Verpleegkundige zorgverlening:
Benoemen wat visie op verplegen is.
De visie op verplegen is jouw eigen mening en overtuigingen over wat jij belangrijk vindt in de
verpleging.
Formuleren wat binnen verpleegkunde wordt verstaan onder gezondheid en ziekte
Bij de definitie van gezondheid wordt er gekeken naar zes dimensies, namelijk: lichaamsfuncties,
mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociaal maatschappelijke participatie en
dagelijks functioneren.
Ziekte wordt veroorzaakt door: sociale (maatschappelijke) aspecten, psychische (geestelijke)
aspecten en somatische (lichamelijke) aspecten.
Zorgrelatie: professionele relatie van de verpleegkundige ten op zichtte van de zorgvrager
Terwijl je de verzorging uitvoert, praat je met de zorgvrager. Dit doe je om informatie te
ontvangen, informatie te geven en aandacht te geven aan de beleving van de zorgvrager. Een
belangrijk uitgangspunt bij de communicatie is dat de zorgvrager gelijkwaardig is aan de
zorgverlener.
Visie: weloverwogen mening over een kwestie en hoe deze kwestie zich moet ontwikkelen.
Er zijn 3 verschillende visies vanuit elke organisatie:
- Vraaggerichte zorg: zorg die uitgaan van de wensen en ervaren behoeften van de cliënt, die
met de professional tot stand komt en waarbij de cliënt uiteindelijk beslist.
Andere woorden voor vraaggerichte zorg: cliëntgerichte, klantgerichte,
persoonsgerichte, cliëntgestuurde of cliëntgecentreerde zorg.
- Vraaggestuurde zorg: de zorgvrager bepaalt het aanbod van de zorg helemaal zelf. Hij
bepaalt de inhoud en organisatie van de zorg, met het beschikbare budget. Er wordt dus
niet alleen maar richting gegeven aan het zorgaanbod door de patiënt.
- Belevingsgerichte zorg: je speelt in op de beleving van de zorgvrager. Er wordt afgevraagd
wat iemand prettig vindt. De zorgvrager en zorgverlener bepalen samen de inhoud van de
zorg en stellen in gezamenlijk overleg een plan van aanpak op, op basis van
gelijkwaardigheid.
Herkennen wat het belang is van zelfzorg en zelfmanagement ten aanzien van de oudere
zorgvrager
Het belang van zelfzorg en zelfmanagement voor de oudere zorgvrager is om eigenwaarde van de
zorgvrager de waarborgen. Ook geeft dit ouderen het vermogen om hun leven vorm te geven
Benoemen welke hulpmiddelen de zorgvrager kan gebruiken om mobiliteit te verbeteren en
zelfregie te behouden.
Loophulpmiddel, rolstoel, antislipsokken
Opsommen welke verpleegkundige interventies worden toegepast om het valrisico bij ouderen te
verminderen en zelfregie te stimuleren.
Goede voorlichting en begeleiding, stimuleren en signaleren van oefeningen die de mobiliteit
verbeteren, beoordeling en aanpassing van thuis- en woonomgeving,
, Gevolgen van een valongeval bij ouderen:
- Lichamelijke gevolgen: botbreuken die traag genezen en er klachten van blijvende aard
achterblijven
- Sociale gevolgen: na een breuk hebben ouderen vaak last van angst om opnieuw te vallen.
Door deze angst verhoogd de kans op een depressie en verminderen de mate van activiteit
en mobiliteit en het aantal sociale contacten
Oorzaken van vallen:
- Persoonsgebonden factoren:
o Verminderend reactievermogen
o Verminderd evenwicht
o Verminderde spierkracht
o Verminderd zicht en gehoor
o Beperkte lichamelijke mogelijkheden, verminderde lenigheid
o Specifieke ziekten (zoals artrose, CVA, Parkinson, orthostatische hypotensie)
o Problemen met lopen
o Cognitieve en psychische achteruitgang
o Geneesmiddelengebruik (met name slaap- en kalmeringsmiddelen)
- Omgevingsgebonden factoren:
o Omgeving: onvoldoende verlichting, hoge drempels, losse kleedjes en voorwerpen
o Hulpmiddelen: slecht onderhouden rollator, boodschappentas zonder wielen, slechte
huishoudtrap, ongelijke bestrating buiten, schoenen met gladde zolen.
Bij ouderen worden de valongevallen meestal veroorzaakt door een combinatie van
persoonsgebonden en omgevingsgebonden factoren.
Zes verbeteractiviteiten die kunnen bijdragen aan succesvolle valpreventie:
1. De risicofactoren voor vallen kennen.
2. Regelmatig de risico’s bij de cliënt en de omgeving inventariseren.
3. Cliënt, mantelzorger of familie betrekken.
4. (Bijna-)valincidenten registreren en verbeteracties in gang zetten.
5. Valpreventieve maatregelen nemen.
6. Multidisciplinaire samenwerking verbeteren.
Preventieve interventies: de thuis- en woonomgeving beoordelen en waar nodig aanpassen,
voorlichting, uitleg en advies geven, valangst verminderen.
Curatieve interventies: loophulpmiddel, een bril met de juiste sterkte, mobiel alarm, medicatie-
evaluatie en vitamine D- en calciumsuppletie. Wordt ingezet bij ouderen waarbij is aangetoond dat
er valgevaar is of een oudere die al herhaaldelijk is gevallen.
Moraliteit: aantal sterfgevallen in een bepaalde periode
Intrinsieke oorzaken: vanuit de persoon zelf (duizeligheid, balansproblemen)
Extrinsieke oorzaken: vanuit de omgeving (losliggend kleedje of slecht schoeisel)
,Sarcopenie: een leeftijd gerelateerde afname van de spiermassa, is een belangrijke oorzaak van
het spierkrachtverlies waardoor de kans op vallen toeneemt.
Ouderen gaan steeds langzamer lopen; zowel de comfortabele als de maximale loopsnelheid
neemt af. Dit zorgt voor een groter valrisico.
Vocht- en elektrolytenbalans:
Incontinentie is op zich geen oorzaak van vallen. Wel is het gedrag dat het gevolg is van
incontinentie een aspect dat valgevaar vergroot. De oorzaak is dat ouderen zich moeten haasten
om op tijd het toilet de bereiken. Vooral in de nacht bij slaperigheid, slechte verlichtingen, geen of
slecht schoeisel in combinatie met haast kan een val- of struikelpartij snel gebeuren.
Voorbeelden van beïnvloedende cognitieve factoren:
- Disfunctioneren van het kortetermijngeheugen (de oudere weet niet maar waar hij spullen
heeft opgeborgen en zoekt gestrest door het huis met vermoeidheid en te snel handelen als
gevolg)
- Apraxie (de oudere weet niet meer hoe de eenvoudige dagelijkse handelingen uitgevoerd
moeten worden, zoals zitten, traplopen of een rollator gebruiken)
- Desoriëntatie
- Delier (bewustzijn is wisselend gestoord waardoor de patiënt verward is)
- Zelfverwaarlozing
Observatie van het zintuigelijk systeem:
- Pijn
- Visus
- Voetproblemen
Observatie van het neurologisch systeem:
- Duizeligheid
- Cognitie
- Valangst
Het verbeteren van de balans, kracht, het uithoudingsvermogen en de flexibiliteit blijkt zeer
effectief te zijn bij het voorkomen van vallen. Vooral het trainen van de spierkracht als aanvulling
op de balanstraining is effectief.
Een interventie die gericht is op het verbeteren van de balans, kan als individuele interventie of als
groepsinterventie worden aangeboden. Het voordeel van het oefenen in een groep is het
zogenoemde lotgenotencontact, ten behoeve van onderlinge stimulering en motivering. Nadelen
zijn dat de oudere zich moet verplaatsen naar de locatie waar de training gegeven wordt en dat
een dergelijke groepstraining niet op veel plaatsen en evenmin op alle momenten wordt
aangeboden. Ook financiële aspecten spelen mee.
Benoemen hoe pijnbeleving werkt.
Pijnbeleving begint bij de waarneming van de lichamelijke beschadiging. Vervolgens komt de
pijnprikkel in de hersenschors aan en wordt je je bewust van de pijn. Pijnbeleving komt tot stand
door het emotioneel en lichamelijk voelen van pijn dat niet alleen wordt beïnvloed door
lichamelijke beschadiging maar ook door psychologische factoren (angst, woede, depressie_.
, Formuleren welke meetinstrumenten pijn registreren.
Pijnanamnese, gedragsobservatie, gezichtjesschaal, pijnschaal, pijndagboek
Benoemen hoe je als verpleegkundige pijn herkent.
Als verpleegkundige kun je pijn herkennen door goed te observeren en informatie te verzamelen
over de aard en de omvang van de klachten door middel van een pijnanamnese, door middel van
gedragsobservatie, en door middel van een pijnschaal en pijndagboek.
Pijn wordt als negatief en onaangenaam ervaren, maar als we geen pijn zouden voelen, zouden wij
geen medische hulp zoeken. Pijn heeft dus ook een positieve rol in ons leven. Een sporter die
bijvoorbeeld ook topprestatie levert heeft pijn, maar hij weet dat het erbij hoort en hij is er zelfs
trots op.
Binnen in de cirkel staat de nociceptie: de waarneming van de lichamelijke beschadiging.
Als tweede de gewaarwording van pijn: het bewust worden van pijn.
Als derde de pijnbeleving: het emotioneel en lichamelijk voelen van pijn. (De manier waarop
de zorgvrager de pijn ervaart)
Ten slotte het pijngedrag: het gedrag waaraan een ander kan zien dat de persoon pijn heeft.
De eerste en tweede cirkel worden bepaald door het opvangen, voortgeleiden en gewaarworden
van een pijnprikkel.
Pijnzenuwen zijn zenuwen die pijnprikkels overbrengen naar de hersenen. De zenuwuiteinden
liggen vooral in de huid, de slijmvliezen, kapsels van organen en spieren en gewrichten. Als zo’n
zenuwuiteinde wordt geprikkeld, dan wordt de prikkel via de zenuw voortgeleid via het
ruggenmerg naar de hersenschors. Dit noem je nociceptie. Zodra de prikkel in de hersenschors
aankomt, voel je pijn. Dit is pijngewaarwording.
Wanneer voel je geen pijn:
- Als een pijnprikkel de hersenschors niet kan bereiken
- Bij een beschadiging van de hersenschors
- Dwarslaesie
Pijndrempel: wanneer een prikkel onder de pijndrempel zit voel je geen pijn. Wanneer een prikkel
boven de drempel uit komt wordt gevoeld.