Inhoudsopgave....................................................................................................................... 1
Verschuivingen van en langs de lijn.......................................................................................2
Elasticiteiten........................................................................................................................... 3
Kosten en opbrengsten..........................................................................................................5
3 doelstellingen...................................................................................................................... 6
Ruilen over de tijd (door de overheid).....................................................................................7
Externe effecten..................................................................................................................... 8
Gevangenendilemma en spelboom........................................................................................9
Verzekeren........................................................................................................................... 11
Economische kringloop........................................................................................................ 13
Ongelijkheid, herverdeling en rekenen met belasting...........................................................15
Conjunctuur en welvaart.......................................................................................................19
,Verschuivingen van en langs de lijn
Vraaglijn
Negatief verband = als het een stijgt, daalt het andere.
- Als de prijs stijgt, daalt de vraag
Aanbodlijn
Positief verband = als het een stijgt, stijgt het andere
- Als de prijs stijgt, stijgt het aanbod
Ceteris paribus = de veronderstelling dat alle andere factoren constant blijven
- Verschuiving langs de lijn = aflezen bij een andere P of Q (zie linker plaatje)
- Verschuiving van de lijn = de lijn verschuift naar links of rechts (zie rechter plaatje)
- Bijv. als de voorkeur verandert
Voorbeeldvraag:
Vraagzijde
De gevraagde hoeveelheid is afhankelijk van 6 factoren: Van of langs de lijn?
1. Prijs Langs
2. Inkomen Van
3. Behoefte Van
4. Aantal vragers (bevolking Van
5. Prijzen van concurrerende goederen Van
6. Stand van de economie Van
Aanbodzijde
De aangeboden hoeveelheid is afhankelijk van 5 factoren: Van of langs de lijn?
1. Prijs Langs
2. Aantal aanbieders / producenten Van
3. Kosten van productie (arbeid en machines) Van
4. Kwaliteit van productie (arbeid en machines) Van
5. Heffing Van
, Elasticiteiten
Prijselasticiteit van de vraag = in welke mate reageert de vraag op een verandering van
de prijs?
Ev = % verandering van de gevraagde hoeveelheid / % verandering van de prijs
→ Ezelsbruggetje: H(arry) / P(otter)
Als iets elastisch is, is er een sterke reactie van de vraag op de prijsverandering.
- Ev > 1
- Als de prijs stijgt met 1%, daalt de vraag met meer dan 1%.
- Voorbeeld: televisie.
Als iets inelastisch is, is er een zwakkere reactie van de vraag op de prijsverandering.
- Ev < 1
- Als de prijs stijgt met 1%, daalt de vraag met minder dan 1%.
- Voorbeeld: brood.
Prijselasticiteit van de vraag is negatief, want als de prijs stijgt, daalt de vraag en als de prijs
daalt, stijgt de vraag.
Primaire goederen: goederen die niet gemist kunnen worden, eerste levensbehoeften.
- De vraag hiernaar is inelastisch.
- Verzadigingsinkomen = het inkomen waarbij consumenten niet meer gaan kopen van
bepaalde eerste levensbehoeften.
Luxe goederen: goederen die wel gemist kunnen worden, deze zijn niet noodzakelijk voor
ons levensonderhoud.
- De vraag hiernaar is elastisch.
- Inferieure goederen = goederen waarvan je minder koopt als je inkomen stijgt.
Kruislingse prijselasticiteit = Hoe sterk reageert de vraag naar het ene goed op een
prijsverandering van een ander goed?
Ek = % verandering van de gevraagde hoeveelheid van product 1 / % verandering van de
prijs van product 2
- Positief bij substitutiegoederen (die elkaar vervangen zoals spijker- en gewone
broek).
- Negatief voor complementaire goederen (goederen die elkaar aanvullen zoals
broekriem en spijkerbroeken).