gastcollege
STvanLE
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 9: Vermogensbehoefte ..................................................................................... 3
9.1 Bepaling van de vermogensbehoefte ................................................................................... 3
9.2 Diversiteitsverschijnsel ........................................................................................................ 3
9.3 Vermindering van de vermogensbehoefte door factoring en/of leasing ................................ 3
9.3.1 Leasing ..................................................................................................................................... 3
9.4 Vermindering van vermogensbehoefte door huur en outsourcing ........................................ 4
9.5 Werkkapitaalbeheer en Enterprise Resources Management (ERM)....................................... 4
Hoofdstuk 10: Vormen van eigen vermogen ...................................................................... 5
10.2 Eigen vermogen ................................................................................................................ 5
10.3 Aandelenkapitaal .............................................................................................................. 5
10.5 Waarde van een aandeel ................................................................................................... 6
10.11 Reserves ......................................................................................................................... 7
Hoofdstuk 11: Vormen van vreemd vermogen ................................................................... 7
11.1 Behoefte aan eigen vermogen ........................................................................................... 7
11.2 Vreemd vermogen............................................................................................................. 7
11.3 Indeling vreemd vermogen naar looptijd ........................................................................... 8
11.4 Vormen van vreemd vermogen op lange termijn ................................................................ 8
11.5 Vormen van vreemd vermogen op korte termijn ................................................................ 9
11.6 Voorzieningen ................................................................................................................... 9
Hoofdstuk 12: Analyse van de financiële structuur........................................................... 10
12.1 Het begrip financiële structuur ........................................................................................ 10
12.2 Afstemming tussen vermogensbehoefte en financieringswijze ......................................... 10
12.3 Partiële en totale financiering .......................................................................................... 10
12.3.1 Partiële financiering ............................................................................................................ 10
12.3.3 Goudenbalansregel ............................................................................................................. 10
12.4 Verhouding tussen vreemd en eigen vermogen ................................................................ 11
12.5 Interne financiering ......................................................................................................... 12
12.6 Berekening van kengetallen ............................................................................................. 12
12.7 Rentabiliteit .................................................................................................................... 12
12.7.1 Winstgevendheid van de onderneming .............................................................................. 12
12.7.2 Rentabiliteitskengetallen .................................................................................................... 12
12.7.3 Hefboomwerking van de vermogensstructuur ................................................................... 13
12.8 Liquiditeit ....................................................................................................................... 14
12.9 Solvabiliteit ..................................................................................................................... 14
12.10 Activiteitskengetallen .................................................................................................... 15
12.11 Verbanden tussen diverse kengetallen ........................................................................... 15
12.12 Vergelijking met kengetallen ......................................................................................... 16
12.13 Kasstroomoverzicht ....................................................................................................... 16
12.14 Financiering vanuit de bank gezien ................................................................................ 16
12.16 Functies binnen het financieel management .................................................................. 16
Aantekeningen gastcollege.............................................................................................. 17
2
, Hoofdstuk 9: Vermogensbehoefte
9.1 Bepaling van de vermogensbehoefte
• De activa leiden tot een vermogensbehoefte
o Daarin wordt voorzien door het aantrekken van eigen en vreemd vermogen
• Vaste activa: activa die niet langer dan één jaar in het bedrijf aanwezig zijn
o VB: Gebouwen, machines en inventaris
o De waarde van de activa neemt af door het gebruik ervan
o De kosten van de waardedaling van de activa heet afschrijvingskosten
• Vlottende activa: activa die binnen één jaar het bedrijf verlaten
o VB: liquide middelen, energie en grondstoffen
o Liquide middelen: op korte termijn om te zetten in geld
• Door de optelling van de vermogensbehoefte van de afzonderlijke activa krijgen we de totale
vermogensbehoefte gedurende een aantal jaren.
9.2 Diversiteitsverschijnsel
• Het verschijnsel dat de afzonderlijke activa op diverse momenten hun maximale en minimale
vermogensbehoefte bereiken, noemen we diversiteitsverschijnsel.
• Organisaties streven ernaar om de vermogensbehoefte in verband met verschillende activa
zodanig te spreiden, dat de totale vermogensbehoefte minder pieken en dalen vertoont.
• Intensieve financiering: als de geldontvangsten in verband met afschrijvingen en restwaarden
weer direct in de organisatie worden aangewend om nieuwe productiemiddelen te kopen.
o Hierdoor kan met een gelijkblijvend vermogen een grotere hoeveelheid
productiemiddelen worden aangetrokken.
9.3 Vermindering van de vermogensbehoefte door factoring en/of leasing
• Als een organisatie aan haar afnemers goederen levert op rekening, ontstaan vorderingen op
deze afnemers. Het totaal van deze vorderingen is de post “Debiteuren”.
• Factormaatschappijen zijn (tegen een vergoeding) bereid op deze vorderingen op de afnemers
van de organisatie hun dienstlening toe te passen.
o De factormaatschappij regelt de betaling voor de klant.
o Bewaking/incasso van debiteurenvorderingen
o Financiering (de factormaatschappij financiert tot 100% van de debiteurenvorderingen)
o Insolventierisicodekking (vorderingen worden verzekerd tegen non-betaling)
• Old-line factoring: de factormaatschappij betaalt een groot gedeelte van de vorderingen direct
aan de onderneming. Dat leidt tot een vermindering van de vermogensbehoefte
• Manurity factoring: de factormaatschappij betaalt uit nadat zij het bedrag van de debiteur heeft
9.3.1 Leasing
• Bij leasing is er sprake van een huurovereenkomst tussen de organisatie en leasemaatschappij
• Leasecontracten zijn onder te verdelen in: operational-lease- en financial-leasecontracten
• Operational lease is een opzegbaar huurcontract
o Het contract is afkoopbaar, het risico van economische veroudering ligt bij de verhuurder
o Komt vooral voor bij computers, auto’s, kopieerapparatuur
o Er is sprake van een lager geïnvesteerd vermogen bij gelijkblijvende omzet
o De omloopsnelheid van het gemiddeld geïnvesteerd vermogen wordt vergroot.
• Financial-lease is onopzegbaar huurcontract
o De looptijd van het contract komt ongeveer overeen met de economische levensduur
o Het contract onopzegbaar is, het risico van economische veroudering ligt bij de huurder
3