CTC Common Terminology Criteria. Een beschrijvende terminologie die gebruikt wordt om
bijwerkingen te classificeren. Gradering van bijwerkingen van 1-5. Bij oncolytica wordt een
gradering van 3-4 geaccepteerd omdat de patiënt al in het ziekenhuis ligt en daar
behandeld wordt.
ADL Activities of daily living
Bijwerkingen
- Chemotherapie: trombocytopenie, leukocytopenie, agranulocytose (Beenmergdepressie)
- Hormoon therapie: opvliegers, borstontwikkeling, infertilliteit
- Immunotherapie: allergische reacties, risico op ontstekingen, uitslag
- Signaaltransductie therapie: diarree, huiduitslag
- Algemeen veelvoorkomend: alopecia (haaverlies), misselijkheid, moeheid, gastro-intestinale
toxiciteit.
Preventie/behandeling bijwerkingen
TOXICITEIT PREVENTIE
HEMORRHARGISCHE CYSTITIS MESNA
NIERSCHADE Hyperhydratie
NEUTROPENIE G-CSF
ANEMIE (BLOEDARMOEDE) Erytropoëtine bloedtransfusie
BEENMERGDEPRESSIE Antibiotica, antimycotica, antivirale middelen
MISSELIJKHEID/BRAKEN Anti-emetica
GASTRO-INTESTINALE TOXICITETIE H2-antagonist of protonpompremmer
ALOPECIA Hoofdhuidkoeling
1. Beenmergsuppressie en MDS (myelodysplastische syndromen)
Beenmergsuppressie kan leiden tot anemie, trombocytopenie, neutropenie en lymfocytopenie.
Vanwege beenmergdepressie is het risico op infecties groot.
MDS: afwijkingen in de myelöide stamcellen door
- Deleties
- Translocaties
- Duplicaties
, - Veranderingen in methylering
➔ Kankercellen bevinden zich in de stamcellen. Dit leidt tot meer apoptose van
beenmergcellen, waardoor anemie, trombocytopenie, neutropenie en lymfocytopenie kan
ontstaan. De behandeling van MDS is hetzelfde als die van beenmergsuppressie.
Symptomatische behandeling MDS en beenmergsuppressie:
- Transfusies (meest toegepast in de oncologie)
o Erythrocyten (rode bloedcel)
o bloedplaatjes
- Groeifactoren
o Erytropoëtine (EPO) (wordt in oncologie nauwelijks toegepast)
o G-CSF
- Bij ernstige vormen van MDS:
o Chemotherapie gevolgd door stamceltransplantatie
o Azacitidine en decitabine (veroorzaakt hypomethylering)
1.1 Neutropenie
Neutropenie: vermindering van het aantal neutrofiele leukocyten in het bloed. Neutropenie kan
ontstaan door van gebruik van chemotherapie zoals taxanen en etoposide.
Profylactische behandeling van neutropenie met G-CSF
G-CSF zijn kolonie stimulerende factoren. Effect G-CSF:
- Hogere neutrofiel productie
- Verhoogde overleving, adhesie en fagocytose van neutrofielen
- Grotere mobilisatie in het bloed van beenmerg neutrofielen en stamcellen
- Mobilisatie van type 2 dendritische cellen
- Verminderde reactiviteit van T-cellen.
- Verschuiving naar Th2-cellen
- Hogere productie van Treg-cellen
- Verhoogde productie en adhesie van monocyten
- Verhoogde uitscheiding van anti-inflammatoire cytokinen door monocyten
- Verminderde pro-inflamatoire cytokine productie
- Verhoogde activatie van enodtheelcellen
G-CSF tegen neutropenie:
- Filgrastim