E. O. Wilson → eerste die begon over biodiversiteit
Bekend van eilandtheorie.
Equilibrium theorie (eilandtheorie)
→
● Immigratie is afhankelijk van de afstand tot het vaste land
● Extinctie is afhankelijk van de plaats van het eiland
Biodiversiteit in stand houden door grote, (niet gefragmenteerde) gebieden.
Biophilia→ liefde voor de natuur. Biofilia heeft invloed op natuurlijke selectie en de fitness
van een individu. Komt voort uit een relatie tussen mens en leefomgeving (naar welke
leefomgeving worden wij getrokken).
Kan ook nadelig zijn! Bij sterke biofilia kan een individu makkelijk verdwalen of ten prooi
vallen. Naast biofilia bestaat dan ook
biofobia → weerhoudt mensen een beetje van de
natuur.
Biodiversiteit = Leven + Variatie
Verschillende niveaus:
● Genetische diversiteit
● Soorten diversiteit
● Ecosysteemdiversiteit
Alfa-biodiversiteit →
Diversiteit aan soorten in een habitat
Beta-diversiteit → Mate van differentiatie tussen habitats in termen van turnover (toe- of
afname) van soorten
Gamma-diversiteit → totale soortendiversiteit in een landschap (y =a x b)
Functionele diversiteit → Variatie in functionele kenmerken binnen een gemeenschap
Fylogenetische diversiteit→ variatie in fylogenetische groepen binnen een gemeenschap
Hoe wordt diversiteit gemeten?→
● Soortenrijkdom→ aantal soorten
● Soorten evenwicht → verdeling van individuen over deze soorten (en hoeveelheid)
Er wordt niet altijd naar beide factoren gekeken, soms alleen naar één. Ligt aan de
vraagstelling.
Collectorscurve→ Verzameling van individuen. Hoe meer individuen hoe meer soorten je
kan verkrijgen. → afgevlakte curve geeft aan dat de biodiversiteit lager is.
Bekend van eilandtheorie.
Equilibrium theorie (eilandtheorie)
→
● Immigratie is afhankelijk van de afstand tot het vaste land
● Extinctie is afhankelijk van de plaats van het eiland
Biodiversiteit in stand houden door grote, (niet gefragmenteerde) gebieden.
Biophilia→ liefde voor de natuur. Biofilia heeft invloed op natuurlijke selectie en de fitness
van een individu. Komt voort uit een relatie tussen mens en leefomgeving (naar welke
leefomgeving worden wij getrokken).
Kan ook nadelig zijn! Bij sterke biofilia kan een individu makkelijk verdwalen of ten prooi
vallen. Naast biofilia bestaat dan ook
biofobia → weerhoudt mensen een beetje van de
natuur.
Biodiversiteit = Leven + Variatie
Verschillende niveaus:
● Genetische diversiteit
● Soorten diversiteit
● Ecosysteemdiversiteit
Alfa-biodiversiteit →
Diversiteit aan soorten in een habitat
Beta-diversiteit → Mate van differentiatie tussen habitats in termen van turnover (toe- of
afname) van soorten
Gamma-diversiteit → totale soortendiversiteit in een landschap (y =a x b)
Functionele diversiteit → Variatie in functionele kenmerken binnen een gemeenschap
Fylogenetische diversiteit→ variatie in fylogenetische groepen binnen een gemeenschap
Hoe wordt diversiteit gemeten?→
● Soortenrijkdom→ aantal soorten
● Soorten evenwicht → verdeling van individuen over deze soorten (en hoeveelheid)
Er wordt niet altijd naar beide factoren gekeken, soms alleen naar één. Ligt aan de
vraagstelling.
Collectorscurve→ Verzameling van individuen. Hoe meer individuen hoe meer soorten je
kan verkrijgen. → afgevlakte curve geeft aan dat de biodiversiteit lager is.