Materieel strafrecht – Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar
Nederlands recht (7de druk)
Deze samenvatting bevat de volgende bladzijdes*:
4 t/m 26 (§I.2 t/m §I.2.6)
66 t/m 113 (§II.2 + §II.3)
119 t/m 138 (§II.4.3 t/m §II.5.1.3)
142 t/m 200 (§II.6 + §III.1 t/m §III.3.4)
209 t/m 389 (Hoofdstuk IV + Hoofdstuk V)
391 t/m 453 (§VI.1 t/m §VI.5 + §VII.1 t/m §VII.1.6)
457 t/m 519 (§VII.2 t/m §VII.7)
528 t/m 580 (Hoofdstuk VIII + Hoofdstuk IX)
*Volgens de verplicht voorgeschreven literatuur aan de Universiteit van Tilburg – 2019/2020
Hoofdstuk II Strafwetgeving
§2 Het strafbare feit
§2.1 De verbindendheid van wettelijke strafbepalingen
Het codificatiebeginsel in art. 107 Gw luidt: ‘de wet regelt (…) het strafrecht in algemene wetboeken,
behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.’ Voor het
materiële strafrecht zijn het algemene Wetboek van Strafrecht, de WED, WVW, WWM, de belastingwetten en
de Opiumwet van groot belang.
Op grond van delegatie in een WIFZ kunnen Algemene Maatregelen van Bestuur strafbaarstellingen bevatten.
En hetzelfde geldt voor verordeningen van de decentrale overheid.
De strafrechter kan slechts aansprakelijk stellen op basis van strafwetgeving die daadwerkelijk van kracht was
ten tijde van het plegen van het feit.
Door de toenemende internationalisering kan in voorkomende gevallen de vraag rijzen of de nationale
wetgeving wel in overeenstemming is met bijv. EU-wetgeving of met grondrechten uit met name het EVRM. Bij
lagere wetgeving staat de verbindendheid wel eens ter discussie met de stelling dat buiten de
(delegatie)bevoegdheid is getreden of hogere wetgeving het onderwerp uitputtend heeft geregeld. Tot slot
kunnen ook meer formele regels bij de toetsing van de verbindendheid een rol spelen. Maar normaal
gesproken is de verbindendheid van een strafbepaling geen probleem.
§2.2 Definitie van het strafbare feit
In art. 1 Sr wordt over een ‘strafbepaling’ gesproken. Daarmee wordt gedoeld op een d.o. en op een
sanctienorm. In de d.o. wordt beschreven welk gedrag onder welke subjectieve en objectieve omstandigheden
tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden. Deze vereisten uit de d.o. zijn de bestanddelen. De d.o. kan
daarnaast een kwalificatie bevatten.
Voorwaarde voor aansprakelijkstelling is naar gangbare opvatting bovendien dat naast alle bestanddelen van
een d.o. ook de elementen ‘wederrechtelijkheid’ en ‘schuld’ moeten zijn vervuld.
De onderscheiding tussen aansprakelijkheidsvoorwaarden op bestanddeelniveau dan wel op ander niveau is
mede van processueel belang. De vormgeving van de tenlastelegging wordt erdoor bepaald en het is belangrijk
voor wat moet worden bewezen.
Materieel gezien gaat het er in essentie om dat bij verwekring op bestanddeelniveau de bewijslast voor het OM
veel zwaarder is. Op bestanddeelniveau dient te worden geregeld, wat normaal gesproken expliciet aan de
orde moet komen en door de rechter moet worden vastgesteld, voordat strafrechtelijke aansprakelijkheid voor
het gedrag in kwestie aan de orde is.
§2.3 Bijzondere delicten en rechtsgoederen
In het Wetboek van Strafrecht is een onderverdeling met een zekere relevantie aangebracht door middel van
de verschillende ‘titels’ waaruit het wetboek is opgebouwd en waarin groepen bijzondere delicten bijeen zijn
gebracht. In de bijzondere strafwetgeving is een dergelijke onderverdeling in groepen strafbare feiten veelal
afwezig, maar men zou kunnen zeggen dat de bijzondere wet zelf doorgaans al een titel vormt waarmee een
bepaald rechtsbelang (rechtsgoed) wordt aangegeven.
Wat is de huidige waarde van de indeling van delicten in verschillende rubrieken? In de eerste plaats is er een
wetgevingstechnisch belang, er kan dan worden gewerkt met algemene bepalingen per titel. Bovendien kan de
titel enige richting geven aan interpretatie van de d.o.. Meer in het algemeen hebben indelingen van strafbare
1
,feiten zin omdat daarmee een zekere ordening wordt aangebracht in het ondoorzichtige woud van bijzondere
delicten.
§2.4 Misdrijven en overtredingen
Er zijn nog verschillende andere indelingen in typen delicten die in de dogmatiek worden onderscheiden.
Het is in de eerste plaats van oudsher gebruikelijk om strafbare feiten in twee of drie categorieën onder te
verdelen waarbij in essentie tussen ernstige en minder ernstige strafbare feiten wordt onderscheiden.
Aan de hand van welke maatstaf moet de wetgever een strafbaar feit tot misdrijf of overtreding bestempelen?
Het criterium dat tegenwoordig de doorslag geeft, lijkt mij de ernst van het strafbare feit in kwestie. Ernstiger
strafbare feiten, vooral die waarbij vrijheidsstraf in beeld kan komen, worden als misdrijven aangemerkt.
Minder ernstige feiten, waarbij normaal gesproken een geringe vermogensstraf op het spel staat, worden als
overtredingen bestempeld. Ook de hoofdregel dat opzet of schuld slechts bij een misdrijf als bestanddeel is
opgenomen, laat zich in deze sleutel goed passen.
§2.5 Krenkings- en gevaarzettingsdelicten
In het klassieke, beperkte strafrecht waarin de nadruk op vergelding ligt, staan krenkingsdelicten centraal. Er
wordt strafrechtelijk gereageerd op de daadwerkelijke schending of krenking van een rechtsgoed.
Bij de gevaarzettingsdelicten daarentegen wordt de bedreiging van een rechtsgoed, het gevaar voor een
krenking strafbaar gesteld. Dan komt in zekere zin preventie op de voorgrond te staan. Bij een abstract
gevaarzettingsdelict wordt een gedraging strafbaar gesteld die in algemene, niet nader in de d.o.
gespecificeerde zin gevaar kan opleveren. Bij een concreet gevaarzettingsdelict wordt daarentegen in de d.o.
vereist dat daadwerkelijk gevaar is ontstaan.
Het materieelrechtelijke belang van de indeling in krenkings- en gevaarzettingsdelicten is dat strafbaarstelling
van gevaarzettingsdelicten problematischer is: de grenzen van wat zinvol kan en mag worden strafbaar gesteld,
komen eerder in zicht.
§2.6 Formele en materiële delicten
Enigszins verwant met de indeling in gevaarzettings- en krenkingsdelicten is het onderscheid tussen formele
(waarbij voor strafbaarheid een bepaalde handeling voldoende is) en materiële delicten waarbij meer een
bepaald gevolg centraal staat. Abstracte gevaarzettingsdelicten zijn vooral formeel, terwijl concrete
gevaarzettingsdelicten al materiëler zijn. Krenkingsdelicten kunnen tamelijk formeel worden omschreven, maar
zijn toch meestal als materieel delict vormgegeven.
§2.7 Kwaliteits- en algemene delicten
Vooral de klassieke delictsomschrijvingen zijn tot iedereen gericht. Men noemt dat ‘gemene’ delicten, in de zin
van algemene delicten. Maar regelmatig richt een d.o. zich in directe zin slechts tot rechtssubjecten met een
bepaalde hoedanigheid, en dan spreekt men over een kwaliteitsdelict dat zich tot bepaalde normadressaten
richt. Soms levert een bepaalde kwaliteit niet zozeer een strafbepalende, maar een wettelijke strafverzwarende
omstandigheid op. Naast het algemene delict bestaat in dergelijke gevallen een kwaliteitsvariant met een
hoger strafmaximum.
Een expliciete kwaliteitsdelict is een d.o. waarin als bestanddeel een bepaalde hoedanigheid van de pleger is
opgenomen. Een enkele maal onderscheidt de rechtspraak ook impliciete kwaliteitsdelicten, op basis van bijv.
de wetsgeschiedenis is dan voor het plegen een hoedanigheid nodig, zonder dat een degelijk vereiste met
zoveel woorden in de d.o. zelf is te lezen.
§2.8 Commissie- en omissiedelicten
Het gewone strafbare feit omschrijft een verbod, dan staat in de d.o. al snel een gedraging centraal. Dat zijn
commissiedelicten, strafbare feiten die door handelen worden begaan. Maar soms wordt in een d.o. een gebod
gegeven. Dat komt vaak neer op strafbaarstelling van nalaten – een omissiedelict.
Ook de omissiedelicten worden in de dogmatiek weer nader onderscheiden, in eigenlijke en oneigenlijke
omissiedelicten. De eigenlijke omissiedelicten kwamen hierboven aan de orde: uit de wettelijke omschrijving
van de gedraging blijkt dat het om een omissiedelict gaat. Bij een oneigenlijke (of onzuivere) omissiedelict gaat
het naar de wettelijke omschrijving om een commissiedelict dat toch ook door een nalaten kan worden begaan.
Het betreft doorgaans materieel omschreven delicten, waarbij het gevolg dan door niets doen wordt
veroorzaakt. Klassiek voorbeeld zijn de ouders die hun kind de noodzakelijke zorg onthouden waardoor het
overlijdt.
2
,§2.9 Doleuze en culpoze delicten en strafbepalingen zonder subjectief bestanddeel
Bij doleuze delicten is een opzetvereiste in de d.o. te vinden, bij culpoze delicten een vorm van schuld.
§2.10 Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten
Gekwalificeerde delicten zijn met zwaardere straffen bedreigd dan de grondvorm van die delicten, omdat het
strafbare feit is gepleegd onder bijzondere omstandigheden. De wettelijke strafverzwaringsgronden kunnen
worden onderscheiden in die van objectieve of subjectieve aard. Bij de objectieve gronden staat het feit
voorop. Subjectieve strafverzwaringsgronden houden verband met de persoon van de dader. Het kan daarbij
gaan om een functie of hoedanigheid.
Bij wijze van uitzondering bevat de strafwetgeving ook geprivilegieerde delicten. Zo’n strafbaarstelling heeft
ten opzichte van het gronddelict een lager strafmaximum, zoals bij de klassieke kindermoord en –doodslag.
§2.11 Aflopende en voortdurende delicten
De meeste strafbare feiten vinden plaats binnen een overzichtelijk tijdsbestek, zijn op een gegeven moment
voltooid en daarmee ook afgelopen. Maar sommige strafbare feiten zijn als voortdurende delicten
vormgegeven. Men spreekt ook wel van strafbaarstelling van een verboden toestand.
§2.12 Klachtdelicten
Een aparte categorie vormen de klachtdelicten met als bijzondere voorwaarde voor vervolgbaarheid dat door
een klachtgerechtigde rechtsgeldig een aangifte met verzoek tot vervolging is gedaan. Klachtgerechtigd is
doorgaans het slachtoffer.
Er kan nader worden onderscheiden in een absoluut klachtdelict (het feit kan niet worden vervolgd zonder
rechtsgeldige klacht) of een relatief klachtdelict (alleen een bepaalde verdachte kan niet worden vervolgd
zonder een tegen hem gerichte klacht).
§2.13 Terroristische misdrijven
Voor de ontwikkeling van de hedendaagse strafrechtwetgeving is de bestrijding van het terrorisme en
jihadisme een sterke motor. In dat verband kunnen terroristische misdrijven als aparte categorie worden
onderscheiden.
In de betekenistitel van het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht worden de terroristische
misdrijven nader aangeduid. Art. 83 Sr wijst ruim 40 delicten aan. Bepalend voor indeling als terroristisch
misdrijf is dat is gehandeld met een bijzonder opzetvereiste: het terroristische oogmerk. In sommige delicten is
een terroristisch oogmerk als strafverzwarende omstandigheid opgenomen.
§2.14 Commune delicten en delicten uit bijzondere strafwetgeving
Een belangrijk onderscheid voor de wetgever is dat tussen commune en bijzonder strafrecht. Het Algemeen
Deel heeft op zichzelf een centrale plaats in het materiële strafrecht behouden, maar dat geldt in veel mindere
mate voor de delicten uit het Wetboek van Strafrecht. In de bijzondere strafwetgeving zijn veel meer
strafbaarstellingen te vinden dan in het wetboek zelf, en het kan daarbij gaan om kwantitatief en kwalitatief
belangrijke delicten.
Het betrokken rechtsgoed of rechtsbelang lijkt vaak een belangrijke reden voor onderbrenging in bijzondere
strafwetgeving.
§3 Het legaliteitsbeginsel
§3.1 Plaatsbepaling
‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling’ (het
legaliteitsbeginsel), zo luidt de belangrijke opening van het Wetboek van Strafrecht in art. 1 lid 1.
Een dermate hecht juridisch fundament kan wijzen op geworteldheid. Het legaliteitsbeginsel heeft
vermoedelijk inderdaad als algemene notie dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in de eerste plaats een
wettelijke basis is vereist en dat in de tweede plaats terugwerkende kracht van strafbaarstellingen of van regels
over strafhoogte en strafsoort niet geoorloofd is.
De strekking van het legaliteitsbeginsel brengt mee dat de strafbepaling in de Nederlandse taal moet zijn
geformuleerd. Gewoonterecht, rechtersrecht en in verdragen voorkomende strafbaarstellingen vallen niet
onder het begrip wettelijke strafbepaling uit art. 1 lid 1 sr.
Op welke overwegingen is het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel gebaseerd? Belangrijk is het
schuldgezichtspunt op basis waarvan niemand mag worden bestraft indien hij niet wist of kon weten dat zijn
gedrag verboden was. Bovendien is vooral de rechtsstaatsgedachte van actueel belang: iedere
3
, machtsuitoefening door of namens de overheid behoort te zijn gebaseerd op tijdig uitgevaardigde rechtsregels
van goede kwaliteit. De rechtszekerheid kan als overkoepelend belang worden aangemerkt: een natuurlijke of
een rechtspersoon moet kunnen voorzien of de overheid in strafrechtelijke zin op zijn mogelijk gedrag zal
reageren en welke reacties daarbij denkbaar zijn. De achterkant van de rechtszekerheid medaille komt naar
voren in de uitdrukking ‘ieder wordt geacht de wet te kennen’. Hierbij gaat het niet om een feitelijke
constatering dat ieder de wet werkelijk kent, maar vooral om ‘een zeer hoog afgestelde inspanningsverplichting
voor allen, die aan de Nederlandse strafmacht onderworpen zijn, om naar vermogen hun uiterste best te doen
om zin, strekking en geldingswijze van de strafrechtelijke normstellingen te kennen’.
§3.2 Verbod van terugwerkende kracht
Het verbod van terugwerkende kracht vloeit rechtstreeks voort uit de klassieke grondslagen van het
legaliteitsbeginsel: de rechtszekerheid, de preventie en het schuldgezichtspunt impliceren dat strafwetgeving
geen terugwerkende kracht mag hebben, voor zover dat althans in het nadeel van de verdachte is.
Veranderingen die ten gunste van de verdachte werken, kunnen wel met terugwerkende kracht worden
ingevoerd (art. 1 lid 2 Sr).
Strafbaar is slechts datgene dat strafbaar is gesteld. De wetgever moet op grond van het legaliteitsbeginsel de
kwaliteit van de strafwetgeving bewaken in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen, hedendaagse
opvattingen en nieuwe rechtspraak.
Voor de beoordeling van terugwerkende kracht door de strafrechter is een ijkpunt nodig. Dat is normaal
gesproken het tijdstop van begaan van het strafbare feite.
Het komt regelmatig voor dat na het plegen van het feit, maar voor de berechting een verruimende
interpretatie van de d.o. in de rechtspraak wordt aanvaard en als het ware direct in gaat en wordt toegepast.
Zulke extensieve interpretatie levert een (doorgaans) aanvaardbaar geachte relativering van het verbod van
terugwerkende kracht op. Maar denkbaar is dat door de later oordelende strafrechter gedrag onder een d.o.
wordt begrepen, waarvan ten tijde van de gedraging echt onduidelijk was dat dat het geval zou kunnen zijn.
Dan kan er voor de rechter goede reden zijn om consequenties uit het verbod op terugwerkende kracht te
trekken en niet aan directe toepassing, maar aan rechterlijk overgangsrecht te denken.
Een verjaringstermijn mag in Nederland met terugwerkende kracht worden verlengd. Volgens de HR geldt ‘naar
hedendaagse rechtsopvatting’ als uitgangspunt dat bij verandering van wetgeving m.b.t. de verjaring deze
verandering direct van toepassing is, maar wel met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt
geëerbiedigd.
De harde kern van het legaliteitsbeginsel richt zich wat het verbod van terugwerkende kracht betreft dus op de
strafbepalingen en de sanctienormen. Niet onvermeld mag blijven dat hierop in bijzondere omstandigheden
toch een ingrijpende uitzondering is gemaakt voor de berechting van gedurende de Tweede Wereldoorlog
gepleegde oorlogsmisdrijven.
§3.3 Gebod van toegankelijke en vooral van scherpe normen
Het legaliteitsbeginsel vereist van de wetgever niet alleen tijdig ingevoerde delictsomschrijvingen en
sanctienormen: de rechtszekerheid voor de verdachte vraagt hier bovendien om goed toegankelijke en vooral
om precies geformuleerde wetgeving.
Het Straatsburgse Hof heeft in dit verband enkele eisen gesteld, die in de context van het EVRM bijzonder
gewicht hebben omdat ‘law’ ook ongeschreven recht omvat. In de eerste plaats wordt gewaakt voor de
toegankelijkheid van het recht; daarom wordt ook regelmatig belang gehecht aan goed verzorgde publicatie
van rechtspraak. Belangrijker voor het Nederlandse strafrecht is het Straatsburgse voorzienbaarheids- of
voorspelbaarheidsvereiste (lex certa beginsel). Dan gaat het in feite om de klassieke uit het legaliteitsbeginsel
voortvloeiende wens naar scherpe normen waardoor zo precies mogelijk duidelijk wordt wat eronder valt.
Onvermijdelijke vaagheid is vaak aan de orde bij bestanddelen waarin een oordeel tot uitdrukking wordt
gebracht. Deze vage normen moeten overigens vaak wel worden gezien tegen de achtergrond van een stelsel
van meer gedetailleerde gedragsvoorschriften, waardoor ze nader worden ingevuld en verhelderd.
Hoofdlijn in de rechtspraak en literatuur is dat met erkenning van het vage en open karakter van dergelijke
normen tegelijkertijd wordt beslist dat de omschrijvingen niet té vaag zijn. Vooral de onmacht om het scherper
te kunnen omschrijven, de onvermijdelijke vaagheid lijkt het centrale argument te zijn. Enerzijds spreekt dit
argument aan omdat het wetstechnisch inderdaad onmogelijk is werkelijke precisie te bereiken. Anderzijds
bergt het argument van de onvermijdelijkheid ook een risico van gemakzucht in zich.
In verband met het uit het legaliteitsbeginsel voortvloeiende bepaaldheidsgebod maak ik nog drie
opmerkingen. In de eerste plaats te ruime delictsomschrijvingen vragen misschien wel vooral om een
restrictieve interpretatie of eisen aan de kwalificatie, terwijl een extensieve interpretatie bij sommige delicten
4