Begrippen hoofdstuk 13
Analyse van overdracht Freudiaanse techniek waar de relatie
tussen patiënt en therapeut wordt
geanalyseerd en geïnterpreteerd.
Angstremmend medicijn (anxiolyticum) Medicijn met dempende invloed op
angstgevoelens.
Antidepressivum Medicijn tegen depressie. De meeste
soorten beïnvloeden het transport van
serotonine en/of neropinefrine in de
hersenen.
Antipsychoticum Medicijn dat psychotische symptomen
verminderd. Heeft werking op de
neurotransmitters in de hersenen.
Aversietherapie Klassieke conditioneringsprocedure:
aantrekkelijke stimulus wordt gekoppeld
aan een onaangename sensatie, waardoor
een reactie van weerzin wordt aangeleerd.
Biomedische therapie Behandeling met het accent op verandering
in de hersenen, vooral door gebruik van
geneesmiddelen, psychochirurgie of
elektroshocktherapie.
Cliëntgerichte therapie Humanistische benadering van therapie.
Benadruk de natuurlijke neiging van
mensen tot gezonde psychologische groei
en zelfrealisatie.
Cognitieve gedragstherapie (CGT) Recentere vorm van psychotherapie die
technieken van cognitieve therapie en
gedragstherapie combineert.
Cognitieve therapie Beschouwt rationeel denken als sleutel tot
behandeling van psychische stoornissen.
Combinatietherapie Therapeutische benadering waarbij gebruik
wordt gemaakt van psychologische en
geneeskundige technieken.
Contingentiemanagement Op operante conditionering gebaseerde
benadering van gedragsmodificatie waarbij
gevolgen van gedrag worden veranderd.
Dehospitalisatie Beleid om patiënten zo veel mogelijk weg
te halen of te houden uit het psychiatrisch
ziekenhuis.
Elektroshocktherapie Methode die voornamelijk toe wordt
gepast bij behandeling van depressie. Bij
het slapen wordt een elektrische shock
toegediend, die algehele verkramping
oproept.
Exposuretherapie Patiënt wordt direct geconfronteerd met
Analyse van overdracht Freudiaanse techniek waar de relatie
tussen patiënt en therapeut wordt
geanalyseerd en geïnterpreteerd.
Angstremmend medicijn (anxiolyticum) Medicijn met dempende invloed op
angstgevoelens.
Antidepressivum Medicijn tegen depressie. De meeste
soorten beïnvloeden het transport van
serotonine en/of neropinefrine in de
hersenen.
Antipsychoticum Medicijn dat psychotische symptomen
verminderd. Heeft werking op de
neurotransmitters in de hersenen.
Aversietherapie Klassieke conditioneringsprocedure:
aantrekkelijke stimulus wordt gekoppeld
aan een onaangename sensatie, waardoor
een reactie van weerzin wordt aangeleerd.
Biomedische therapie Behandeling met het accent op verandering
in de hersenen, vooral door gebruik van
geneesmiddelen, psychochirurgie of
elektroshocktherapie.
Cliëntgerichte therapie Humanistische benadering van therapie.
Benadruk de natuurlijke neiging van
mensen tot gezonde psychologische groei
en zelfrealisatie.
Cognitieve gedragstherapie (CGT) Recentere vorm van psychotherapie die
technieken van cognitieve therapie en
gedragstherapie combineert.
Cognitieve therapie Beschouwt rationeel denken als sleutel tot
behandeling van psychische stoornissen.
Combinatietherapie Therapeutische benadering waarbij gebruik
wordt gemaakt van psychologische en
geneeskundige technieken.
Contingentiemanagement Op operante conditionering gebaseerde
benadering van gedragsmodificatie waarbij
gevolgen van gedrag worden veranderd.
Dehospitalisatie Beleid om patiënten zo veel mogelijk weg
te halen of te houden uit het psychiatrisch
ziekenhuis.
Elektroshocktherapie Methode die voornamelijk toe wordt
gepast bij behandeling van depressie. Bij
het slapen wordt een elektrische shock
toegediend, die algehele verkramping
oproept.
Exposuretherapie Patiënt wordt direct geconfronteerd met