezamenlijk een bepaalde taak uitvoeren
Organisme= alle orgaansystemen samen
Cel bestaat uit:
1. Celmembraan
Bestaat uit een dubbele laag van fosfolipiden waarin eiwit moleculen drijven
Hydrofiel (hoofd) en hydrofoob (staart)
Functie:
- Vormt een scheiding tussen het cytoplasma (intracellulaire ruimte) en de
extracellulaire ruimte.
- Selectief in het doorlaten van stoffen
- Passief membraantransport: kost geen energie (diffusie en osmose)
- Actief membraantransport: kost energie
2. Celkern (nucleus)
Centrum van de cel waaruit alle processen worden gestuurd
- Kernmembraan met poriën (doorlaatbaar voor mRNA)
- Nucleulus -> productie ribosomen
- DNA (chromatine) --> genetisch bibliotheek voor proteinebouw (=transcriptie)
- Elke celkern heeft 2 meter DNA dubbele helix
Functie:
- Replicatie (nucleus): synthese/verdubbeling van DNA voor celdeling. DNA naar DNA
- Transcriptie: deel van het DNA (=gen) kopiëren voor eiwit. Van DNA naar mRNA
- Translatie (ribosomen in RER) van mRNA naar proteïne (eiwit) met behulp van tRNA
2
, Chromatine —> rustfase, korreltjes
Chromosoom —> celdeling replicatie, losse korreltjes vormen spiraal
Chromatide —> na de celdeling 2 identieke chromatiden, gaan delen: 2 losse
chromatiden
Chromosomen= pakketjes DNA bestaan uit 2 chromatiden die zijn opgebouwd uit DNA
- Homologe chromosomen aangeduid met: 2n
- N= aantal verschillende chromosomen. Bij de mens is n:23 dus 46 chromosomen in
totaal
- Haploïd (1n)= een cel met één enkel stel chromosomen (geslachtscellen)
- Diploïd (2n)= een cel met een dubbel stel (normale cellen)
Gameten= geslachtscellen haploïd
Chromosomen, genen en allelen komen in paren voor
- Gen= onderdeel van chromosoom voor bepaalde eigenschap; deel van DNA die een
code heeft voor een eiwit
- Allel= een van de verschillende varianten van een bepaald gen
DNA is een kralenkretting van vier soorten moleculen (basen) DNA is dubbele spiraal
- A= adenine
- B= cytosine
- G= Guanine
- T= thymine
- Alle informatie voor het maken van eiwitten is hierin opgeslagen
A altijd met T verbonden C altijd verbonden met G
ATG is het startsignaal voor een eiwit
- Elke drie basen coderen voor 1 aminozuur
- Aminozuren vormen een eiwit
Genen= alle stukken DNA in een chromosoom die coderen voor een eiwit
RNA is een kralenketting van vier soorten moleculen (basen) RNA is een enkel spiraal
- A= adenine
- C= cytosine
- G= guanine
- U= Uracil
A bindt zich met U
Codonen codeert voor bepaalde aminozuren. Ketting van aminozuren —> polypeptide —
> 50 aminozuren = eiwit
3. Cytoplasma: Verzamelnaam voor inhoud cel: organellen + cytosol
- Bestaat voor ¾ uit water
- Voedingsstoffen, mineralen
- Bevat organellen met eigen functie
3