Hoofdstuk 1:
Beslissingsproces: het proces wat vooraf gaat aan de koop van een product
Consumentengedrag is onderverdeeld in 4 hoofdcategorieën:
- Communicatiegedrag: omvat het opnemen verwerken en eventueel doorgeven van
informatie.
- Koopgedrag: het handelen van de consument op de plaats van aankoop of de weg ernaar
toe.
- Gebruiksgedrag: alles wat iemand doet met zijn aankoop.
- Afdankgedrag: wat doet de consument met producten die hij niet meer nodig heeft.
Sociale psychologie: het gedrag van 1 enkele persoon
Sociologie: Wanneer we het gedrag van bevolkingsgroepen beschrijven
Economie: de wetenschap waarin het gedrag van de consument wordt gezien als het resultaat van
zijn rationele afweging te aanzien van kosten en baten
Marktsegmentatie: de markt verdelen in groepen/segmenten
Hoofdstuk 2:
Levensstijl: een samenhangend patroon van expressieve gedragskeuzes en smaakuitingen
Het onderscheiden van verschillende levensstijlen doe je met het segmentatiesysteem VALS:
Er zijn acht groepen op grond van drie oriëntaties.
1. Principegeoriënteerd: laten zich meer leiden
door ideële criteria: veganisten bvb
2. Statusgeoriënteerd: zoeken producten die hun
succes aan anderen laat zien
3. Actiegeoriënteerd: zoeken de uitdaging op,
nemen risico’s.
Psychografisch onderzoek: onderzoek naar
hobby’s, interesses en persoonlijke voorkeuren.
Motivatie kan:
1. Activeren tot gedrag
2. Richten naar het handelen van het individu
op een doel.
Interne prikkels: zijn fysiologisch en emotioneel van aard; Honger en slapen bvb
Externe prikkels: Prikkels uit de omgeving; reclame’s.
3 soorten motivatieconflicten:
1. Approach-approach conflict, 2 positieven die een conflict vormen
2. Approach-avoidance conflict, 1 positieve 1 negatieve, lekkere chips, wel ongezond
3. Avoidance-avoidance conflict, 2 negatieven, bus duurt lang taxi duurt lang.
, Behoeftenhierachie van Maslov: fysiologische behoefte behoefte aan veiligheid behoefte aan
liefde en genegenheid behoefte aan respect behoefte aan zelfverheerlijking
ERG theorie: overlevingsbehoeften sociale behoeften groeibehoeften
Negatieve motivatie: een probleem voorkomen of opheffen.
Positieve motivatie: spanning verhogen en een extra stimulatie, jezelf verheerlijken.
Instrumentele waarden: manieren waarop je einddoel bereikt kan worden; beleefd zijn, hard werken.
Middel-doel keten:
2 soorten eigenschappen:
1. Concrete kennis van eigenschappen: tastbaar, kleur en
vorm
2. Abstracte productkennis: niet tastbaar, kwaliteit
2 soorten gevolgen:
1: functionele gevolgen: met de auto verplaats je
2: emotionele gevolgen: je word er gelukkig van
Instrumentele waarde: centrum zijn van de aandacht
Eindwaarde: meer rijcomfort
Hoofdstuk 3:
Het informatieverwerkproces bestaat uit 2 deelprocessen:
1. Het perceptieproces: zintuigelijke prikkels: zien horen ruiken
2. Het geheugenproces: bestaat uit het opslaan van die prikkels
Het informatieverwerkingsproces kan door 2 groepen factoren worden beïnvloed:
1. Kenmerken van de consument: interesses, behoeften en stemmingen
2. Kenmerken van de stimuli: misplaatste reclame bvb
Perceptie bestaat uit 3 fasen:
1. De exposure fase: consument komt in contact met de stimuli
- Actieve exposure: wanneer de consument op zoek gaat naar een oplossing
- Passieve exposure: wanneer de consument word blootgesteld aan informatie die een
behoefte probeert te creëren.
- Forced exposure: reclames in de bioscoop
- Absolute drempel: geeft aan wanneer een stimulus word opgemerkt.
- Relatieve drempel/Just Noticable difference (JND): minimale verschil tussen 2 stimuli.
2. Aandachtsfase: consument selecteert de stimuli die zijn aandacht trekken.
- Fysieke eigenschappen: kleur, grootte, positie, nieuwheid.
- Cognitieve eigenschappen: eigenschappen die wel onze aandacht trekken maar waarvan het
niet meteen duidelijk is wat het precies inhoud.
- Emotionele eigenschappen: beelden die humoristisch of verdriet in zich hebben.
3. Begripsfase: Word een betekenis toegevoegd aan die stimuli.